Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.0:9.0 Introductie
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.0
9.0 Introductie
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977368:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De belangstelling voor de verhouding tussen staat, samenleving, burger en burgerschapsvorming is vanaf de eeuwwisseling aanzienlijk vergroot door het verscherpte maatschappelijke en politieke discours, mede in gang gezet door de schokkende aanslag op 11 september 2001 op de Twin Towers en de moorden op Fortuyn (2002) en Van Gogh (2004). Door de voortgaande economische globalisering, individualisering en achterblijvende integratie van minderheden vindt voortgaande versplintering van de samenleving plaats. Het directe gevolg is de noodzaak tot een versnelde integratie van minderheden en van een algemeen politiek en maatschappelijk gedragen streven om de versterking van nationale binding hoog op de politieke en sociale agenda te krijgen. Het toenemend besef dat het behoud en de ontwikkeling van de democratische rechtsstaat gebaat zijn bij daarop gerichte burgerschapsvorming biedt een begin van een legitimatie daarvan. Dit besef is echter op zichzelf nog niet voldoende specifiek om burgerschapsvorming een vaste plaats in het onderwijs te bieden.
Legitimatie door drie argumentaties
De vraag, welke legitimatie er bestaat voor burgerschapsvorming in de onderwijssectorwetten wordt hierna beantwoord aan de hand van:
normatieve democratietheorieën1,
de pedagogische opdracht van het onderwijs en
(inter)nationale rechtsnormen en -beginselen.
In par. 9.1 worden de normatieve democratietheorieën beschreven. Deze gaan uit van de noodzaak van een politieke socialisatie van (toekomstige) burgers. De nadruk hierin ligt op de verwerving van vaardigheden en houdingen, welke noodzakelijke voorwaarden vormen voor de instandhouding en ontwikkeling van de democratische rechtsstaat. In par. 9.2 komt de legitimatie op grond van de pedagogische opdracht van het onderwijs aan bod. Vervolgens worden in par. 9.3 legitimerende (inter)nationale rechtsnormen en -beginselen besproken.2 Een en ander wordt daarna in par. 9.4 afgesloten met een beschrijving van de legitimatie van burgerschapsvorming in de Wet bevordering actief burgerschap en sociale integratie (2005) en in de kerndoelen en (eindtermen in) examenprogramma's. Hierbij worden ook de grenzen en de reikwijdte van de vrijheid van onderwijs (artikel 23 Gw) en de rechtsstatelijke vereisten beschreven.
In par. 9.5 en 6 staan de onderwijs- en leerdoelen van burgerschapsvorming centraal. Het verwerven van democratische kennis, vaardigheden en minima moralia wordt in par. 9.6 geanalyseerd. De opvoedingsdoelen staan in par. 9.7. Hierna volgen par. 9.8 de onderwijs- en leerdoelen met betrekking tot burgerschapsvorming. In par. 9.9 komt de kennisbasis in een doorlopende leerlijn aan bod, welke de ruggengraat vormt van het leergebied burgerschapsvorming. In par. 9.10 worden de argumenten beschreven voor de invoering van een kennisgebied of vak burgerschap, de invoering van thema’s burgerschap in andere vakken en de invoering van een doelbepaling burgerschap.