Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/1.4.3
1.4.3 Functies van het recht en de beginselen
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285658:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Schlössels & Zijlstra 2017, nrs. 7-10.
Vergelijk: Aelen 2014, blz. 145 die verwijst naar de door Schlössels geïdentificeerde functies die rechtsbeginselen in een rechtsstelsel bekleden (de constitutieve functie, de rechtsvormende functie, de normerende functie en de strategisch-instrumentele functie).
Vergelijk: Aelen 2014, blz. 143. Zie ook: Pauwels 2009, blz. 63 die stelt dat beginselen een brugfunctie vervullen tussen de (verandering van) maatschappelijke normen en waarden en het positieve recht.
Van Soest 1966, blz. 20. Vergelijk: Wisselink 1982, blz. 77 en Feteris 2007, blz. 1.
Vergelijk: Feteris 2007, blz. 5 die spreekt van doelmatigheid.
Van Soest 1966, blz. 20.
Vergelijk: Gribnau 2007, par. 3.6 die stelt dat: ”Zij [de beginselen, VDS] geven argumenten die in een bepaalde richting wijzen, zij vormen – niet-dwingende – redenen voor een bepaalde beslissing”.
Gribnau 2007, par. 3.6.
Vergelijk: Aelen 2014, blz. 143. Zij stelt dat beginselen een richting aangeven waarbinnen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een afweging kan worden gemaakt.
Vergelijk: Pauwels 2009, blz. 64 e.v. en de aldaar aangehaalde bronnen.
Aelen 2014, blz. 139. Vergelijk: Happé 1996, blz. 78 en Schenk-Geers 2007, blz. 15 e.v.
Schlössels & Zijlstra 2017, nr. 233. Gribnau 2006, blz. 31 gebruikt de term normatieve ankerpunten.
Vergelijk: Schlössels & Zijlstra 2017, nr. 233 die dit omschrijven als: “Rechtsbeginselen zijn richtinggevende uitgangspunten voor de normering van het bestuurshandelen en voor de rechtsvorming door de rechter. Zij bieden een kader aan de hand waarvan de rechtmatigheid van het bestuurshandelen wordt afgemeten”.
Vide: het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (IAK). Vergelijk: J.L.M. Gribnau en A.O. Lubbers, Aanbevelingen tot verbetering van het fiscale wetgevingsproces, WFR 2010/1388.
Schenk-Geers 2007, blz. 16. Vergelijk: Van Soest 1966, blz. 24 die stelt dat uit de bestudering van beginselen conclusies getrokken kunnen worden van wenselijk recht.
Vergelijk: Happé 1996, blz. 404, Pauwels 2009, blz. 66 en Aelen 2014, blz. 138.
A.W.G.J. Buijze, Het transparantiebeginsel naar Nederlands recht: een visie geïnspireerd op het EU-recht, JBplus 2016/4, par. 2.
Vergelijk: Schlössels & Zijlstra 2017, nr. 16.
Pauwels 2009, blz. 79.
Vergelijk: Van Soest 1966, blz. 21 en Schlössels & Zijlstra 2017, nr. 17. Zie ook: Gribnau die, onder verwijzing naar Radbruch, concludeert dat het recht streeft naar de verwerkelijking van de rechtvaardigheid zonder deze ook daadwerkelijk (volledig) te kunnen realiseren (Gribnau 2006, blz. 33).
Schlössels & Zijlstra 2017, nr. 233.
Vergelijk: Happé 1996, blz. 79-80 die het samenvat als: “Een voorrangsregel is een norm aan de hand waarvan in een geval van botsing van beginselen kan worden uitgemaakt welk beginsel het meeste gewicht in de schaal legt, c.q. de voorrang heeft”.
Zie: G.H. Addink, Publieke waarden: De beginselen van goed bestuur in de dagelijkse praktijk van ziekenhuis en gemeente, https://kennisopenbaarbestuur.nl/media/23515/publieke-waarden-bestuursrechtelijke-aspecten.pdf (online, geraadpleegd op 29 oktober 2018).
Pauwels 2009, blz. 71.
Pauwels 2009, blz. 72.
Het belastingrecht maakt onderdeel uit van het bestuursrecht. Schlössels en Zijlstra onderscheiden drie functies van het bestuursrecht: de legitimerende functie, de instrumentele functie en de waarborgfunctie.1 Beginselen kunnen een invulling geven aan een of meerdere functies van het recht.2 Ze geven een richting aan waarbinnen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een afweging kan worden gemaakt waardoor beginselen een brug kunnen slaan tussen deze verschillende functies.3 In zijn oratie stelde Van Soest dat het doel van het formele belastingrecht is het materiële belastingrecht te realiseren.4 Aan het formele belastingrecht – waaronder dus ook art. 67 AWR – liggen de beginselen van eenvoud, praktische uitvoerbaarheid en doelmatigheid ten grondslag.5 De beginselen van het formele belastingrecht zijn volgens Van Soest echter ook gericht op het beschermen van de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen, waaronder de geheimhouding.6 Inzicht in de beginselen heeft een oplossend vermogen en geeft een denkrichting voor mogelijke aanpassingen.7 Gribnau betoogt dat als een bestaande regel in een bepaalde situatie evident niet tot een rechtvaardige oplossing leidt de onderliggende beginselen aangesproken moeten worden.8 De beginselen vormen tevens een toetsingskader voor de gevallen waarin de wetgever bij de inwerkingtreding in 1961 – als gevolg van technische en maatschappelijke ontwikkelingen – niet heeft kunnen voorzien. Uit het positieve recht is dan geen oplossing af te leiden en de beginselen kunnen duidelijk maken welke principiële belangen in het geding zijn.9 Rechtsbeginselen zijn cultuur-, plaats- en tijdgebonden en daarmee dynamisch.10 De inhoud van een rechtsbeginsel kan – bijvoorbeeld als gevolg van ontwikkelingen in maatschappelijke opvattingen – veranderen en het relatieve gewicht van een beginsel ten opzichte van andere beginselen kan wijzigen.
Aelen concludeert in navolging van Dworkin dat beginselen abstract en richtinggevend zijn, voorvloeiend uit een bepaalde maatschappelijke (of anderszins niet-juridische) opvatting of voortvloeiend uit een bepaald rechtssysteem.11 Schlössels en Zijlstra omschrijven het als bakens waarop de tot rechtsvorming bevoegde organen zich moeten oriënteren.12 Rechtsbeginselen maken onderdeel uit van de rechtsvormende processen van wetgever, rechter en bestuursorgaan.13 De wetgever neemt rechtsbeginselen in acht bij het tot stand brengen van nieuwe wetten.14 Maar ook ten aanzien van het bestaande recht is reflectie aan de hand van de beginselen noodzakelijk. Recht wordt nooit in zuivere vorm in de maatschappij aangetroffen, maar krijgt in het proces van rechtsvorming steeds weer een andere inhoud.15 Rechtsbeginselen hebben, anders dan rechtsregels, geen ‘alles of niets’- karakter, maar hebben een dimensie van gewicht of belang.16 Beginselen ontlenen hun gewicht aan onderliggende waarden. Het gewicht dat aan een beginsel wordt toegekend is afhankelijk van de vraag of en hoe dat beginsel in een concrete situatie bijdraagt aan het realiseren van de onderliggende waarden.17 De verwezenlijking van het ene beginsel kan soms ten koste gaan van een ander beginsel.18 Een rechtsbeginsel geeft een argument voor een bepaalde oplossing, maar daarvan kan worden afgeweken indien en voor zover er andere beginselen of belangen zijn die een andere richting op wijzen en zwaarder wegen.19 Getracht moet worden de beginselen te optimaliseren, dat wil zeggen dat steeds moet worden gezocht naar die verhouding waarin alle beginselen optimaal worden verwezenlijkt dan wel zo min mogelijk worden beperkt.20
Dat een bepaald beginsel in concreto moet wijken voor andere beginselen, hoeft aan de normatieve waarde van het beginsel niet af te doen.21 Ingeval rechtsbeginselen met elkaar botsen, zal aan de hand van het relatieve gewicht van de beginselen moeten worden bepaald welk beginsel voorrang heeft.22 Hoe die afweging gemaakt dient te worden, is niet altijd even duidelijk; krijgt het meer fundamentele beginsel voorrang boven het minder fundamentele beginsel of is van belang of en zo ja, hoe en waar het betreffende beginsel is vastgelegd.23 Een extra complicatie kan zich voordoen als verschil van opvatting bestaat over het gewicht dat aan een bepaald beginsel toekomt. Pauwels betoogt dat gestreefd dient te worden naar het ideaal dat het afwegen van beginselen een zuiver rationele en objectieve bezigheid is.24 Hij concludeert echter dat een beginselafweging beperkt rationeel is aangezien niet steeds volledig kan worden verantwoord waarom het ene afwegingsresultaat beter is dan het andere.25 De beperkte rationaliteit houdt volgens Pauwels in dat enerzijds een uiteindelijk afwegingsresultaat weliswaar is te herleiden tot (een afweging van) beginselen, tot op zekere hoogte is te verklaren en te motiveren met juridische argumenten; het afwegingsresultaat is dus geenszins irrationeel of willekeurig. Anderzijds valt volgens hem niet objectief aan te tonen dat een sprong dwingend was, i.e. dat niet een andere sprong kon zijn gemaakt of, anders gezegd, dat het resultaat niet evengoed anders kon zijn geweest. In zoverre is de afweging dus niet volledig rationeel te verantwoorden.