Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.3.4.3
II.3.4.3 Grondslag voor functioneel plegerschap
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460233:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht onder meer Sikkema 2010, par. 3.3; De Valk 2009, par. 6.2.1.; Gritter 2007a; Hornman 2016a, p. 25-32.
Weer anderen brengen functioneel daderschap in verband met oneigenlijke omissiedelicten; zie bijv. Gritter 2007a, par. 1.3.5.
Dit onderscheid werd reeds gemaakt door Röling in diens annotatie onder het IJzerdraad-arrest, HR 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3, NJ 1954/378, m.nt. Röling.
Al stellen sommige auteurs – op basis van het Binnentanker-arrest – dat ook de gezichtspunten uit het Drijfmest-arrest een rol kunnen spelen bij de toerekening aan natuurlijke personen. HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2918 (concl. A-G Machielse), NJ 2005/434; JM 2006/32, m.nt. Koopmans; JIN 2005/282, m.nt. Kessler (Binnentanker); Kessler 2007, p. 211-213; Van Elst 2006, p. 433, gevonden in De Valk 2009, p. 407.
Zie o.a. Hornman 2016a, par. II. 2.1 en II.2.2; De Valk 2009, par. 6.2.1. en 6.2.2; Sikkema 2010, par. 3.2; en De Hullu 2018, p. 158-162 met verwijzingen. Van Woensel wijst erop dat de gewilde spierbeweging vooral in de literatuur een centrale plek heeft gekregen, maar dat dit minder evident was voor de wetgever. Van Woensel 1993, hoofdstuk II.
De Hullu 2018, p. 161, Sikkema 2010, par. 3.2.
Sikkema 2010, par. 2.1, onder verwijzing naar Roef & De Roos 1998, p. 58-63.
Dit voorbeeld is afkomstig van het klassieke Tribune-arrest. HR 13 maart 1933, ECLI:NL:HR:1933:177, NJ 1933, p.1385, m.nt. Pompe. Zelfs in deze periode was al discussie over hoe fysiek de delictsgedraging geïnterpreteerd moest worden. Zo meende de A-G dat de ondergeschikten die de machines bedienen niét drukken in de zin van artikel 419 Sr, terwijl het hof juist meende dat men om te bepalen wat drukken inhoudt ‘moet beginnen van onder af ’ dus bij de ondergeschikten – ook al zijn deze op zichzelf niet strafbaar.
HR 22 juli 1947, ECLI:NL:HR:1947:144, NJ 1947/469, m.nt. Pompe, gevonden in Hornman 2016a, p. 27; Wolswijk 2001.
Zie hieromtrent ook Knigge 1992, par. 2-4, die de functionele pleger ‘gewoon een pleger’ noemt, en het verrichten van de delictsgedraging omschrijft als een complex van doen en laten.
Zie ook HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9326 (concl. A-G Vegter), NJ 2010/23. Het hof spreekt de verdachte vrij van het plegen van artikel 10.2 lid 1 Wm, omdat de verdachte niet zelf een handeling heeft verricht die is gericht op het zich ontdoen van afval. De Hoge Raad vernietigt, omdat het hof de delictsgedraging te beperkt (lees: fysiek) heeft uitgelegd.
Gritter 2007a, m.n. par. 1.3.
Deze gedraging is verboden op grond van art. 20 lid 1 Wgb juncto artikel 28 Verordening (EG) 1107/2009.
Aldus ook Gritter 2007a, p. 22-25.
De Hullu 2018, p. 168-169; Sikkema 2010, par. 3.5. Zie hieromtrent ook verderop onder par. II.3.4.5.
Van Woensel 1993, p. 172; Hornman 2016a, p. 31.
De Hullu 2018, p. 168.
Zie Rb. Oost-Brabant 16 september 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5111; en Conclusie A-G 24 mei 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT2918 (Binnentanker); Verder merkt A-G Vegter nog op in de zaak van HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9326, NJ 2010/23, Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI9326, dat de aangesproken eigenaar die toestond dat er afvalstoffen gestort werden, kon beschikken over de gedraging in strijd met artikel 10.2 lid 1 Wm en deze gedraging ook aanvaard heeft.
Dit verschijnsel doet zich ook voor buiten het milieustrafrecht. De Hullu merkt op dat het functionele daderschap zelden expliciet aan de orde komt, en als het gebeurt dat de criteria niet met zoveel woorden worden toegepast. De Hullu 2018, p. 168.
Het verweer zag daarom niet op de toerekening van de verboden gedraging aan de eigenaar, maar op het vervullen van het kwalitatieve bestanddeel: de eigenaar betoogde (zonder succes) dat niet hij, maar (slechts) de exploitant van het tankstation vergunninghouder en dus normadressaat is. HR 4 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6171, conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2003:AL6171, JM 2004/119, m.nt. Koopmans (Tankstation). De Hoge Raad oordeelde dat het vergunningsvoorschrift zich ook richtte tot de eigenaar, en dat deze daarom als (functioneel) pleger aangemerkt kon worden.
Door een leidinggevende (die wordt aangesproken voor het overtreden van artikelen 173a en 173b Sr in verband met asbestwerkzaamheden) werd niet weersproken dat hem de gedraging zou kunnen worden toegerekend, maar in zijn verweer richtte hij zich op de vraag of er wel sprake is van het ‘in de bodem of lucht brengen’ van asbest. Rb. Limburg 29 januari 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:764, NJFS 2016/74. Een vergelijkbare kwestie deed zich voor in HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:233, M&R 2020/34 m.nt. Velthuis, waarin de eigenaar van een afhaalrestaurant een aggregaat bij ingang van restaurant plaatst, waardoor koolmonoxide vrijkomt en zich verspreidt in restaurant en bovengelegen woningen; ook in deze rechtszaak liep de 173a Sr-aansprakelijkheid erop vast dat er geen sprake is van verontreiniging van ‘buitenlucht’. Verder probeert de leidinggevende in Rb. Oost-Brabant 23 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4153, M&R 2014/140, m.nt. Van Ham plegerschap te ontlopen met een verweer ten aanzien van zijn normadressaatschap.
Zie in deze zin bijvoorbeeld de conclusie van A-G Vegter PHR 15 december 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI9326, nr. 11; “Het hof gaat kennelijk uit van een fysiek handelingsbegrip. In de ogen van het hof heeft verdachte zelf niets gedaan. Het hof spitst het nog wat verder toe door te overwegen dat een verdachte zich van een afvalstof ontdoet als hij bijvoorbeeld (naar ik begrijp: zelf ) onderwerkt. Daarbij gaat het hof mijns inziens voorbij aan een ruimer strafrechtelijk handelingsbegrip dat zich juist voor het economisch verkeer heeft ontwikkeld.” De Hoge Raad gaat daarin mee: HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9326 (concl. A-G Vegter), NJ 2010/23.
Zie voor een toelichting van deze begrippen par. II.2.3 en 2.7.
Zo blijft in Rb. Oost-Brabant 23 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4153, M&R 2014/140, m.nt. Van Ham in het midden of de leidinggevende hetgeen ten laste gelegde onder 1, 4, 5 en 6 eigenhandig of door tussenkomst van ondergeschikten heeft gepleegd.
Twee benaderingen
Over de grondslag van functioneel plegen kan verschillend worden gedacht.1 Er zijn in ieder geval twee benaderingen te onderscheiden:2 functioneel plegerschap via toerekening en functioneel plegerschap via delictsinterpretatie.3 Hoewel de benaderingen gepaard gaan met verschillende criteria en rechtvaardigingen voor het functionele plegerschap, sluiten de benaderingen elkaar niet uit en hebben ze, zoals ik hierna zal toelichten, complementaire functies. Dit proefschrift is niet de plek om te beslechten hoe de balans getrokken moet worden of welke benadering dogmatisch gezien de juiste is. Maar om de kenmerken van en de criteria voor functioneel plegerschap op een heldere manier uit te leggen en de toepassing ervan in het milieustrafrecht te begrijpen, is enige kennis van deze twee benaderingen onmisbaar.
De eerste grondslag is vermoedelijk de meest bekende: toerekening van een verboden gedraging aan de functionele pleger op basis van de hierna te bespreken IJzerdraad-criteria. Bij deze lezing van functioneel plegerschap gaat het niet om de vraag of het eigen gedrag van de functionele pleger beantwoordt aan de delictsomschrijving, maar of de verboden gedraging van een ander aan hem kan worden toegerekend omdat hij de gedraging heeft toegelaten of zelfs heeft bewerkstelligd. Voor de toerekening geldt steeds een vaste formule; de verdachte had beschikkingsmacht over de verboden gedraging en heeft deze gedraging ook aanvaard.4 De vaststelling van het functionele plegerschap verloopt indirect; de macht en wil van de functionele pleger met betrekking tot de fysieke verrichtingen van een ander rechtvaardigen de toerekening van de gedraging, en dit vormt de basis van het daderschap van de functionele pleger.
In de tweede plaats zou functioneel plegerschap kunnen worden begrepen als een gevolg van delictsinterpretatie. In het strafrecht ging men aanvankelijk uit van een fysiek handelingsbegrip; een strafbaar feit kon worden gepleegd door middel van een ‘gewilde spierbeweging’.5 De fysieke handelingsleer bleek op den duur niet meer aan te sluiten op de maatschappelijke realiteit waarin grotere verbanden en organisaties een belangrijke rol spelen.6 Door schaalvergroting en de opkomst van complexe organisaties hebben strafbare feiten een collectiever karakter gekregen, en is het vaak niet meer mogelijk om een normschending te herleiden tot individueel handelen.7 Als gevolg werden verboden gedragingen minder fysiek geïnterpreteerd; ook het bewerkstelligen van de delictsgedraging werd onder het verbod geschaard. Bijvoorbeeld, de directeur van een drukkerij kan een ‘geschrift drukken’ in de zin van artikel 419 Sr, zonder in de buurt te komen van de drukpers.8 Pompe heeft dit proces in een annotatie omschreven als ‘de vergeestelijking van het handelingsbegrip’.9 Hierbij wordt het functioneel plegerschap niet gebaseerd op de aanvaarding en macht van de verdachte ten aanzien van de verboden gedraging, maar wordt de functionele pleger geacht zélf de verboden gedraging te hebben verricht. Een toerekeningsformule is dan niet nodig, omdat het eigen handelen en/of nalaten reeds beantwoordt aan de (functioneel geïnterpreteerde) delictsgedraging.
Terzijde merk ik op dat er een vloeiende overgang bestaat tussen fysiek plegen en functioneel plegen door middel van delictsinterpretatie. De delictsgedraging kan zelf al zo ruim geformuleerd zijn, dat ook niet-fysieke handelingen eronder vallen.10 Bijvoorbeeld, het ‘zich ontdoen van afvalstoffen’ (art. 10.2 Wm) wordt in normaal spraakgebruik niet alleen begrepen als het eigenhandig verwijderen van afval, maar ook het bewerkstelligen dat afval wordt verwijderd.11 Dit kan leiden tot de conclusie dat er geen vergeestelijking van het delict nodig is, omdat men onder de handeling ook het bewerkstelligen van de handeling via een ander verstaat, maar evengoed kan worden beargumenteerd dat dit resultaat is bereikt door middel van functionele interpretatie.
Wat is nou het verschil tussen deze twee sporen? Er wordt wel op gewezen dat de toerekeningsformule gelijkelijk op alle (fysieke) delicten kan worden toegepast, dus dat het een delictsonafhankelijke methodiek is. Verder zouden bij de functionele interpretatie geen aanvullende voorwaarden (beschikken en aanvaarden) gelden ten aanzien van de delictsgedraging.12 Deze verschillen verdienen mijns inziens nuancering.
Allereerst is het te kort door de bocht om te stellen dat de IJzerdraad-formule een delictsonafhankelijke methodiek is. Zoals uit de bespreking in paragraaf II.3.3.4 zal blijken, verschilt per delict welke soort en hoeveel zeggenschap nodig is om te voldoen aan het beschikkingsmachtcriterium. Hetzelfde geldt voor de aanvaarding; de zorgplicht die wordt geconstrueerd in het kader van het aanvaardingscriterium, is zoals gezegd nauw verbonden met de aard van het strafbare feit. Ter invulling van het aanvaardingsvereiste wordt immers een op de situatie en aard van het delict toegesneden zorgplicht geconstrueerd. Oftewel, ook bij gebruik van de IJzerdraad-criteria ontkomt men niet aan delictsinterpretatie.
Andersom kunnen de IJzerdraad-criteria ook van waarde zijn in het kader van delictsinterpretatie. Inderdaad, sommige delicten lenen zich erg goed voor een functionele interpretatie, omdat de betreffende verboden gedraging in normaal spraakgebruik reeds een niet-fysieke betekenis heeft. Bijvoorbeeld, het ‘op de markt brengen van een verboden gewasbeschermingsmiddel’ heeft al lang geen fysieke connotatie meer.13 Bovendien doet het er bij sommige delicten niet toe wie de fysieke handelingen verricht (of nalaat) die leiden tot een strafbaar feit, zoals bij omissiedelicten, zorgplichtbepalingen en verboden toestand-delicten. Bij dergelijke delicten ligt een functionele interpretatie voor de hand en is er geen toerekeningsformule nodig om vast te stellen dat de objectieve zijde van het delict vervuld is door de pleger,14 al kan de toerekeningsformule de functionele interpretatie van een delict kleuren en structuur geven aan de redenering.15 Maar bij delictsgedragingen met een fysiekere strekking, bijvoorbeeld mishandeling (art. 300 Sr) is bij het vaststellen van functioneel plegerschap de toerekeningsformule mijns inziens geen luxe maar een noodzaak. De verruimde IJzerdraad-criteria waarborgen dat het verband tussen de functionele pleger en de verboden gedraging sterk genoeg is, en het voorkomt dat de vergeestelijking van de gedraging doorschiet in verdamping.16
Met De Hullu meen ik daarom dat er geen scherp onderscheid kan worden gemaakt tussen de twee sporen voor functioneel plegerschap: toerekening op grond van de IJzerdraadcriteria en delictsinterpretatie.17 Naar mijn idee kunnen, of beter misschien, moeten de twee methodieken naast elkaar bestaan. We kunnen niet zonder toerekening, want dan zou er wel een heel groot gat kunnen ontstaan tussen delictsgedragingen met een fysieke strekking en het handelen van de functionele pleger. Andersom kunnen we niet zonder functionele interpretatie, want bij delictsgedragingen met een functionele strekking wordt het wel heel omslachtig (en is het niet altijd mogelijk) om een fysieke pleger aan te wijzen wiens gedragingen kunnen worden toegerekend aan de functionele pleger. In veel gevallen zullen beide sporen kunnen leiden tot functioneel plegerschap, en soms ligt het ene pad meer voor de hand dan het andere. Maar linksom of rechtsom, uiteindelijk is het belangrijker dat de motivering voor het functionele plegerschap recht doet aan de aard van het delict, de betrokkenheid van de verdachte en de bijzondere omstandigheden van het geval, dan het label dat gekozen wordt voor het functionele plegerschap.
Uit het voorgaande volgt dus niet alleen dat het onderscheid tussen fysiek en functioneel plegerschap niet haarscherp is, maar ook dat er een vloeiende overgang bestaat tussen delictsinterpretatie en toerekening. Ik maak in dit proefschrift het onderscheid om te verhelderen welke sporen er bestaan naar het plegerschap, en wat er bij elke route komt kijken. Hierdoor kan de relevante jurisprudentie in het juiste licht worden uitgelegd, en kunnen aanbevelingen worden gedaan met oog voor de verschillende opvattingen die bestaan omtrent functioneel plegerschap.
Grondslag in de bestudeerde jurisprudentie
Er zijn dus twee grondslagen voor functioneel daderschap die min of meer naast elkaar staan. Om beter te begrijpen via welke route het plegerschap van leidinggevenden wordt vastgesteld in het milieustrafrecht, en welke overwegingen daarbij een rol kunnen spelen, schets ik hierna kort voor welke grondslag gekozen is in de geselecteerde jurisprudentie.
Hoewel de IJzerdraad-formule de bekendste aanvliegroute is voor functioneel plegerschap, heb ik slechts twee rechtszaken kunnen vinden waarin door de verdediging expliciet een beroep wordt gedaan op de criteria uit het IJzerdraad-arrest.18 Verder zijn de IJzerdraad-criteria in alle bestudeerde uitspraken opvallend afwezig in de overwegingen van de rechter.19 Het zou natuurlijk kunnen dat de IJzerdraad-criteria in de rechtszaken niet aan bod zijn gekomen om de simpele reden dat de toerekening van de verboden gedraging niet ter discussie is gesteld:
In de zaak van de Hoge Raad van 4 november 2003 stond bijvoorbeeld buiten kijf dat de verdachte de delictsgedraging had verricht. In deze zaak had de eigenaar van een tankstation opdracht gegeven tot het verrichten van een verboden gedraging, namelijk het in strijd met de vergunningsvoorschriften aanleggen van een noodinstallatie.20 Zo zijn er nog andere voorbeelden.21
Maar de afwezigheid van de toerekeningsformule in de geselecteerde jurisprudentie kan mijns inziens worden begrepen als een aanwijzing dat in het milieustrafrecht het (functionele) plegerschap van natuurlijke personen – waar deze aansprakelijkheidsfiguur al wordt toegepast – in de regel wordt vastgesteld via (functionele /c.q. vergeestelijkte) delictsinterpretatie. Dit past ook bij het karakter van WED-delicten, die met het oog op de economische realiteit zich kenmerken door een ruimer strafrechtelijk handelingsbegrip.22 Niet voor niets zijn er veel verboden toestand-delicten en (oneigenlijke) omissiedelicten in het economische strafrecht, waartoe het milieustrafrecht wordt gerekend.23 In de bestudeerde zaken gaan de rechters er (impliciet) vanuit dat het eigen handelen van de leidinggevende reeds beantwoordt aan de delictsgedraging.24 Oftewel, in het milieustrafrecht is het voor het vaststellen van het functionele plegerschap van de leidinggevenden niet altijd nodig om gedragingen van ondergeschikten via de IJzerdraad-criteria toe te rekenen; er kan ook rechtstreeks worden vastgesteld dat de gedraging van de leidinggevende beantwoordt aan de delictsomschrijving.