Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/4.5.3
4.5.3 Adequaatheid van de class advocaat
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS597293:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Klonoff & Bilich 2000, p. 118, 140-5, Bums 1990, p. 165, 180-6, 190-1, 194-6, 202, Macey & Miller 1991, p. 93-4.
In 4.6.3 zal blijken dat empirische onderzoeken dit standpunt in een aantal situaties relativeren.
Tzankova 2005, p. 83-9, 112-6 geeft een uitleg over het begrip `agency costs' en de oorzaak van de dynamiek. Dit onderwerp komt in 4.7 kort aan bod.
Literatuur in vorige noot en voorts Coffee 1983, 1986, 1987. Tzankova 2005 p. 112-21 behandelt een aantal van dergelijke verbetervoorstellen uit de literatuur.
Rule 23 (g) (1) (A).
Rule 23 (g) (2) (B), Rothstein & Willging 2005, p. 4, MCL 2004, p. 278-9.
Rothstein & Willging 2005, p. 4, MCL 2004, p. 279.
Rothstein & Willging 2005, p. 4, MCL 2004, p. 280.
Rothstein & Willging 2005, p. 4, MCL 2004, p. 281, Tzankova 2005, p. 117, waar ze in een ander verband de rol van lead plaintiffs' bespreekt. Tegen dit model worden bezwaren geuit: zie Tzankova 2005, p. 117, noten 411, 412 en voorts Cox & Thomas 2005, Cox, Thomas & Randall 2005, Perino 2006.
Rothstein & Willging 2005, p. 4, MCL 2004, p. 280-1. Deze methode is niet onomstreden, zie Tzankova 2005, p. 118-20, Task Force-rapport 2001, Hooper & Leary 2001.
Zie voor dit zogenaamd `auction-model' en de daartegen geuite bezwaren Tzankova 2005, p. 119-20 en de daar behandelde literatuur. Met name bij de aanpak van strooischade heb ik mij door de twee laatstbehandelde selectiemethoden laten inspireren: Tzankova 2005, p. 120-1, 129-30.
Volledigheidshalve wijs ik nog erop dat in sommige gevallen naast één of meerdere class advocaten een begeleidingscommissie (steering committee) of een liaison counsel kan worden benoemd die vooral met faciliterende taken is belast. Deze blijken vooral nuttig te zijn in multi-district litigation en het gebruik daarvan is spaarzaam wegens de daaraan verbonden kosten. Newberg & Conte 2004, hfd. 9: p. 376-86.
Rule 23 (g) en (h) is ingevoerd met de wetswijziging van december 2003. Beide gaan over de benoeming en de beloning van de class advocaat en kunnen gezien worden als een codificatie van de tot dan toe geldende praktijk. Die zal naar mijn idee van belang blijven ook na de wetswijziging. Zie voor de criteria in het bijzonder Rule 23 (g) (1) (B) en (C), Klonoff & Bilich 2000 p. 145-54, 265, 361-2, Newberg & Conte 2004, hfd. 9: p. 386-92.
Klonoff & Bilich 2000, p. 150-1, Notes and Questions nr.3, Newberg & Conte 2004, hfd. 9, p. 390-2.
Sommige auteurs1 gaan heel ver in hun kritiek op de toets die voor de class vertegenwoordiger wordt aangelegd en menen dat die overboord zou moeten worden gezet, omdat men met het aanleggen van die toets probeert concepten die uit het traditionele één-op-één procesmodel stammen zonder meer naar de class action over te planten. In het traditionele individuele proces staat de cliënt centraal, beslist deze uiteindelijk over de te volgen processtrategie, oefent hij controle uit op zijn advocaat en is de rol van de rechter neutraal.2 Class actions in combinatie met no cure no pay brengen echter een bepaalde dynamiek tot stand die verklaard wordt door rechts-economische inzichten over `agency costs', waardoor dit alles anders wordt.3 Volgens deze - vooral rechtseconomisch georiënteerde - auteurs dienen verbetervoorstellen zich dan ook te richten op de normering van het selectieproces voor en het gedrag en de beloning van de advocaat van de class, omdat laatstgenoemde in werkelijkheid degene is die het class action proces beheerst.4 De introductie van de CAFA en de wetswijziging van december 2003, die bepalingen bevatten betreffende de class advocaat, beogen onder meer een reactie op dergelijke waarschuwingssignalen te geven.
Het is de rechter die steeds de class advocaat in een concreet geval benoemt.5 In de praktijk zijn vijf selectiemodellen bekend volgens welke de keuze voor de class advocaat wordt bepaald: het 'single lawyer' -model,6 zelfregulering,7 rechterlijke benoeming,8 het `empowerd plaintiff-model9 en de `competitive bidding' ofwel het `auction-model’. Ik spreek in het laatstgenoemde geval van het 'openbare aanbesteding smodel.10
Het single lawyer model is het meest eenvoudige. In veel gevallen zal de advocaat die een certificatieverzoek indient en een vooronderzoek in de zaak heeft gedaan, de enige logische keuze zijn, mits hij voldoet aan de hierna te noemen kwaliteitscriteria. In zogenaamde high-profile class actions is het waarschijnlijk dat er meerdere advocaten zullen zijn die als class advocaat willen optreden. Het is niet ongebruikelijk dat ze onderling daarover afspraken maken en het werk verdelen. De rechter mag de samenwerkingsovereenkomst inzien, omdat hij ook over de belangen van de `onbenoemde of afwezige' class leden dient te waken. Dat is een extra waarborg dat geen dubbele of onnodige werkzaamheden worden verricht. Hoewel het de bedoeling is dat de betrokkenen zo veel mogelijk zelf uit de werkverdeling komen, is het uiteindelijk de rechter die de knoop doorhakt als dat niet lukt, met inachtneming van de eerdergenoemde basiscriteria. De afweging van de verschillende voorstellen blijft dan een weinig helder proces, maar er zijn wel objectieve kwaliteitscriteria waaraan getoetst wordt. De rechter kan van de betrokkenen verlangen dat ze `under seal' een schatting doen van hun kosten. Dat kan achteraf nuttig zijn bij de vaststelling van hun beloning en ze worden gestimuleerd om op voorhand over de kosten van de procedure na te denken. Het vierde model wordt bij securities class actions toegepast, waar de wet bepaalt dat de rechter een lead plaintiff aanwijst, bijvoorbeeld institutionele beleggers die grote belangen bij de actie hebben. Deze en niet de rechter kiezen vervolgens de class advocaat. Het laatste model betreft een betrekkelijk nieuwe methode die vergeleken kan worden met openbare aanbesteding.11 In de literatuur wordt aangenomen dat deze methode voordelen zou kunnen bieden in een heel specifieke categorie gevallen, namelijk daar waar de individuele schadevergoedingen naar verwachting substantieel zullen zijn, de uitkomst van de procedure redelijk voorspelbaar is en de class action van toezicht- of handhavingsacties van overheidsorganen profiteert.12
Thans bevat Rule 23 wettelijke (basis)criteria die de rechter bij de benoeming van de class advocaat in acht dient te nemen.13 De criteria betreffen onder meer zijn eerdere ervaring met class actions en zijn professionele kennis en kwaliteiten die bijvoorbeeld uit een 'success record' zouden kunnen blijken. Wat ook relevant kan zijn is het aantal cliënten dat deelneemt aan de actie, de fase waarin een specifiek individueel geval, dat tot een class action wordt omgevormd, zich bevindt of de hoeveelheid onderzoek die reeds is verricht ter voorbereiding van de actie. Het beginsel `wie eerst komt, eerst maalt', speelt daarbij overigens nauwelijks een rol. Wel de logistieke en financiële mogelijkheden: de kosten van een class action worden immers in de regel voorgeschoten door de advocaat van de class. De kosten van het voldoen aan kennisgevingsvoorschriften bijvoorbeeld kunnen gemakkelijk het gemiddelde jaarlijkse inkomen van een `éénpitter' overschrijden. Verweren ten aanzien van de geschiktheid van de class advocaat blijken overigens zelden te worden gehonoreerd.14