Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/2.3.4.1.5
2.3.4.1.5 Asymmetrisch beroep op richtlijnbepaling?
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291410:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 28 november 2013, zaak C-319/12, V-N 2014/7.16 (MDDP). Overigens was dit ook al af te leiden uit HvJ EG 19 januari 1982, zaak 8/81, ECLI:EU:C:1982:7, r.o. 44 en 45 (Becker) en HvJ EG 14 december 2006, zaak C-401/05, BNB 2008/101, m.nt. Van Kesteren, r.o. 41 (VDP Dental Laboratory). In gelijke zin: Van Kesteren, noot bij HvJ EG 14 december 2006, zaak C-401/05, BNB 2008/101, r.o. 41 (VDP Dental Laboratory) en M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 38. De Hoge Raad had in zijn arrest van 6 december 2000, nr.35.704, BNB 2001/101 reeds duidelijk gemaakt dat een dergelijk asymmetrisch beroep niet door de beugel kan.
B.G.A. Heijnen, Niet-betaling in de btw (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 28.
In gelijke zin: J.J.M. Lamers, ‘Asymmetrisch beroep op richtlijn en wet’, WFR 2007/154.
De verticale rechtstreekse werking en het verbod op de omgekeerde verticale rechtstreekse werking zorgen ervoor dat de belastingplichtige zich direct op de Btw-richtlijn kan beroepen indien dit voor hem gunstiger uitpakt en dat de belastingdienst zich niet ten nadele van de belastingplichtige op de Btw-richtlijn kan beroepen. Dat de belastingplichtige de meest gunstige bepaling kan kiezen, betekent niet dat hij de vrijheid heeft om selectief te winkelen in de Btw-richtlijn en de nationale btw-wetgeving. Het is een belastingplichtige niet toegestaan alleen de krenten uit de pap halen (‘cherry picking’) door aan de ‘verkoopkant’ een beroep te doen op een Btw-richtlijnbepaling op grond waarvan hij geen of minder btw verschuldigd is (een vrijstelling of heffing over de winstmarge) en aan de ‘inkoopkant’ een beroep te doen op het nationale recht teneinde zijn recht op (volledige) btw-aftrek te behouden. Het Hof van Justitie heeft een dergelijk ‘asymmetrisch beroep’ op een Btw-richtlijnbepaling afgewezen.1 Heijnen meent dat deze beslissing zich moeilijk verhoudt tot het verbod op de omgekeerde verticale rechtstreekse werking.2 Ik zie die moeilijkheid niet. De verticale rechtstreekse werking van een richtlijnbepaling is een middel om het unierecht te laten doorwerken in het daarmee strijdige nationale recht en aldus een resultaat te bereiken zoals dat zou zijn zonder het implementatiegebrek. Een asymmetrisch beroep op een Btw-richtlijnbepaling leidt echter niet tot een richtlijnconform resultaat, maar tot een resultaat dat (nog) verder afstaat van het resultaat dat de Btw-richtlijn beoogt. Gelet op de strekking van de verticale rechtstreekse werking, acht ik het daarom logisch dat het Hof van Justitie hiervoor een stokje steekt.3