Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.3.3.4
IV.3.3.4. De natuurlijke verbintenis als redelijke tegenprestatie
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS579108:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Memorie van Toelichting, 17 213, nr. 3, p. 13 en Nota van Wijziging, 17 213, nr. 4, p. 15.
Zie Wessels, Eb en vloed, water of strand: over schenking en natuurlijke verbintenis, WPNR 6186 (1995).
De minister vindt wel een argument in het feit dat tijdens leven premies betaald worden. Ook wijst hij op de invloed van de regels voor de uitwinning van levensverzekeringen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet en op de bijzondere maatschappelijke functie van de levensverzekering als instrument voor het verzekeren van een oudedagsvoorziening en de verzorging van nabestaanden. Nota van Wijziging, 17 213, nr. 6, p. 16 e.v.
Nota naar aanleiding van het Verslag, 17 213, nr. 6, p. 21 e.v.
HR 30 november 1945, NJ 1946, 62 (De Visser-Harms).
Uit de toelichting van de minister1 kan men opmaken dat het voldoen aan een natuurlijke verbintenis geen redelijke tegenprestatie is.
Zonder deze toelichting zou men hierover gemakkelijk anders kunnen denken. De vraag moet immers gesteld worden of het nakomen van een natuurlijke verbintenis ‘om niet’ is en het tenietgaan van die verbintenis geen ‘redelijke tegenprestatie’ vormt.2 Vergelijk in dit kader art. 4:126 lid 2 onder b BW met betrekking tot de levensverzekering. Het in dit artikel opgenomen begrip ‘gift’ brengt met zich dat de voldoening aan een natuurlijke verbintenis wel een redelijke tegenprestatie vormt, waarmee men dan ook uit de sfeer van de quasi-legaten blijft. Een naar mijn smaak niet te rechtvaardigen verschil.3
De minister lijkt in een latere fase onder omstandigheden de voldoening aan de natuurlijke verbintenis echter toch als een redelijke tegenprestatie te zien. Ik breng in herinnering het voorbeeld van de minister vermeld in par. 3.3.3 van dit hoofdstuk betreffende de eigenaar van bepaalde archeologische voorwerpen die deze aan een plaatselijk museum in bruikleen geeft en daarbij overeenkomt dat het museum de voorwerpen bij zijn overlijden zal mogen overnemen. Zou de minister denken aan een natuurlijke verbintenis jegens de Nederlandse Staat, indien hij oordeelt dat wellicht geen sprake is van een quasi-legaat indien de eigenaar uit ideële overwegingen, omdat hijwil voorkomen dat de voorwerpen terechtkomen in een buitenlands museum, bij voorbaat met een aanzienlijk lagere prijs dan de internationale ‘marktwaarde’ voor de voorwerpen genoegen neemt?4 Zou hij de eerdere opmerkingen van zijn voorganger over het hoofd hebben gezien?
Hoe het ook zij, het is reëel dat de voldoening aan een natuurlijke verbintenis niet als een redelijke tegenprestatie heeft te gelden. Het past immers bij het feit dat de natuurlijke verbintenis in het erfrecht min of meer de kop is ingedrukt. De natuurlijke verbintenis mag immers niet meer als passiefpost worden opgevoerd in de legitimaire massa, zoals destijds is aanvaard door de Hoge Raad.5 Dit volgt uit art. 4:87 lid 2 onder a BW, waar de inkorting aan de orde is. Dus ook hier ontbreekt een redelijke tegenprestatie en is sprake van een quasi-legaat, zij het dat dit legaat pas na de andere normale (quasi-)legaten wordt ingekort of verminderd. Zie par. 1.7.1 van dit hoofdstuk.
Het is naar mijn mening gewenst uitdrukkelijk in art. 4:126 lid 2 onder a BW te bepalen, op de plek waar ook bepaald is dat ‘wederkerigheid’ geen redelijke tegenprestatie vormt, dat de voldoening aan een natuurlijke verbintenis niet geldt als een redelijke tegenprestatie.