Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/2.3.2.1
2.3.2.1 Voorlichtende taak op grond van het rechtszekerheidsbeginsel
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661334:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Van de Sande 2019, par. 2.3.1; Scheltema 1997, p. 6; Oldenziel 1998, p. 233-234. Zie ook Jansen en Steehouder 1989a, par. 2.2.
Oldenziel 1998, par. 2.3 maakt een onderscheid in de volgende negen dimensies van rechtszekerheid: bestendigheid, toepassen van de wet, duidelijkheid over de rechtspositie, tijdigheid, voorspelbaarheid van bestuurshandelen, kenbaarheid, rechtsbescherming, honorering van gewekt vertrouwen, verbod van terugwerkende kracht. In de fiscale literatuur zie Pauwels 2009, hoofdstuk 4 met vele literatuurverwijzingen; recenter Van den Heuvel 2018, par. 1.2.
Oldenziel 1998, par. 2.4.2.
Van de Sande 2019, p. 48.
Oldenziel 1998, par. 5.4, p. 234; Van de Sande 2019, p. 53; Scheltema 1989, par. 2.1.
Oldenziel 1998, p. 36, 38.
Vgl. Oldenziel 1998, p. 36; Van den Heuvel 2018, p. 19.
Over het legaliteitsbeginsel in het belastingrecht zie Happé 1996, o.a. par. 1.1 en 1.1.3.4; Van den Heuvel 2018, p. 93.
Oldenziel 1998, p. 43-45 (met verwijzingen naar o.a. Scheltema); Scheltema 1997, p. 1-2; 5; Vgl. Van den Heuvel 2018, p. 18-19; Hofstra Inleiding 1992, p. 169. Van den Heuvel 2019, p. 25-26 en hoofdstuk 3; Gribnau en Dusarduijn 2021a, par. 2.2.3; Gribnau 2018, par. 2.
Scheltema 1997, p. 4.
Zie Scheltema 1997, p. 4-5; Oldenziel 1998, par. 5.2 en hoofdstuk 7; Marseille 1993; Dijkstra 1991.
Oldenziel 1998, par. 7.2.3; Dijkstra 1991 (met diverse bestuurskundige case studies); Marseille 1993. Zie ook Zijlstra 2012, p. 13-14 en Van de Sande 2019 p. 50.
Scheltema 2020b, p. 8; Scheltema 1997, p. 2-3; Veerman 2018, p. 41; Damen 2018, p. 24, 45; Van de Sande 2019, p. 50, 382; Pront-van Bommel 2006, par. 2.
Zijlstra 2012, p. 12-13; Zijlstra 2020, p. 585; Damen 2018, p. 24.
Zie ook Oldenziel 1998, hoofdstuk 4, par. 5.3, Pront-van Bommel 2006, par. 2.
Rechtbank Oost-Brabant 17 december 2021, nr. 20/1357, V-N 2022/8.22.29, AB 2022/59, r.o. 5.3.
Van den Heuvel 2018, p. 81-82; Gribnau 2013c, p. 96; Gribnau 2018, p. 26; Van Hoeflaken 2014, par. 7.
Van den Heuvel 2018 p. 78, 89-90; Spanjers 2017 wijst op de grote rol van belastingadviseurs e.d. bij regelingen als de hypotheekrenteaftrek, loonheffingen en innovatiebox. In de buitenlandse literatuur zie bijv. OTS 2018, p. 8: ‘Very few taxpayers will ever wish to read tax legislation; guidance is the only way in which taxpayers can know and understand what the law means for them in practice’, p. 13; Monroe 2017, p. 83: ‘Very few taxpayers turn directly to the Internal Revenue Code to determine their federal income tax liability. Instead, taxpayers rely on intermediaries-legal experts, tax return preparers, commercial software, and the IRS-to navigate their annual filing obligations.’; Blank & Osofsky 2017, p. 235.
Gribnau 2018, p. 26.
Van den Heuvel 2018, p. 89, 211.
Van den Heuvel 2018, p. 78. Zie ook Gribnau 2018, p. 26.
Zie Meuwese 2020, p. 3.
Vgl. Van Soest 1958, p. 4-5, die betoogt dat wie de belastingwet leest, daaruit geen adequaat (maar een ‘vertekend’) beeld krijgt van belastingheffing, onder andere omdat de wet niet volledig is en ‘een belangrijk deel van het stellige recht in de praktijk van de rechtstoepassing gevormd wordt.’ Vgl. Happé 1996, p. 25; Van den Heuvel 2018, p. 65, 101-103, 211, 229-230.
Over voorzienbaarheid van handelen van de Belastingdienst zie Van den Heuvel 2018, par. 3.4.3 en p. 19, 101. Niet-wetsconform handelen van de Belastingdienst komt aan bod in de brief van 12 maart 2021 van de staatssecretarissen Vijlbrief en Van Huffelen, ‘Overzicht van wetten waar de Belastingdienst zich niet aan gehouden heeft’ van 12 maart 2021, kenmerk 2021-0000049313; de brief van staatssecretarissen Van Huffelen en Vijlbrief van 27 februari 2020, kenmerk 2020-0000044147, in de bijlage onder vraag 19 wordt de vraag beantwoord hoe erop wordt ‘toegezien dat, naast burgers en bedrijven, ook de Belastingdienst zelf de belasting- en toeslagenwetgeving naleeft’.
Van de Sande 2019, p. 50; Van den Heuvel 2018, p. 90.
Scheltema 1997, p. 2-3; Van de Sande 2019, p. 50. Vgl. Scheltema 1989, par. 1.
Scheltema 1997, p. 4; Scheltema 1984, p. 547; Scheltema 2021; Oldenziel 1998, p. 44-45.
Zijlstra 2012, p. 14 (citaat zonder voetnoten). Van den Heuvel, p. 81-82 acht het, ondanks de beperkte waarborgfunctie van rechtszekerheid die de belastingwet in werkelijkheid vervult, vanuit normatief rechtsstatelijk perspectief zinvol om de duidelijkheidseis van wetgeving in te vullen.
Van de Sande 2019, p. 420. Vgl. in algemenere zin Koopman 2017, par. 4 (citaat zonder voetnoten): ‘Iedere burger wordt geacht de wet te kennen. De keerzijde hiervan is dat de staat ervoor moet zorgen dat het recht kenbaar is. De inhoud van wetten, beleid en rechtsvormende jurisprudentie moet voor eenieder beschikbaar zijn.’
Scheltema 1984, p. 546.
Scheltema 1997, p. 6-7. Zie ook Van de Sande 2019, p. 52.
Zie Zijlstra 2020, p. 585; Van de Sande 2019, par. 2.3.1; Schlössels en Zijlstra 2017, par. 1.2.2.2, punt 26; Oldenziel 1998, p. 234-235; Nicolai 1990, p. 455.
Oldenziel 1998, p. 234-235. Dat ziet zowel op informatieverstrekking uit eigen beweging als op verzoek (zie ook p. 238).
Zie Oldenziel 1998, par. 8.5.3, tevens met voorstel tot codificatie van de voorlichtingsplicht.
Vgl. Oldenziel 1998, p. 234; Van de Sande 2019, p. 53; Scheltema 1989, par. 2.1 over rechtszekerheid door middel van standpuntbepalingen e.d. Voor het belastingrecht doet zich in de jurisprudentie regelmatig de vraag voor of de verkregen informatie kwalificeert als een (bindende) standpuntbepaling of een (niet-bindende) inlichting; zie hoofdstuk 4.
Van de Sande 2019, par. 2.3.1.
Van de Sande 2019, p. 52; p. 56: ‘Buiten twijfel staat dat uit hoofde van het rechtszekerheidsbeginsel een taak is weggelegd voor de overheid op het gebied van informatieverstrekking.’ Van de Sande acht zowel uit eigen beweging verstrekte voorlichting, als op verzoek verstrekte informatie (inlichtingen) een uit het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeiende plicht (vgl. Van de Sande 2019, p. 50-52, p. 93). Zie ook Van de Sande p. 429-430.
Scheltema 1997, p. 7.
Scheltema 1997, p. 7. Zie ook Van de Sande 2019, p. 53.
Zie bijvoorbeeld Zijlstra 2020, p. 586; Schlössels en Zijlstra 2017, par. 1.2.2.2, punt 26; Oldenziel 1998, par. 8.5.3.3.
Feteris 2007, p. 65.
Feteris 2005, p. 11 (zonder voetnoten geciteerd).
Gribnau 2013, p. 96.
Gribnau 2018, p. 26 (zonder voetnoten geciteerd).
Vgl. Van den Heuvel 2018, p. 223; Happé 1996, p. 177, 164; Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.3.0 (bijgewerkt tot 12 december 2021); Van Hout 2019b, par. 3.2 (‘Voorlichting is belangrijk omdat belastingplichtigen op basis daarvan al hun rechtspositie kunnen bepalen.’); Lalji in Overdijk 1993, p. 62; Lalji 1992, par. 4 en 5; Adriaansen-Keulers 1996, p. 162; Hofstra 1992, par. 12.2, p. 185; Langereis 1978, onderdeel ‘Grotere kenbaarheid voor de belastingplichtige’, betoogt dat de problemen rond de kenbaarheid van het fiscale recht in de eerste plaats worden opgelost ‘door publikaties en voorlichting van de zijde van de fiscus’ (hoewel deze informatie ‘eenzijdig’ is). Volgens Geppaart 1969, p. 90 vergroot het geven van inlichtingen en toezeggingen door de Belastingdienst de rechtszekerheid en vanuit dat oogpunt acht hij het bezwaarlijk als de Belastingdienst er niet aan is gebonden.
Overigens wordt in de jurisprudentie de wettelijke verplichting van gemeenten om verordeningen bekend te maken ex art. 139 Gemeentewet wel aangemerkt als ‘voorlichtende taak’ van de gemeente, zie HR 8 januari 2021, nr. 20/00339, BNB 2021/86, r.o. 3.2 en Hof Amsterdam 28 september 2021, nr. 20/00228, V-N Vandaag 2021/2449.
Hof ’s-Hertogenbosch 24 oktober 2019, nr. 18/00691 en 18/00692, V-N 2020/9.1.2, r.o. 4.15. Zie ook Rechtbank Arnhem 21 september 2007, nr. AWB 07/1831 (tekst uitspraak niet gepubliceerd, wel te raadplegen via Kluwer Navigator) en Rechtbank Arnhem 16 oktober 2007, nr. AWB 07/1829, r.o. 4, beide uitspraken inzake grondwaterbelasting; Rechtbank Den Haag 21 november 2019, nr. AWB - 19 2235, V-N 2020/34.32 (Belastingdienst/Toeslagen).
In de staats- en bestuursrechtelijke literatuur wordt het rechtszekerheidsbeginsel beschouwd als belangrijkste grondslag voor de op de overheid rustende taak om voorlichting te verstrekken aan burgers.1
Het begrip ‘rechtszekerheid’ heeft, zoals Oldenziel heeft uiteengerafeld, meerdere dimensies.2 De kern van het rechtszekerheidsbeginsel is volgens hem dat burgers duidelijkheid hebben over hun rechtspositie. Het gevolg is dat burgers het bestuurshandelen kunnen voorspellen (is het optreden van het bestuur op grond van de wet voorzienbaar?). Of dit gevolg in werkelijkheid intreedt, is afhankelijk van voorwaarden zoals o.a. kenbaarheid (is de wet – en het recht in het algemeen – voor de burger kenbaar?), toepassing van de wet (past het bestuur de regels (op juiste wijze) toe?) en rechtsbescherming (staat er rechtsbescherming open tegen bestuursoptreden dat niet voorspelbaar was?).3
Bij het rechtszekerheidsbeginsel wordt wel een nadere onderscheid gemaakt in formele rechtszekerheid (kenbaarheid van het recht) en materiële rechtszekerheid (daadwerkelijke toepassing van het recht).4 Naast formele rechtszekerheid wordt ook wel feitelijke rechtszekerheid onderscheiden (rechtszekerheid in een concrete situatie).5
Het rechtsstatelijke rechtszekerheidsbeginsel strekt ertoe duidelijkheid over de rechtspositie en voorspelbaarheid van overheidshandelen te waarborgen.6 Toegepast op de fiscale context is de kern van het rechtszekerheidsbeginsel dat burgers duidelijkheid hebben over hun fiscale rechtspositie.7
De wet als waarborg voor rechtszekerheid
In het klassieke rechtsstatelijke denken is het idee dat de wet wordt geacht rechtszekerheid te bieden. In een rechtsstaat is de overheid gebonden aan de wet. Voor overheidsoptreden is daarom een wettelijke grondslag vereist (legaliteitsbeginsel). In artikel 104 van de Grondwet is neergelegd dat belastingheffing plaatsvindt uit kracht van een wet.8 Het idee is dat de belastingwet rechtszekerheid waarborgt, omdat als de belastingwet de burger duidelijkheid geeft over zijn rechtspositie, hij daardoor in staat is de belastingaanslag te voorspellen die de Belastingdienst op grond van de belastingwet zal opleggen en hij aldus ‘rechtszeker’ zal zijn.9 In het klassieke rechtsstatelijke denken vormt de wet dus een waarborg voor rechtszekerheid (paragraaf 2.2.3).
Waarom de wet (niet) de bron van rechtszekerheid is voor burgers
Achter het idee van de wet als waarborg voor rechtszekerheid kunnen volgens Scheltema de volgende veronderstellingen schuilgaan.
‘De burgers kennen de wet. In de wet staat wat het bestuur moet doen. Het bestuur doet wat in de wet staat. Dus: de burgers weten tevoren wat het bestuur gaat doen, en hebben dus rechtszekerheid.’10
In werkelijkheid blijken die veronderstellingen niet geheel houdbaar. In de eerste plaats veronderstelt de redenering dat burgers de wet raadplegen én dat zij in staat zijn daaruit hun rechten en verplichtingen af te leiden. Beide aspecten corresponderen niet met de werkelijkheid, zo blijkt uit juridisch en empirisch onderzoek van Dijkstra, Marseille en Oldenziel uit de jaren 90.11 Burgers blijken niet zozeer in de wet te kijken, maar zij vergaren veelal informatie via andere bronnen, zoals voorlichting van uitvoerende instanties.12 Zelfs al zouden burgers in de wet kijken, dan zullen de meesten niet in staat zijn om daaruit hun verplichtingen af te leiden, vanwege onder andere het juridische taalgebruik, de gelaagde structuur en complexiteit.13 Raadplegen van de wet kan voor de ongeschoolde lezer zelfs tot ‘schijnduidelijkheid’ leiden, zo waarschuwt Zijlstra recenter.14 Bovendien blijkt de wet niet altijd precies (denk aan open normen, delegatiebepalingen), blijkt het bestuur niet altijd conform de wet te handelen (denk aan fouten, beleidslijnen) en burgers kunnen enkel op grond van de wet het bestuurshandelen niet geheel voorspellen (denk aan beleidsregels, parlementaire geschiedenis, rechtspraak).15 Kortom, de wet biedt niet de veronderstelde rechtszekerheid en de theorie over de wet als waarborg voor rechtszekerheid blijkt dan niet goed houdbaar.
Ter illustratie
In de bestuursrechtelijke uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant van 17 december 2021 zet de rechter helder uiteen dat gewone burgers niet afgaan op de wettekst maar op voorlichting. De Rechtbank overweegt: ‘(…) De wetgever zou zich moeten inspannen om wetten te maken die iedereen begrijpt. Daarnaast mag eiseres erop vertrouwen dat de Belastingdienst/Toeslagen op zijn eigen website de juiste informatie verschaft. Een gemiddelde burger zal niet een half uur gaan speuren in de parlementaire stukken bij een wetswijziging om te begrijpen wat er in de wet staat en wat er wordt bedoeld. Die kijkt op de website van de overheid waar het wettelijke systeem wordt uitgelegd. (…)’.16
Het voorgaande ligt in het belastingrecht waarschijnlijk niet anders. Sterker nog, in de fiscale literatuur wordt onderkend dat burgers in de praktijk veelal geen belastingwetteksten raadplegen.17 Aangenomen wordt dat burgers in de werkelijkheid te rade gaan bij andere informatiebronnen om zicht te krijgen op hun fiscale rechten en plichten.18 Zo constateert Gribnau in dit verband over het belang van voorlichting:
‘De meeste burgers zullen geen – voor hen doorgaans ondoordringbare – wettekst(en) raadplegen om hun fiscale rechtspositie te bepalen. Zij zullen op door de Belastingdienst verstrekte informatie afgaan of bijstand zoeken van een fiscaal deskundige. Voorlichting van de Belastingdienst aan belastingplichtigen is daarom van groot belang.’19
Dat geldt ook voor het belastingrecht: zelfs al zou de burger de belastingwet raadplegen, dan betekent dat niet dat hij de inhoud ervan begrijpt. Belastingwetgeving is vanwege haar technische aard, taalgebruik en gelaagde structuur relatief ontoegankelijk en complex (paragraaf 2.2.2). Van den Heuvel meent dat zelfs al zouden diverse normadressaten de belastingwet zelf (willen) lezen, dan lijkt het ‘niet realistisch om te veronderstellen dat de normadressaten eveneens de grote toename van wetgeving (kunnen) bijhouden, de inhoud ervan kunnen begrijpen en de juridische draagwijdte ervan kunnen inschatten.’20 Volgens hem is voor belastingplichtigen ‘veelal feitelijk onmogelijk geworden om hun fiscale verplichtingen te kennen en hun handelen daarop af te stemmen’.21 Meuwese legt een link met kwaliteitsnormen van wetgeving en wijst erop dat zelfs als in de belastingwet de relevante Aanwijzingen voor de regelgeving adequaat zijn opgevolgd, voor veel belastingplichtigen ‘verdere ‘vertaling’ onontbeerlijk is.’22 Daarnaast geldt aan voorspelbaarheid op grond van de wet wordt ingeboet wanneer belastingwetten zelf niet duidelijk zijn (paragraaf 2.2.2),23 en wanneer de Belastingdienst niet wetsconform handelt.24 Bovendien moet steeds een vertaalslag worden gemaakt van de algemene regel naar de concrete situatie van de burger om daadwerkelijk rechtszeker te zijn.25
Uit het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat (ook) voor het belastingrecht geldt dat de (belasting)wet in de praktijk maar beperkt functioneert als bron van rechtszekerheid voor de burger.26 Dat betekent overigens uiteraard niet dat de wet géén betekenis heeft voor de rechtszekerheid.27 De burger ontleent wel degelijk rechtszekerheid aan de wet, maar niet – zoals Zijlstra schreef – als lezer van de wet. De wet zorgt voor rechtszekerheid omdat ‘alle rechtsuitleggers en rechtstoepassers zich eraan hebben te houden en (…) ook worden gehouden.’28
Wel betekent het voorgaande dat in een rechtsstaat méér nodig is dan enkel het publiceren van wetgeving. Op dat punt komt de voorlichtende taak van de overheid in beeld.
Voorlichtende taak ter bevordering van rechtszekerheid
De overheid draagt in de rechtsstaat verantwoordelijkheid voor de rechtszekerheid van de burger.29 Nu de wet die rechtszekerheid niet geheel kan waarborgen, komt bij de overheid de taak te liggen om voorlichting te geven aan burgers. De uitvoeringsinstantie, het bestuur, is daarbij de meest aangewezen overheidsinstantie, gezien zijn deskundigheid over de materie. Grondlegger van deze opvatting is Scheltema. Hij betoogde in de jaren 80 dat het bestuur een voorlichtingsplicht heeft uit oogpunt van rechtszekerheid.
‘Naarmate de overheid haar regelingen ingewikkelder maakt, rust op haar sterker de plicht om voorlichting te geven en de justitiabele te helpen bij het zoeken van de juiste oplossing voor zijn problemen. Dat is soms de best begaanbare weg voor het verkrijgen van rechtszekerheid. Ik zou dan ook willen aannemen, dat bij het bestuur ook de plicht bestaat om voldoende informatie te geven.’30
Volgens Scheltema heeft het bestuur de plicht om burgers voor te lichten over hun rechten en plichten ten opzichte van het bestuur.31 Die voorlichting moet volgens hem niet enkel gaan over de wet, maar ook over eigen regels van de uitvoerder. Scheltema’s opvatting is door andere auteurs gevolgd en verder uitgewerkt.32 Zo beschouwt Oldenziel voorlichting eveneens als overheidstaak ter vergroting van de wetskennis (en algemener: de rechtskennis) van burgers, gezien de op de overheid rustende verantwoordelijkheid om burgers over de inhoud van de uitgevaardigde regels te informeren.33 Volgens hem ligt het voor de hand om de voorlichtingsplicht bij het bestuur neer te leggen, mede vanwege de bestaande praktijk waarin het bestuur ‘de belangrijkste bron van informatie’ voor burgers is en gezien zijn deskundigheid ter zake.34 Oldenziel betoogt dat (betere) voorlichting één van de wegen vormt naar een grotere rechtszekerheid (‘compensatiestrategie’). Voorlichting dient dus een rechtszekerheidsfunctie. Het gaat in de literatuur overigens niet enkel om voorlichting waarin het recht kenbaar wordt gemaakt (formele rechtszekerheid), maar ook om informatie die burgers in een concrete situatie rechtszekerheid biedt (feitelijke rechtszekerheid).35
Recenter werkt Van de Sande de redenering over de voorlichtingsplicht uit hoofde van rechtszekerheid nader uit.36 Van de Sande beargumenteert onder meer waarom het rechtszekerheidsbeginsel aanspoort tot een actieve houding van het bestuur bij informatieverstrekking aan burgers.
‘Om te voldoen aan de eisen die het rechtszekerheidsbeginsel stelt, dient het bestuur derhalve informatie te verstrekken die de betekenis van de wet inzichtelijk maakt. Het gaat immers om rechtszekerheid en niet om wetszekerheid. In dit licht rust op het bestuur een verantwoordelijkheid die ertoe strekt te verzekeren dat de waarborgen van het rechtszekerheidsbeginsel worden verwezenlijkt. Vanuit rechtsstatelijk perspectief kan worden betoogd dat het bestuur daarbij geen afwachtende rol zou moeten aannemen, maar zich actief zou moeten inspannen (…). Deze invalshoek stelt de activiteiten van het bestuur op het vlak van informatieverstrekking niet afhankelijk van de (al dan niet kenbaar gemaakte) wens van de burger te worden geïnformeerd, maar rekent het tot de primaire taken van het bestuur om de burger proactief, ambtshalve te informeren over wet- en regelgeving. In zoverre zou kunnen worden gesproken van een rechtsstatelijke kerntaak van de overheid op dit vlak.’37
Hoewel als vanzelfsprekend wordt gezien dat op de overheid een voorlichtende taak rust, staat dit niet in een in de wet vastgelegde rechtsregel. Scheltema is daarom voorstander van codificatie van de voorlichtingsplicht.38 Enerzijds omdat dit voorlichting minder vrijblijvend maakt. Aan onvoldoende voorlichting worden nu niet steeds consequenties verbonden en dat moet volgens Scheltema wel het geval zijn. Ander voordeel is dat op die wijze maatschappelijke kosten van wijzigende regels en complexiteit van regels óók bij de overheid (beter) zichtbaar worden.39 Scheltema’s voorstel voor een wettelijk verankerde voorlichtingsplicht is (nog) niet overgenomen, maar kan wel op bijval rekenen in de literatuur.40
Voorlichtende taak van de Belastingdienst uit oogpunt van rechtszekerheid
De hierboven behandelde theorie geldt ook voor de fiscale context. Dat betekent dat de voorlichtende taak van de Belastingdienst zijn oorsprong vindt in het rechtszekerheidsbeginsel. In de fiscale literatuur is steun te vinden voor deze rechtsstatelijke inbedding; zij het niet steeds expliciet. Volgens Feteris rust op de overheid de taak om het publiek voor te lichten vanwege de complexiteit van belastingwetten.41 Volgens Feteris is enkel publicatie van de wet (formele rechtszekerheid) niet voldoende om de wet te (kunnen) kennen, dus mogen inspanningen van de Belastingdienst worden verwacht.
‘Ook bij een heffing die voor de meeste belastingplichtigen begrijpelijk en uitvoerbaar is, zal van de Belastingdienst verwacht mogen worden dat hij zowel uit eigen beweging als op verzoek in ruimte mate voorlichting geeft. De veronderstelling dat iedereen de wet kent zodra deze officieel gepubliceerd is, vormt geen werkbare basis om de betaling van belastingen in handen van de belastingplichtigen te leggen.’42
De Belastingdienst hoort volgens Feteris – bij aangiftebelastingen in nog sterkere mate dan bij aanslagbelastingen – tijdig en adequaat antwoord te geven op vragen van belastingplichtigen die in onzekerheid verkeren over hun verplichtingen, waartoe de Belastingdienst overigens ook bereid is. Gribnau betoogt dat op de Belastingdienst een bijzondere verantwoordelijkheid rust om burgers te informeren en helpen bij het nakomen van hun fiscale verplichtingen, juist omdat zij moeten vertrouwen op de informatie die de Belastingdienst daarover verstrekt.43 In een recentere bijdrage van Gribnau zijn in het kader van het belang van voorlichting verschillende aspecten van rechtszekerheid te herkennen:
‘(…) de enorme complexiteit van het belastingrecht. Het valt de burger niet mee om hieruit zijn rechtpositie af te leiden. De veranderlijkheid van belastingwetgeving draagt daar nog sterk aan bij, gevolg van deze wirwar van deels wegwerprecht is een gebrek aan voorspelbaarheid. Dit is zeker een probleem bij wetgeving die voor grote groepen burgers geldt, zoals de eigen woning-regeling. De burger wordt geacht de wet te kennen en in dit opzicht (zelf)redzaam te zijn, maar dat lijkt steeds meer een hopeloze opgave. De meeste burgers zullen geen – voor hen doorgaans ondoordringbare – wettekst(en) raadplegen om hun fiscale rechtspositie te bepalen. Zij zullen op door de Belastingdienst verstrekte informatie afgaan of bijstand zoeken van een fiscaal deskundige. Voorlichting van de Belastingdienst aan belastingplichtigen is daarom van groot belang. Zo kunnen zij duidelijkheid en inzicht krijgen in de enorm ingewikkelde belastingwetten. Algemene informatie, voorlichting kan hier – tot op zekere hoogte – het gebrek aan transparantie van belastingwetgeving compenseren. Maar de burger heeft vaak ook behoefte aan specifieke op zijn eigen situatie toegesneden informatie. En als hij antwoord krijgt op zijn vaak prangende verzoek om inlichtingen wil hij daar natuurlijk graag op kunnen vertrouwen.’44
De voorlichtende taak van de Belastingdienst dient volgens Gribnau dus mede om het gebrek aan rechtszekerheid via de wet te compenseren. Hij acht voorlichting van belang met het oog op kenbaarheid van het belastingrecht (formele rechtszekerheid) én duidelijkheid over de rechtspositie in het concrete geval van de burger (feitelijke rechtszekerheid).
Bovendien wordt in de fiscale literatuur de voorlichtende taak van de Belastingdienst veelal in verband gebracht met de complexiteit van fiscale wetgeving en de daarmee samenhangende behoefte aan en noodzaak van voorlichting in de vorm van begrijpelijke informatie en dergelijke.45 Hoewel de rechtszekerheid niet steeds met zoveel woorden wordt genoemd, ligt mijns inziens aan dergelijke opvattingen ten grondslag het idee dat de wet zelf burgers onvoldoende rechtszekerheid biedt en voorlichting nodig is voor de (bevordering van) de kenbaarheid van het belastingrecht, dus voortvloeit uit het rechtszekerheidsbeginsel.
Tot slot valt op dat soms, maar zeker niet standaard (paragraaf 4.3), in de fiscale jurisprudentie een relatie wordt gelegd tussen de voorlichtende taak van de Belastingdienst en (aspecten van) rechtszekerheid.46 Uit de beperkte rechtspraak valt af te leiden dat de overheid de plicht heeft het recht kenbaar te maken en dat van de Belastingdienst (actieve) informatieverstrekking mag worden verwacht, maar dat die voorlichtende taak niet onbegrensd is (paragraaf 2.4.2.1). Een voorbeeld biedt de uitspraak van Hof Den Bosch van 14 oktober 2019, waarin het Hof overweegt:
‘dat de eis van rechtszekerheid meebrengt dat de regels waaraan de overheid en de burgers gebonden zijn, kenbaar zijn en – ook in hun gevolgen – duidelijk en ondubbelzinnig zijn. Met het opnemen van de wettelijke tekst op de website is daaraan in dit geval voldaan. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist niet dat de Belastingdienst in hun voorlichtende taak op hun website een uitgebreide toelichting geven van een bijzondere regeling als deze, waarbij alle facetten uitgebreid worden uitgelegd en behandeld. Hieraan doet niet af dat de informatie op de website inmiddels is uitgebreid. Het rechtszekerheidsbeginsel is niet geschonden.’47
De Belastingdienst heeft dus weliswaar een voorlichtende taak, maar het rechtszekerheidsbeginsel brengt niet mee dat een bijzondere regeling tot in detail op de website hoeft te worden uitgelegd. De vraag rijst dan ook hoe ver de voorlichtende taak van de Belastingdienst reikt (paragraaf 2.4).