Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.3
9.3.3 Het kale beboetbare feit
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940606:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 10 juni 1992, BNB 1992/274, r.o. 3.1 (‘kenbaar moet maken op grond van welke feiten en omstandigheden hij van oordeel is dat te weinig belasting is geheven’), alsmede HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207. Aldus ook: Feteris 2002, p. 368.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 27 juni 2017, V-N 2018/6.16.1, r.o. 4.19.
Hoofdstuk 6 bevat, naast een uitwerking van de elementen zoals die voorkomen in de delictsomschrijvingen van de verschillende boetebepalingen, ook een toelichting op het onderscheid tussen algemeen geldende en bijzondere fiscale bestuurlijke boetes.
Zie paragraaf 13.3.3.2. Vgl. ook Hof Amsterdam 27 oktober 2022, V-N 2023/11.22, r.o. 5.7-5.8.
Zowel bij verzuimboetes als bij vergrijpboetes zal de inspecteur moeten bewijzen dat de boeteling het kale beboetbare feit heeft begaan.1 Het gaat dan om de feitelijke gedraging (bestaande uit een handelen of nalaten) die de boeteling wordt verweten,2 oftewel de feitelijke elementen van de delictsomschrijving. In het navolgende ga ik achtereenvolgens in op de verschillende soorten feitelijke gedragingen, zoals die voorkomen in de delictsomschrijvingen van de belangrijkste algemeen geldende fiscale bestuurlijke boetes, geregeld in Afdeling 1 van hoofdstuk VIIIA van de AWR. De uitgangspunten die uit deze analyse naar voren komen, gelden onverkort voor het kale beboetbare feit zoals dat is omschreven in de delictsomschrijvingen van de overige (algemeen geldende en bijzondere) fiscale bestuurlijke boetes. In hoofdstuk 6 heb ik beschreven om welke elementen het daarbij gaat.3 Die elementen moet de inspecteur ‘beyond reasonable doubt’ bewijzen.4
9.3.3.1 Bewijslast ten aanzien van het element ‘niet (volledig, tijdig) betalen’9.3.3.2 Bewijslast ten aanzien van het element ‘niet (volledig, juist, tijdig) doen van aangifte’9.3.3.3 Bewijslast ten aanzien van het element van de materiële heffing (‘te weinig belasting’)