Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.1.1
11.1.1 Mensenrechten en uitlevering
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS453382:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitgebreide uiteenzetting omtrent de schending van mensenrechten in het uitleveringsrecht: V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 153-221.
EHRM 7 juli 1989, ECHR, Series A 161 (Soering/Verenigd Koninkrijk; NJ 1990, 158, m.nt. Alkema).
Rozemond spreekt in dit verband zelfs van het Soering-paradigma: N. Rozemond, Begrensd vertrouwen, Mensenrechtenbescherming bij uitlevering en overlevering, Preadvies voor de vergadering van de Christen Juristen Vereniging op 15 mei 2009, Zutphen: Paris 2009.
R.o. 91.
Zie o.m. EHRM 30 oktober 1991, ECHR, Series A 215 (Vilvarajah e.a./Verenigd Koninkrijk; NJ 1995, 743, m.nt. Alkema); EHRM 15 november 1996, 22414/93 (Chahal/Verenigd Koninkrijk; NJ 1997, 301 m.nt. Boon); EHRM 23 februari 2012, 27765/09 (Hirsi Jamaa e.a./Italië; JV 2012, 171 m.nt. Zieck; EHRC 2012, 91 m.nt. Terlouw en Pankratz). Zie ook: V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 158-160.
V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 204.
EHRM 7 juli 1989, ECHR, Series A 161 (Soering/Verenigd Koninkrijk; NJ 1990, 158 m.nt. Alkema), par. 113. Vgl. bijv. EHRM 4 februari 2005, 46827/99 en 46951/99 (Mamatkulov & Askarov/Turkije; NJ 2005, 321 m.nt. Alkema), par. 84-91. Zie ook: V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU). Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 161-164.
EHRM 17 januari 2012, 8139/09 (Othman (Abu Qatada)/Verenigd Koninkrijk; JV 2012, 143 m.nt. Battjes; EHRC 2012, 64 m.nt. Den Heijer), par. 260. Zie ook, nagenoeg gelijkluidend: EHRM 27 oktober 2011, 37075/09 (Ahorugeze/Zweden), par. 115.
EHRM 17 januari 2012, 8139/09 (Othman (Abu Qatada)/Verenigd Koninkrijk; JV 2012, 143 m.nt. Battjes; EHRC 2012, 64 m.nt. Den Heijer), par. 259. Zie ook: V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU). Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 161-164; en R.I. Ivory, ‘The Right to a Fair Trial and International Cooperation in Criminal Matters: Article 6 ECHR and the Recovery of Assets in Grand Corruption Cases’, Utrecht Law Review 2013-4, p. 147-164, 155-156.
EHRM 17 januari 2012, 8139/09 (Othman (Abu Qatada)/Verenigd Koninkrijk; JV 2012, 143 m.nt. Battjes; EHRC 2012, 64 m.nt. Den Heijer).
Glerum merkt m.i. terecht op dat in een dergelijk geval ook sprake is van schending van art. 3 EVRM: V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU). Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 164,voetnoot 710.
Zie bijv. EHRM 12 juli 1988, nr. 10862/84 (Schenk/Zwitserland; NJ 1988, 851 m.nt. Alkema) en EHRM 12 mei 2000, nr. 35394/97 (Khan/Verenigd Koninkrijk; NJ 2002, 180 m.nt. Schalken).
Algemene benadering: Soering
Voor de beoordeling van de mensenrechtelijke situatie na uitlevering vormt artikel 1 EVRM het cruciale aanknopingspunt: ‘The High Contracting Parties shall secure to everyone within their jurisdiction the rights and freedoms defined in Section I of this Convention.’ Hoewel deze bepaling territoriaal wordt uitgelegd, kan op een verdragsstaat toch de verplichting rusten om de mensenrechten te garanderen in geval van voorgenomen uitlevering van een persoon die zich op het grondgebied van die verdragsstaat bevindt, ook al gaat het om mogelijke schending van zijn mensenrechten buiten het grondgebied van de aangezochte staat.1 Deze ‘vooruitgeschoven’ verantwoordelijkheid voor de naleving van de in het EVRM gegarandeerde mensenrechten werd voor het eerst aangenomen voor een mogelijke schending van artikel 3 EVRM. Het arrest van het EHRM waarin deze baanbrekende stap werd gezet, Soering/Verenigd Koninkrijk,2verdient nadere bespreking.3 Het gaat niet te ver om te stellen dat dit arrest de mogelijkheid om uit te gaan van vertrouwen in de andere staat heeft beperkt; de mensenrechtelijke verantwoordelijkheid die elke EVRM-staat heeft verplicht onder omstandigheden tot toetsing en eventueel weigering van de uitlevering (of andere vorm van samenwerking).
In het arrest-Soering ging het om de door de Verenigde Staten verzochte uitlevering van Jens Soering, een Duitse staatsburger, die werd verdacht van een tweevoudige moord, in de Verenigde Staten gepleegd. Soering was nadien naar het Verenigd Koninkrijk gereisd, alwaar hij was aangehouden. De Verenigde Staten verzocht zijn uitlevering, maar vanwege zijn nationaliteit verzocht vervolgens ook Duitsland de uitlevering van Soering. Het Verenigd Koninkrijk was evenwel voornemens Soering aan de Verenigde Staten uit te leveren. Omdat aan Soering de doodstraf zou kunnen worden opgelegd, verzochten de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk garanties aan de Amerikaanse autoriteiten dat Soering niet zou worden blootgesteld aan de doodstraf. Die garanties kwamen er, in die zin dat aan de ‘sentencing judge’ – kort gezegd – de wens van het Verenigd Koninkrijk zou worden overgebracht dat de doodstraf niet zou worden opgelegd of ten uitvoer gelegd. Tegen het oordeel van de Engelse autoriteiten dat die garantie toereikend was, kwam Soering in rechte op. Eerste benutte hij diverse nationaalrechtelijke procedures, waarna hij uiteindelijk klaagde bij het EHRM. Dat komt tot de (destijds) baanbrekende (tussen)conclusie dat ook op de aangezochte staat de verantwoordelijkheid rust om een dreigende schending van artikel 3 EVRM na uitlevering te voorkomen:
‘In sum, the decision by a Contracting State to extradite a fugitive may give rise to an issue under Article 3 (art. 3), and hence engage the responsibility of that State under the Convention, where substantial grounds have been shown for believing that the person concerned, if extradited, faces a real risk of being subjected to torture or to inhuman or degrading treatment or punishment in the requesting country. The establishment of such responsibility inevitably involves an assessment of conditions in the requesting country against the standards of Article 3 (art. 3) of the Convention. Nonetheless, there is no question of adjudicating on or establishing the responsibility of the receiving country, whether under general international law, under the Convention or otherwise. In so far as any liability under the Convention is or may be incurred, it is liability incurred by the extraditing Contracting State by reason of its having taken action which has as a direct consequence the exposure of an individual to proscribed illtreatment.’4
Uit deze overweging blijkt dat het niet zozeer de doodstraf als zodanig was die in casu problematisch was vanuit de optiek van het EHRM, als wel het ‘death row phenomenon’: de wijze waarop de doodstraf wordt opgelegd of ten uitvoer gelegd, de omstandigheden waarin de veroordeelde zich vervolgens bevindt, het disproportionele karakter van de straf ten opzichte van het strafbare feit en de detentieomstandigheden in afwachting van de voltrekking van de doodstraf kunnen tot schending van artikel 3 EVRM leiden. In het geval van Soering komt het hof tot de conclusie dat daarvan sprake was. Mede gelet op het alternatief dat voorhanden was (uitlevering aan Duitsland), komt het hof tot het oordeel dat de beslissing van de Engelse autoriteiten om Soering aan de Verenigde Staten uit te leveren, indien uitgevoerd, artikel 3 EVRM zou schenden.
Substantial grounds, real risk
Het criterium waaraan dient te worden getoetst is of ‘substantial grounds have been shown’ dat de opgeëiste persoon ‘faces a real risk’ om te worden blootgesteld aan een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling na uitlevering. Het gaat alleen om de voorzienbare gevolgen van uitlevering en het is in beginsel aan de opgeëiste persoon om die substantial grounds aan te tonen. Het EHRM heeft deze jurisprudentielijn inmiddels verscheidene malen herhaald en bestempelt haar zelf als vaste lijn in zijn jurisprudentie aangaande uitlevering en, vreemdelingrechtelijk van aard maar in dit opzicht vergelijkbaar, uitzetting.5
Artikel 3 en 6 EVRM
De systematiek van het EVRM brengt mee dat de verplichting ex artikel 1 EVRM in beginsel voor alle bepalingen geldt en dus ook voor alle bepalingen betekenis kan hebben bij een op handen zijnde uitlevering. De verschillende in het EVRM gegarandeerde mensenrechten hebben echter wel elk een eigen karakter hetgeen meebrengt dat de beoordeling kan verschillen. Het meest op artikel 3 EVRM lijkt misschien nog het verbod op de doodstraf.6 Ook een real risk dat na uitlevering de doodstraf zal worden opgelegd of ten uitvoer gelegd, staat via artikel 1 EVRM aan uitlevering in de weg.7 Onder bijzondere omstandigheden geldt dat ook voor schending van artikel 6 EVRM. Niet elke schending van het recht op een eerlijk proces staat evenwel aan uitlevering in de weg; het dient te gaan om een flagrante schending. Zulks overwoog het EHRM reeds in het hiervoor besproken Soering-arrest:
‘The Court does not exclude that an issue might exceptionally be raised under Article 6 (…) by an extradition decision in circumstances where the fugitive has suffered or risks suffering a flagrant denial of a fair trial in the requesting country.’8
Het gaat om een stringent criterium, waaraan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden zal zijn voldaan, zoals blijkt uit de overwegingen van het EHRM in de zaak-Othman:
‘It is noteworthy that, in the twentytwo years since the Soering judgment, the Court has never found that an expulsion would be in violation of Article 6. This fact, when taken with the examples given in the preceding paragraph [zie hierna, TK], serves to underline the Court’s view that “flagrant denial of justice” is a stringent test of unfairness. A flagrant denial of justice goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial procedures such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State itself. What is required is a breach of the principles of fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article.’9
In hetzelfde arrest geeft het EHRM (in de aan het citaat voorafgaande paragraaf) een aantal in eerdere rechtspraak geïndiceerde gevallen op waarin sprake kan zijn van een ‘flagrant denial of justice’:
conviction in absentia with no possibility subsequently to obtain a fresh determination of the merits of the charge (...);
a trial which is summary in nature and conducted with a total disregard for the rights of the defence (…);
detention without any access to an independent and impartial tribunal to have the legality the detention reviewed (...);
deliberate and systematic refusal of access to a lawyer, especially for an individual detained in a foreign country (...).’10
In de zaak-Othman kwam het EHRM uiteindelijk voor het eerst tot de conclusie dat uitlevering, in die zaak aan Jordanië, in strijd zou komen met artikel 6 EVRM en wel vanwege het risico dat door foltering verkregen bewijs zou worden gebruikt in de strafzaak tegen Othman.11
Andere artikelen van het EVRM
Ook flagrante schendingen van artikel 4 en 5 EVRM, het verbod op slavernij en het verbod op willekeurige vrijheidsbeneming, kunnen aan uitlevering in de weg staan. Bij een real risk dat de opgeëiste persoon na uitlevering aan slavernij zal worden onderworpen, zal dit zonder enige twijfel vrijwel automatisch tot weigering van het uitleveringsverzoek moeten leiden.12 Bij een mogelijke schending van artikel 5 EVRM zal evenwel meer aan de hand moeten zijn dan de mogelijkheid van enige schending van het verbod op willekeurige vrijheidsbeneming. Slechts in geval van een flagrante schending van artikel 5 EVRM staat de op de aangezochte staat rustende verplichting ex artikel 1 EVRM in de weg aan uitlevering. Een schending van artikel 8 EVRM lijkt de facto niet aan uitlevering in de weg te staan. Dit hangt samen met de bestendige rechtspraak van het EHRM dat het gebruik van bewijsmateriaal verkregen als gevolg van een schending van artikel 8 EVRM niet automatisch tot schending van artikel 6 EVRM leidt.13 Artikel 8 EVRM is in dat verband minder absoluut dan bijvoorbeeld artikel 3 EVRM en ook artikel 6 EVRM. Een geval waarin enkel een flagrante schending van artikel 8 EVRM zonder dat tevens sprake is van bijvoorbeeld een flagrante schending van artikel 6 EVRM aan uitlevering in de weg behoort te staan, laat zich niet eenvoudig denken.
Consequentie voor het vertrouwen(sbeginsel)
Indien mensenrechtelijke verplichtingen in de weg behoren te staan aan strafrechtelijke samenwerking, is doorgaans sprake van een conflicten tussen het EVRM en het rechtshulpverdrag. Waar dat laatste een uitgangspunt van vertrouwen oplevert, levert het eerste een plicht tot wantrouwen op. Resultaat kan zijn dat het wantrouwen de overhand neemt en de samenwerking niet tot stand kan komen.