Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/1.1.3
1.1.3 Strafrechtsdogmatiek onder druk
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715490:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kelk/De Jong 2019, p. 38; De Jong 2016, p. 1-2; Ashworth 2000, p. 228.
Van der Woude & Van Sliedregt 2007, p. 217; De Hullu 1993, p. 57-58.
De Jong 2016, p. 2; Keulen 2014, p. 213; Prakken & Roef 2004, p. 210; Foqué & ’t Hart 1990, p. 23.
De Hullu 1993, p. 57. Zie ook: Groenhuijsen 2014, par. 6.3; Van der Woude & Van Sliedregt 2007, p. 216-217, 219 en 223.
De Jong 1993, p. 306.
Yoon 2001, p. 9; Peters 1986, p. 32-33. De minister lijkt bijvoorbeeld geen of weinig verschil te zien tussen het daadstrafrechtbeginsel en het ultimum remedium-beginsel. De minister schrijft: “Het grondidee dat het strafrecht slechts reageert tegen uiterlijke handelingen en alszodanig ultimum remedium is wordt niet aangetast.” Het woord ‘alszodanig’ suggereert een gelijkschakeling. Dat verklaart de wat vreemde redenering dat, zolang de strafbepaling voldoende objectieve en objectiveerbare bestanddelen bevat – waaronder de minister ook schuldvormen begrijpt – de reikwijdte van de bepaling beperkt blijft en dus aan het ultimum remedium-beginsel (en dus ook aan het daadstrafrechtbeginsel) is voldaan. Zie: Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 3, p. 3. Zie verder §4.3.2.
De Jong 2021, p. 687.
Zo ook: De Jong 1993, p. 305.
Nan 2011, p. 98; Yoon 2001, p. 1.
Prakken & Roef 2004, p. 210.
De Pinto wees er – overigens in een andere context – al in 1899 terecht op dat het verzwakken of al te vaak afwijken van de beginselen uit het algemeen deel van het Wetboek van Strafrecht op termijn het strafrecht weer terug zal brengen in de ‘warwinkel’ van voor de codificatie van 1886. Zie: ‘De strafbepalingen van het ontwerp van wet tot voorkoming van bedrog in den boterhandel II’, Weekblad van het Recht 9 juni 1899, p. 2.
Peters 1986, p. 34.
Peters 1986, p. 34. Anders gezegd: het onderscheid tussen mala in se en mala prohibita valt weg.
Mols 2016, p. 4.
Boutellier 2005, p. 114.
De Jong 2016, p. 35.
Barendrecht verwijt strafrechtsjuristen bijvoorbeeld dat ze star vasthouden aan verouderde dogma’s en er niet in slagen een eigentijdse strafrechtstheorie te ontwikkelen (Barendrecht 2002a, p. 1729; Barendrecht 2002b, p. 1993; De Roos 2002, p. 1991).
De Jong 2021, p. 683.
Verschillende auteurs signaleren de laatste decennia een afname van waardering voor de juridisch-dogmatische analyse van het strafrecht.1 Enigszins mistroostig merken sommige auteurs op dat waar vroeger nog een inhoudelijke discussie over strafrechtelijke ontwikkelingen mogelijk was, die discussie tegenwoordig niet langer goed verloopt en men er niet meer in slaagt tot een zinnige dialoog te komen.2 Beginselmatige argumenten tegen strafbaarstellingen in de voorfase lijken zowel in de politiek als bij het brede publiek weinig gewicht in de schaal te leggen en dogmatische kritiek lijkt soms aan dovemansoren gericht.3 De Hullu kwalificeert de communicatie tussen de (straf)rechtsgeleerdheid en de politiek op punten dan ook als slecht.4 De Jong meent dat als de wetgever zo omgaat met zijn eigen beginselen, het niet vreemd is dat er wrijving ontstaat tussen wetenschap en politiek.5 De beginselen van het klassieke, liberale strafrecht, waarin bescherming van het individu tégen de overheid centraal staat, lijken steeds meer te worden verwaterd, uitgehold of zelfs vervangen.6 De Jong vreest zelfs dat het strafrechtelijke bouwwerk, ondanks het nodige stutwerk, zo langzamerhand bezig is door zijn dogmatische fundamenten te zakken.7
De wetgever lijkt zich ook steeds vaker niet aan rechtsbeginselen te houden of deze zo breed uit te leggen, dat vrijwel iedere praktijk ermee in overeenstemming kan worden gebracht, zodat beginselen geen serieuze rol meer spelen.8 Rechtsbeginselen moeten het steeds vaker afleggen tegen overwegingen van doelmatigheid en het belang van de bescherming van de samenleving tegen criminaliteit.9 Het strafrecht wordt zo, in de woorden van Prakken en Roef, gedeïdeologiseerd.10 Steeds meer begint de regeling van voorfasedelicten op een onsamenhangende wirwar aan ad-hoc-oplossingen te lijken.11 In toenemende mate wordt er dan ook op gewezen dat het verschil tussen strafbaar en niet-strafbaar gedrag slechts op een – soms tamelijk willekeurige – menselijke keuze lijkt te berusten.12 In de woorden van Peters:
“[…] anything could be prohibited and made into a crime, some form of sexual deviancy as easily as some undesirable economic activities, euthanasia as well as some form of tax evasion or parking one’s car in a narrow street.”13
Duidelijk is dat het fenomeen van strafbaarheid in de voorfase sterk in ontwikkeling is en dat wetgeving steeds verder de temporele grenzen van het materiële recht opzoekt, terwijl juristen regelmatig betogen dat dit op gespannen voet staat met bepaalde fundamentele beginselen.14 Boutellier pleit er daarom voor de liberale uitgangspunten van het strafrecht opnieuw te overdenken.15 In vergelijkbare zin pleit De Jong voor “vers vlees aan de botten van de beginselen”.16 De (straf)rechtsgeleerdheid moet uiteraard niet met alle winden meewaaien en moet kritisch kunnen reflecteren op politieke keuzes, maar zij moet ook niet star vasthouden aan beginselen, enkel en alleen omdat die nu eenmaal altijd gegolden hebben, zoals sommigen menen dat momenteel het geval is.17
Kennelijk zijn onze rechtsbeginselen niet (meer) in staat het strafrecht in de voorfase te begrenzen. De vele kritiek zowel binnen als buiten de juridische wereld roept bovendien fundamentele vragen op over de werking van die beginselen in de voorfase. Tegelijk signaleert De Jong dat er nog maar relatief weinig aandacht is uitgegaan naar de zijns inziens dringende en urgente vraag hoe het risicostrafrecht zich verhoudt tot strafrechtelijke beginselen.18 Een kritische beschouwing van deze beginselen lijkt daarom op haar plaats. Daarbij moet onder meer worden overwogen waarom deze beginselen eigenlijk gelden, waar ze voor dienen, waartegen ze beschermen, hoe ze zich tot elkaar verhouden en in hoeverre ze nog aansluiten bij de hedendaagse maatschappelijke opvattingen.