Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.4.3.4:II.5.4.3.4 HR 30 september 1925, PW 12040
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.4.3.4
II.5.4.3.4 HR 30 september 1925, PW 12040
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625534:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AX6609, BNB 1966/106.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In HR 30 september 1925, PW 12040 betrof het de volgende last:
‘Ik maak aan mijne executeurs-testamentair de heeren X en Y, zoomede aan den heer Z te H:
I. de som van tweehonderd duizend gulden, onder uitdrukkelijke bepaling, dat gemeld kapitaal, zoomede de daarvan te kweeken rente binnen tien jaar na mijn overlijden moet worden besteed voor personen, inrichtingen en stichtingen (…), welke naar het oordeel van bovengenoemde heeren of van de meerderheid hunner, daarvoor in aanmerking komen, zonder dat zij van hun beheer aan iemand, wie ook, rekening en verantwoording schuldig zullen zijn en alzoo ook niet verplicht kunnen worden zekerheid te stellen voor hun beheer. Uit dat kapitaal moet ook worden voldaan of gerestitueerd de kosten van aankoop grond te S en de bouwkosten voor het daarop gestichte of nog te stichten gebouw door of ten behoeve van mijn nicht m. T., tot een bedrag van ten hoogste twee en twintig duizend gulden (curs. NB).’
De Hoge Raad merkte deze last als rechtsgeldig aan. De last was met andere woorden in voldoende mate bepaald. Hieruit blijkt dat het bepaaldheidsvereiste dat voor de last geldt, heel soepel is. Als subject van de verkrijging, ofwel als bestemming, wordt aangewezen: ‘personen, inrichtingen en stichtingen, welke naar het oordeel van de drie executeurs (of met meerderheid van stemmen) daarvoor in aanmerking komen’ en dit is voldoende voor de rechtsgeldigheid. Aan de executeurs komt anders gezegd een grote vrijheid toe om naar eigen oordeel te bepalen wie de som van 200.000 gulden verkrijgt. Deze vrijheid ziet dan overigens niet alleen op de personen die verkrijgen (het subject van de verkrijging), maar ook op hetgeen zij ontvangen (het object van de verkrijging).
Een zelfde breed geformuleerde last zien we terug in HR 2 maart 1966, BNB 1966/106,1 waarop ik hierna in paragraaf 5.4.3.5 inga.
Indien erflater in casu een vorderingsrecht tot nakoming, ofwel een sublegaat, voor ogen stond, zou mijns inziens naar huidig recht niet voldaan zijn aan het bepaaldheidsvereiste ten aanzien van het aanwijzen van de legatarissen (vgl. paragraaf 5.3.2.4). Er zou anders gezegd geen sprake zijn van een rechtsgeldig sublegaat. Erflater heeft immers geen groep van individueel aangewezen personen of in een bepaalde hoedanigheid aangewezen personen genoemd waaruit de drie executeurs kunnen bepalen wie als legataris optreedt. Van bepaalbaarheid is dan ook geen sprake.