Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/4.5.5
4.5.5 Voorkeurstest
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS599600:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Klonoff & Bilich 2000, p. 248-55. De factoren die ik buiten beschouwing laat, hangen samen met het bestaan van de vele statelijke en daarnaast nog de federale jurisdicties, die het lastig maken om aanhangige acties te consolideren. Op het moment dat er een centraal systeem is dat bovendien een gerecht exclusief bevoegd maakt om collectieve acties of individuele acties die deel zouden kunnen uitmaken van een collectieve actie, in behandeling te nemen, spelen deze factoren nog nauwelijks een ronk doel daarbij op de WCAM en de voorstellen in Uitgebalanceerd 2006, p. 120. Zie voor een voorbeeld van een andere indeling dan die van Klonoff & Bilich van relevante factoren, dat bijzonder instructief is Mulheron 2004, p. 226-73. Zij noemt ook factoren die in andere common law jurisdicties een rol spelen, zoals de vraag of een class action kostbaarder zal zijn dan verschillende afzonderlijke procedures of de class leden een in enig opzicht (relatief) achtergestelde maatschappelijke groep zijn.
Klonoff & Bilich 2000, p. 245-8, Mulheron 2004, p. 226-31.
Mulheron 2004, p. 252-7: in het bijzonder een te verwachten reputatieschade reeds als gevolg van een kennisgeving over de actie, mogelijke nadelen in het kader van het voldoen aan disclosure voorschriften en de impact van een mogelijke succesvolle actie op de liquiditeit van de verweerder, maar over de relevantie van dat laatste aspect bestaat geen overeenstemming; zie ook Newberg & Conte 2004, hfd. 4: p. 331.
Klonoff & Bilich 2000, p. 255-60, Mulheron 2004, p. 257-73.
Men denke aan normering van schadevergoedingsbedragen, maar ook aan de aanwezigheid van risicoaansprakelijkheid, geobjectiveerde bewijsleveringsmogelijkheden.
Note Harv.L.Rev. 2004, p. 2668-9, 2678-83.
Bij deze test die het onnodige gebruik van class action dient te voorkomen spelen verschillende factoren een rol. Ik acht vooral twee factoren van belang.1 In de eerste plaats in hoeverre de belangen van de leden van de class een individuelecontrole op de procedure rechtvaardigen. In de literatuur wordt verdedigd dat hoe groter het individuele belang in kwestie is, hoe groter de behoefte voor een benadeelde zal zijn om zelf het proces te beheersen, maar de rechtspraak hierover is niet eenduidig2 totstandkoming van vele individuele schikkingen of de aanhangigheid van vele individuele procedures kan ook een indicatie zijn dat bij de schadelijders grote behoefte is aan individuele procescontrole. Sommigen nemen aan dat class action dan in elk geval een minder geschikte methode is, maar hierbij worden eveneens kanttekeningen geplaatst. Een dergelijke benadering verhoudt zich echter slecht tot doelstellingen van class action als proceseconomie, rechtseenheid en rechtsgelijkheid, en kan voor sommige rechters juist een reden zijn om een class action niet ontvankelijk te verklaren. Sommigen letten erop of class action in vergelijking met andere voorhanden alternatieven de belangen van de verweerders schaadt.3
Een ander belangrijk aspect betreft de vraag of de class action hanteerbaar (manageable) is.4 Dan wordt vaak het verweer gevoerd over de kosten van notice en opt out, maar ook meer algemeen over de hanteerbaarheid van class actions: is er een goed uitgewerkt plan van aanpak, is er een begroting? De vraag is in hoeverre dit aspect een rol mag spelen, omdat complexiteit nu eenmaal inherent is aan massaschade. Daarnaast zijn er manieren om meer structurering aan te brengen, zoals het vormen van subclasses. Dit komt uitgebreider aan bod in 4.8.3. Over het algemeen kan worden gezegd dat materieelrechtelijke normering5 bevorderlijk zal zijn voor de hanteerbaarheid, terwijl de aanwezigheid van veel individueel bepaalde weren, zoals eigen schuld en verjaring daar een negatief effect op zullen hebben.
Tenslotte wijs ik nog op recente voorstellen in de literatuur die reeds in 4.3.1 aan bod kwamen. Die voorstellen strekken ertoe om bij de beoordeling van de ontvankelijkheidsvraag tevens mee te wegen in hoeverre bij andere aanwezige processuele mechanismen rekening kan worden gehouden met de eerder genoemde `investment asymmetries' .6 In feite betreft dit een toetsing aan een nieuw facet van de eerder in 4.4.1 besproken kosten-baten toets. Dit facet zal in de regel echter steeds een argument vóór class action opleveren. Daarom vind ik het juister om het argument dat class actions Investment asymmetries' opheffen in de algemene sleutel van toegang tot het recht te plaatsen.