Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.3:11.3 De mensenrechtelijke beoordeling en dimensies van het vertrouwensbeginsel
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.3
11.3 De mensenrechtelijke beoordeling en dimensies van het vertrouwensbeginsel
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS454594:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het in paragraaf 11.2 besprokene kan worden geconcludeerd dat bij de overdracht van een persoon aan een andere staat (uitlevering en vergelijkbare situaties) en bij de overname van een veroordeling uit het buitenland (overdracht van executie en vergelijkbare situaties) de territoriale jurisdictie op grond van artikel 1 EVRM ruim wordt uitgelegd. Een schending vindt ook plaats bij het mogelijk maken (door uit te leveren) of overnemen (bij overname van een vonnis) van een in een ander land dreigende of begane schending van de mensenrechten. Bij het gebruik van bewijsmateriaal afkomstig uit een andere staat (kleine rechtshulp, overdracht van strafvervolging of vergelijkbare situaties) is dat ook het geval. Wanneer de verzoekende staat (mede) verantwoordelijkheid draagt voor de opsporingshandelingen op het grondgebied van de andere staat is zelfs sprake van een vorm van extraterritoriale jurisdictie op grond van artikel 1 EVRM. Omgekeerd kan echter worden vastgesteld dat een verdragsstaat in geval van interstatelijke samenwerking in strafzaken niet in alle gevallen verantwoordelijk is voor schendingen van het EVRM en voorts dat niet aan elke (mogelijke) schending gevolgen hoeven te worden verbonden. Deze begrenzingen vinden hun oorsprong in de vraag of de samenwerking plaatsvindt met een andere EVRM-staat of met een derde staat, in de rol die garanties aangaande de naleving van mensenrechtelijke verplichtingen spelen en in het karakter van de mensenrechtelijke bepaling die in het geding is. Deze begrenzingen van de verantwoordelijkheid van verdragspartijen leveren relevante inzichten op aangaande het vertrouwensbeginsel. Daarbij is het verhelderend deze begrenzingen te benaderen vanuit de eerder geformuleerde en uitgewerkte dimensies van het vertrouwensbeginsel. Het gaat, ter herinnering, om de volgende dimensies:
de functie van het vertrouwen, dus de rol die het vertrouwen speelt en de reden waarom van vertrouwen moet worden uitgegaan: principieel, praktisch, ordenend;
de juridische grondslag van het vertrouwen, dus waarop is het vertrouwen gebaseerd: verdragen;
de chronologie van het vertrouwen, dus vertrouwen betreffende een gebeurtenis in het verleden of aangaande een toekomstige gebeurtenis: retrospectief en prospectief;
het object van het vertrouwen, dus hetgeen waarin men vertrouwen heeft: gedragingen, beweringen, verplichtingen;
de verwachting bij het vertrouwen, dus de prestatie die men van de andere staat verwacht: inspanning en resultaat;
de ratio van het voorschrift dat in het geding is, dus het rechtsgoed of rechtsbelang dat dat voorschrift beoogt te beschermen;
de betrokken staat; en
de invloed van mensenrechtelijke normen.
11.3.1 Samenwerking met een andere EVRM-staat of met een derde staat11.3.2 Garanties aangaande de naleving van mensenrechtelijke verplichtingen11.3.3 Het karakter van de mensenrechtelijke bepaling die in het geding is