Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/5.5:5.5 Heeft verdeling noodzakelijk verdeeldheid tot gevolg?
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/5.5
5.5 Heeft verdeling noodzakelijk verdeeldheid tot gevolg?
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS351694:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 611.
Concl. A-G Moltmaker, ECLI:NL:PHR:1995:AA1638, vóór HR 31 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1638, onder 4.3.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 611.
HR 20 juni 1951, NJ 1952, 559.
Zie ook: Planiol-Ripert 1956, nr. 651-652; Asser/Meijers 1941, p. 341-342; Kleijn 1969, p. 7-9; Schoordijk 1983, p. 101; Van Mourik & Schols 2015, nr. 37.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik keer terug naar de omschrijving van het verdelingsbegrip volgens het Ontwerp Meijers:
‘Als een verdeling wordt beschouwd iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon hetzij vertegenwoordigd, medewerken, en waardoor een of meer van hen een of meer van de goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten ve[r]krijgen.’1
De tekst van het Ontwerp komt wat betreft de formulering van het voor verdeling vereiste rechtsgevolg overeen met de tekst van het huidige art. 3:182 BW:
‘Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen.’
Algemeen gesproken heeft een verdeling ten doel een gemeenschap te beëindigen. Uit de tekst van art. 3:182 BW, in samenhang met art. 3:179 BW, kan worden opgemaakt dat verdeling in dit verband zowel kan zien op een gehele opheffing van de onverdeeldheid, als een partiële opheffing daarvan.
De vraag kan worden gesteld in hoeverre in het kader van verdeling beëindiging van de onverdeeldheid noodzakelijk is. Is volledige beëindiging van de gemeenschap en derhalve exclusiviteit vereist? Is het, anders gezegd, denkbaar dat twee of meer deelgenoten na verdeling (en levering) zodanig gerechtigd zijn tot een gemeenschapsgoed dat ten aanzien van dat goed ‘ondanks’ de verdeling een onverdeeldheid blijft bestaan? Een voorbeeld: A, B en C zijn gerechtigd tot een gemeenschap, ieder voor een derde gedeelte. Bij onderlinge afspraak wordt A uitgeboedeld tegen geldelijke vergoeding van de waarde van zijn gerechtigdheid en worden B en C elk voor de helft gerechtigd tot de gemeenschap. De zinsnede: ‘krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap (…) verkrijgen’, is voor meerderlei uitleg vatbaar. De volgende mogelijkheden kunnen worden onderscheiden:2
één deelgenoot wordt met uitsluiting van de overige (een of meer) deelgenoten voor het geheel gerechtigd tot een of meer gemeenschapsgoederen;
meerdere deelgenoten worden met uitsluiting van de overige (een of meer) deelgenoten ieder voor het geheel gerechtigd tot een of meer gemeenschapsgoederen;
meerdere deelgenoten worden met uitsluiting van de overige (een of meer) deelgenoten gezamenlijk gerechtigd tot een of meer goederen van de gemeenschap.
De toepasselijkheid van de mogelijkheden onder a, b en c is afhankelijk van het antwoord op de vraag in hoeverre een verkrijging krachtens verdeling exclusiviteit vereist. Een dergelijke exclusiviteitsvereiste of uitsluitingsvereiste kan in het kader van verdeling op twee niveaus worden onderscheiden: op dat van de deelgenoten en op dat van de gerechtigdheid van de deelgenoten. Op het niveau van de deelgenoten ziet het exclusiviteitsvereiste op het binnen de groep van gerechtigden op te treden onderscheid tussen verkrijgende en niet-verkrijgende deelgenoten. Deze eis vloeit rechtstreeks voort uit het slot van de eerste volzin van art. 3:182 BW. De toelaatbaarheid van de mogelijkheden onder a en b is daarmee gegeven. Op het niveau van de gerechtigdheid van de deelgenoten is het, uitgaande van de wettekst, niet zonder meer duidelijk of daarvoor een exclusiviteitseis geldt. Een dergelijke eis zou er in dat verband op kunnen zien dat een krachtens verdeling verkregen gemeenschapsgoed in zijn geheel moet worden verkregen. De eis van exclusiviteit zou daarmee betrekking hebben op het binnen de groep van verkrijgende deelgenoten door een deelgenoot met uitsluiting van de overige (andere goederen verkrijgende) deelgenoten verkrijgen van een of meer gemeenschapsgoederen. Mocht een dergelijke eis moeten worden aangenomen, dan zou dit aan de toepasselijkheid van de mogelijkheid onder c in de weg staan. Is dit niet het geval en is uitsluitend exclusiviteit vereist op het (eerstbedoelde) niveau van de deelgenoten, dan staat de mogelijkheid onder c voor toepassing open.
Om duidelijkheid te verkrijgen in deze kwestie, raadpleeg ik opnieuw de parlementaire geschiedenis. Meijers verwijst in zijn Toelichting bij het verdelingsbegrip naar de opvatting van de Hoge Raad als naar geldend recht:
‘Dit artikel wordt ook thans, hoewel het nergens aldus in het algemeen in het B.W. geformuleerd is, als geldend recht aanvaard. Men vergelijke H.R. 20 Juni 1951, N.J. 1952 no. 559 (…).’3
Deze opvatting komt erop neer dat een overeenkomst alleen dan als een scheiding kan worden beschouwd:
‘(…) indien alle deelgenoten medewerken tot het doen ophouden ten aanzien van een of meer hunner van den mede-eigendom in een of meer bestanddelen van den onverdeelden boedel.’4
Ik besteedde reeds aandacht aan de opvatting van de Hoge Raad, voor zover hierin voor scheiding de medewerking van alle deelgenoten wordt vereist. De Hoge Raad beperkt zich in zijn arrest echter niet tot dit criterium als hij de vereisten voor scheiding formuleert. Het criterium van de voltallige medewerking door de deelgenoten dient volgens de Hoge Raad namelijk ‘tot het doen ophouden ten aanzien van een of meer hunner van den mede-eigendom in een of meer bestanddelen van den onverdeelden boedel.’ Uit de verwijzing door de parlementaire geschiedenis naar de opvatting van de Hoge Raad als naar geldend recht volgt dat ‘s Raads opvatting ten aanzien van de scheiding ook het thans geldende recht vertegenwoordigt. Uit dit alles kan worden afgeleid dat, ondanks de andersluidende bewoordingen van de wet, geen inhoudelijke afwijking van het door de Hoge Raad gehanteerde scheidingsbegrip is beoogd. Met deze constatering keer ik terug tot het eerder gegeven voorbeeld: A, B en C zijn gerechtigd tot een gemeenschap, ieder voor een derde gedeelte. Bij onderlinge afspraak wordt A uitgeboedeld tegen geldelijke vergoeding van de waarde van zijn gerechtigdheid en worden B en C elk voor de helft gerechtigd tot de gemeenschap. Opnieuw kan de vraag worden gesteld of de rechtshandeling krachtens welke de overblijvende deelgenoten verkrijgen als verdeling kan worden aangemerkt. Indien op dit voorbeeld het door de Hoge Raad geformuleerd criterium wordt toegepast, dan moet op basis daarvan verdeling worden aangenomen. De uittreding van A heeft immers tot gevolg dat B en C ieder voor de helft gerechtigd worden tot de gemeenschap, zodat alle deelgenoten hebben meegewerkt aan het beëindigen van de deelgerechtigdheid van een van de deelgenoten in de gemeenschap.
Geconcludeerd kan worden dat langs deze weg een rechtvaardiging kan worden gevonden voor de opvatting dat de wettekst aldus gelezen kan worden dat het verdelingsbegrip ook omvat rechtshandelingen krachtens welke de onverdeeldheid niet ten aanzien van enig goed wordt opgeheven. De exclusiviteitseis voor verkrijging krachtens verdeling wordt daarmee beperkt tot het niveau waarop als gevolg van de verkrijging krachtens verdeling de groep van deelgenoten wordt ‘verdeeld’ in verkrijgende en niet-verkrijgende deelgenoten. De opvatting dat als vereiste heeft te gelden dat elk van de verkrijgende deelgenoten met uitsluiting van de overige (andere goederen verkrijgende) deelgenoten voor het geheel gerechtigd wordt tot een of meer gemeenschapsgoederen, vindt geen steun in het recht.5