Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/3.2
3.2 Eenieder
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291586:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In art. 4 Tweede Richtlijn en art. 4 Zesde Richtlijn werd het begrip ‘ieder’ gehanteerd, maar met deze wijziging in terminologie is volgens punt 3 van de considerans bij de Btw-richtlijn geen inhoudelijke wijziging beoogd (G.J. van Norden, Het concern in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2007, p. 89).
HvJ EU 29 september 2015, zaak C-276/14, V-N 2015/53.11, r.o. 25 (Gmina Wroclaw I).
J.J.P. Swinkels, De belastingplichtige en de Europese BTW (diss.), Den Haag: Koninklijke Vermande 2001, p. 39.
Vgl. HvJ EG 8 februari 1990, zaak C-320/88, BNB 1990/271, r.o. 9, m.nt. Reugebrink (Safe). Anders: J.J.P. Swinkels, De belastingplichtige en de Europese BTW (diss.), Den Haag: Koninklijke Vermande 2001, p. 118 die meent dat het (nationale) civiele recht irrelevant is voor het begrip ‘ieder’ (thans: ‘eenieder’).
HvJ EU 29 september 2015, zaak C-276/14, V-N 2015/53.11, r.o. 28 (Gmina Wroclaw I) en HvJ EU 12 oktober 2016, zaak C-340/15, V-N 2016/57.15, r.o. 27 (Nigl e.a.).
HvJ EU 29 september 2015, zaak C-276/14, V-N 2015/53.11, r.o. 28 (Gmina Wroclaw I) en HvJ EU 12 oktober 2016, zaak C-340/15, V-N 2016/57.15, r.o. 27 (Nigl e.a.).
HR 5 januari 1983, nr. 20.808, BNB 1983/76, m.nt. Ploeger, HR 6 november 1985, nr. 23.026, BNB 1986/45, m.nt. Ploeger, r.o. 4.7, HR 9 september 1992, nr. 27.399, BNB 1992/366, m.nt. Den Boer, r.o. 3.4, HR 7 november 2003, nr. 37.186, BNB 2004/66, m.nt. Van Hilten, r.o. 4.1.3 en HR 11 april 2014, nr. 12/02808, BNB 2014/151, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.4.2.
Vgl. TC 28 november 1977, nr. 11 177 O’68, BNB 1978/89, HR 6 november 1985, nr. 23.026, BNB 1986/45, m.nt. Ploeger, r.o. 4.7, HR 9 september 1992, nr. 27.399, BNB 1992/366, m.nt. Den Boer, r.o. 3.4, HR 7 november 2003, nr. 37.186, BNB 2004/66, m.nt. Van Hilten, r.o. 4.1.3 en HR 11 april 2014, nr. 12/02808, BNB 2014/151, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.4.2.
HvJ EG 27 januari 2000, zaak C-23/98, BNB 2000/297, m.nt. Van Zadelhoff (Heerma).
HR 25 juli 2000, nr. 35.888, BNB 2000/307, m.nt. Simons.
HvJ EU 12 oktober 2016, zaak C-340/15, V-N 2016/57.15, r.o. 31 (Nigl e.a.) en HR 11 april 2014, nr. 12/02808, BNB 2014/151, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.4.2.
HvJ EG 20 juni 1991, zaak C-60/90, FED 1991/633, r.o. 15 en 16 (Polysar).
Vgl. TC 28 november 1977, nr. 11 177 O’68, BNB 1978/89. In gelijke zin: A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 138.
HvJ EU 16 september 2020, zaak C-312/19, V-N 2020/45.16, r.o. 46 (XT) en HR 11 april 2014, nr. 12/02808, BNB 2014/151, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.4.2.
HvJ EU 16 september 2020, zaak C-312/19, V-N 2020/45.16 (XT).
HvJ EU 16 september 2020, zaak C-312/19, V-N 2020/45.16, r.o. 42-48 (XT).
De definitie van het begrip ‘belastingplichtige’ in art. 9 Btw-richtlijn begint met het begrip ‘eenieder’.1 Dit betekent dat als een (economische) activiteit wordt verricht eerst moet worden beoordeeld wie de ‘eenieder’ is. Omdat art. 9 Btw-richtlijn voor de inhoud van dit begrip niet verwijst naar het recht van de lidstaten, beschouwt het Hof van Justitie dit begrip als een uniebegrip.2 Het begrip ‘eenieder’ moet daarom in alle EU-lidstaten uniform worden ingevuld en toegepast.3 Het (nationale) civiele recht is daarom niet doorslaggevend voor de vraag of sprake is van ‘eenieder’.4 Het ruime begrip ‘eenieder’ zet de poort van de Europese btw wijd open. Niet alleen natuurlijke personen en privaat- en publiekrechtelijke rechtspersonen, maar ook samenwerkingsverbanden van natuurlijke en/of rechtspersonen zonder rechtspersoonlijkheid kunnen een belastingplichtige zijn.5 Voor het aanmerken van een samenwerkingsverband als ‘eenieder’ in de zin van art. 9 lid 1, eerste alinea Btw-richtlijn is het noodzakelijk dat feitelijk sprake is van een entiteit.6 De Hoge Raad spreekt in dit verband van ‘een combinatie met feitelijke maatschappelijke zelfstandigheid’.7 Dit veronderstelt dat de samenwerkende partijen naar buiten toe als een eenheid handelen.8 Uit het verband van art. 9 lid 1, eerste alinea Btw-richtlijn volgt immers dat de ‘eenieder’ degene is die de economische activiteit verricht. Wanneer een samenwerkingsverband als eenieder kwalificeert, dan kunnen ook één of meerdere participanten in het samenwerkingsverband als eenieder kwalificeren voor activiteiten aan het samenwerkingsverband en/of derden. Zo volgt uit het Heerma-arrest dat een maat voor de verhuur van een ligboxenstal aan de maatschap waarvan hij deel uitmaakt, kwalificeert als een afzonderlijke belastingplichtige (en dus als een ‘eenieder’).9 Daarnaast heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een C.V. voor de verhuur van apparatuur aan de commanditaire vennoot een afzonderlijke belastingplichtige is.10
Met het voorgaande is nog niet duidelijk hoe beoordeeld moet worden of de samenwerkende partijen naar buiten als een eenheid handelen. Het opereren van partijen onder een gemeenschappelijke naam is een indicatie dat feitelijk sprake is van een entiteit, maar is niet doorslaggevend.11 Dat een (rechts)persoon onderdeel uitmaakt van een (wereldwijd) concern dat onder één naam opereert, is daarom onvoldoende om het concern in plaats van de (rechts)persoon als eenieder aan te merken.12 Omgekeerd geldt dat het ontbreken van een gemeenschappelijke naam onvoldoende is om aan te nemen dat het samenwerkingsverband feitelijk geen entiteit is.13 Of feitelijk sprake is van een entiteit moet met name beoordeeld worden aan de hand van de rechtsbetrekkingen tussen de samenwerkende partijen en de rechtsbetrekkingen van de samenwerkende partijen met derden (afnemers, leveranciers en dienstverrichters).14 Is sprake van een ‘stille’ maatschap waarbij één van de maten op eigen naam een terrein heeft aangekocht en verkregen, op eigen naam een bouwvergunning heeft aangevraagd en verkregen, op eigen naam aannemingsovereenkomsten heeft gesloten en op eigen naam de verkoopovereenkomsten voor de gebouwen en bijbehorende terreinen heeft gesloten, dan is die maat de ‘eenieder’ en niet de (voor derden niet-kenbare) maatschap.15 Voor partijen die samen vastgoed aankopen en/of ontwikkelen om dit vastgoed te verkopen of te exploiteren, is het daarom van belang op wiens naam de overeenkomsten worden aangegaan met de kopers of gebruikers van (een gedeelte van) het vastgoed en andere betrokken partijen, zoals de (hoofd)aannemer, de architect, de bouwprojectmanager, de adviseurs, de gemeente, de beheerder en de bewaarder.16 In de volgende paragrafen zal voor twee in Nederland veelvoorkomende samenwerkingssituaties bij vastgoedactiviteiten concreter worden ingegaan op de vraag wie de (economische) activiteit verricht, en dus de ‘eenieder’ is.
3.2.1 Projectontwikkeling3.2.2 Vastgoedbeleggingsfondsen