Regres bij concernfinanciering
Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/5.5.5:5.5.5 Cessie
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/5.5.5
5.5.5 Cessie
Documentgegevens:
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS592116:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:94 lid 3 BW. HR 30 januari 1987, NJ 1987/530 (WUH/Onex); HR 25 maart 1988, NJ 1989/200 (Staal/Ambags).
Van Sonsbeeck, FIP 2018/124, § 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het bij voorbaat cederen van een toekomstige regresvordering (art. 3:97 jo art. 3:94 BW), kent soortgelijke problematiek als bij het vestigen van een pandrecht op een toekomstige regresvordering. Voor de openbare cessie geldt dat de debiteur cessus, ten laste van wie de vordering kan worden verhaald, bekend dient te zijn. Indien dit niet het geval is kan alleen de stille cessie worden gebruikt. Gelijk aan een stille verpanding geldt ook hier dat de te cederen vordering rechtstreeks moet worden verkregen uit een reeds bestaande rechtsverhouding.1 Daarnaast moet de vordering in voldoende mate worden bepaald in de akte van cessie. Het bij voorbaat cederen van een toekomstige vordering gebeurt onder opschortende voorwaarde van beschikkingsbevoegdheid van de cedent. Indien de toekomstige (regres)vordering gecedeerd is en de cedent failliet gaat voor het ontstaan van de regresvordering dan heeft de cessie in verband met het fixatiebeginsel geen werking tegen de boedel. Het bij voorbaat cederen van een (contractuele) voorwaardelijke regresvordering stuit niet op de bovengenoemde belemmering.2