Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.6.1
2.6.1 Niet verder bekend maken dan gevorderd wordt (of nodig is)
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285470:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
O.a.: VV, Kamerstukken II 1902/03, 186, nr. 4, blz. 6. Vergelijk: de memorie van toelichting waarin staat dat niets onbeproefd is gelaten om stipte geheimhouding van de aanslagen te verzekeren (MvT, Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 3, blz. 10). Zie hiervoor uitgebreider de hiervoor in par. 2 behandelde doelstellingen van de geheimhoudingsbepaling.
Art. 32 Wet VB 1892 creëerde de bevoegdheid voor de inspecteur om zijn advies op het beroepschrift toe te lichten met stukken waaromtrent hem geheimhouding was opgelegd. Deze bepaling werd bij koninklijk besluit van 5 september 1918, Stb. 1918, 542 vernummerd naar art. 28 Wet VB 1892. Vergelijk: Adriani 1931, blz. 174 die de bepaling (gedeeltelijk) vrij nutteloos achtte.
Art. 32 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 2 en vernummerd naar art. 28 bij Gewijzigd ontwerp van wet, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 8. Voor een waarneming ter plaatse, waar toestemming van de kantonrechter benodigd was, werd in de Wet op de BB 1893 niets separaat geregeld (art. 44 Wet op de BB 1893. Kennelijk viel de kantonrechter dan weer onder de hoofdregel van art. 35 Wet op de BB 1893).
Respectievelijk art. 36, derde lid, Wet PB 1950 en art. 56, derde lid, SW 1956. Ook in art. 27 Ontwerp van wet (Wet BHD 1916), Kamerstukken II 1915/16, 209, nr. 2 (ingetrokken bij ongedateerde brief, Kamerstukken II 1918/19, 82, nr. 1) kwam deze bepaling voor.
Vide o.a.: de Instructie Inkomstenbelasting 1914, de Instructie Oorlogswinstbelasting 1916, de Instructie Verdedigingsbelasting II, de Instructie Dividendbelasting (1918), de Instructie Tabakswet (1921), de Leidraad VPB en VB (1942) of de Leidraad Successiewet 1956.
Zie hierna par. 6.3.
De formulering “verder bekend te maken dan noodig is” kwam overigens in art. 29 Ontwerp van wet (Heffing van een debietrecht op tabak), Kamerstukken II 1910/11, 217,nr. 2 en art. 113 Ontwerp van wet (Wet IB 1908), Kamerstukken II 1906/07, 98, nr. 2 al voor. Beide wetsvoorstellen werden ingetrokken. De formulering “verder bekend te maken (…) dan gevorderd wordt” kwam alleen in art. 94 SW 1859 en art. 17 RW 1917 nog terug.
MvT, Kamerstukken II 1910/11, 217, nr. 3, blz. 10.
Art. 29 Ontwerp van wet (heffing van een debietrecht op tabak), Kamerstukken II 1910/11, 217, nr. 2. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 17 september 1913, Kamerstukken II 1913/14, 16, nr. 16. Vergelijk: art. 35 Wet op de BB 1893.
Vergelijk: art. 102 Wet IB 1914 en art. 113 Ontwerp van wet (Wet IB 1908), Kamerstukken II 1906/07, 98, nr. 2 (het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 10 maart 1908, Kamerstukken II 1907/08, 22, nr. 22).
De strikte geheimhouding was bij de invoering van de Wet VB 1892 een beslissende factor bij de totstandkoming van de wet.1 Dat de geheimhoudingsbepaling van de Wet VB 1892 bijzonder strikt moest worden geïnterpreteerd blijkt ook wel uit het feit dat in de wet zelf concreet werd benoemd in welke gevallen de uitoefening van het ambt de bekenmaking vorderde.2 Zo werd bijvoorbeeld in de wet zelf een specifieke ontheffing opgenomen voor de inspecteur om inhoudelijk te kunnen reageren op het beroepschrift.3 Een dergelijke bepaling kwam ook in de Wet op de BB 1893 voor, maar ontbrak vervolgens weer vanaf de Wet IB 1914.4 Deze ontheffingsbepaling kwam wel weer terug in de Wet PB 1950 en de SW 1956.5 In welke gevallen bekendmaking nodig was voor de uitvoering van de desbetreffende belastingwet werd vanaf 1900 steeds minder specifiek in de wettekst omschreven, maar volgde veelal uit achterliggende instructies en leidraden.6 Toch kon bij nieuwe, afwijkende bepalingen, zoals het hierna te behandelen art. 36 SW 1859 uit 1917, in de wettekst zelf worden opgenomen wanneer bekendmaking van fiscale gegevens toegestaan was.7
Het verbod om het object van de geheimhouding “verder bekend te maken (…) dan gevorderd wordt” uit de Wet VB 1892 en de Wet op de BB 1893 werd vanaf de Wet IB 1914 herschreven naar een verbod om het object van de geheimhouding “verder bekend te maken dan noodig is”.8 Hoewel de formulering ‘gevorderd wordt’ wellicht strikter oogt dan ‘nodig is’ kan uit de parlementaire geschiedenis van het (ingetrokken) wetsvoorstel tot heffing van een debietrecht op tabak juist worden afgeleid dat hiermee inhoudelijk niets anders is bedoeld. In de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat: “De verplichting tot geheimhouding komt overeen met die in de wet op de bedrijfsbelasting opgenomen [geheimhoudingsbepaling, VDS]. Evenals daar heeft zij ook hier alle reden van bestaan”.9 De wettekst spreekt echter van “verder bekend te maken dan noodig is”, hetgeen afwijkt van de Wet op de BB 1893 dat spreekt van “verder bekend te maken (…) dan gevorderd wordt”.10 Uit de parlementaire geschiedenis van zowel het (ingetrokken) wetsvoorstel IB 1908 als de Wet IB 1914 valt evenmin iets anders af te leiden.11