Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.3.1
2.3.1 Het probleem met de bestaande criteria
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS583934:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor vergelijkbare casus Scholten 1902, p. 425 t/m 433.
Ktr. Groningen 18 februari 1882, W 4805 (Elzer/Mr. P.L.d. G.).
Rb. Middelburg 30 november 1898, W 7211 (Blauwhoedenveem/Kenres en De Keersmaeker).
Scholten 1902, p. 269, 270.
Scholten baseert zich hierbij op de causaliteitstheorieën van Von Buri en Mill; zie nader nr. 496.
Hier heeft Scholten de definitie van oorzaak van Mill 1858, p. 200 op het oog: “the cause then, philosophically speaking, is the sum total of the conditions positive and negative taken together; the whole of the contingencies of every description, which being realized, the consequent invariably follows.” Een vergelijkbare opvatting hing Von Buri 1873, p. 1 e.v. aan. Zie nader nr. 496.
Scholten 1902, p. 277.
Scholten 1902, p. 302. Scholten heeft kennelijk niet doorzien dat voor meerdere voorwaarden kan gelden dat zij de mogelijkheid van het gevolg objectief hebben vergroot en deze redeneerwijze er dus toe kan leiden dat een gevolg meerdere oorzaken heeft.
Scholten 1902, p. 306, 307.
Scholten 1902, p. 288.
Scholten 1902, p. 425, 457, 466.
Ook Simons baseert zich op Von Buri en Mill; zie nader nr. 496.
Simons 1902, p. 30.
Overigens lijkt Simons, net als Scholten, deze eis van adequaatheid bovenop de eis van het condicio-sine-qua-non-verband te willen stellen, maar geheel duidelijk is dat niet; zie Simons 1902, p. 29, 30.
Zie nader § 2.4.
Zevenbergen 1917, p. 38.
Zevenbergen 1917, p. 72.
45. Het onderscheid tussen oorzaak en aanleiding en tussen rechtstreeks en niet-rechtstreeks gevolg was, zoals Land al signaleerde, niet steeds eenvoudig te maken en leidde bovendien tot rechtspraak die, in ieder geval tegenwoordig, weinig aanspreekt.
Ik geef twee voorbeelden.1 (1) Op een veiling informeerde een aspirant-koper bij de notaris die de veiling leidde, of op het te koop zijnde schip schulden rustten. De notaris verzekerde dat het schip ‘vrij van schulden is’, waarna het schip werd gekocht. Kort daarna werd het schip geëxecuteerd in verband met daarop rustende schulden. De Groningse Kantonrechter wees de vordering tot schadevergoeding van de koper jegens de notaris af: de schade is niet het gevolg van de onzorgvuldige mededeling van de notaris, maar van de koop van het schip.2 (2) Een rijnschip werd door een sleepboot voortgetrokken. Door een gebrek aan het roer van de sleepboot liet deze zich plots niet meer besturen. De sleepboot trok het rijnschip hierdoor in ondiep water aan de grond. Om los te geraken loosde het rijnschip een deel van zijn lading. Anders dan beoogd, raakte het schip hierdoor echter niet los, terwijl de lading verloren ging. Na enige tijd brak bovendien het voorschip af en liep het rijnschip vol water. De Middelburgse Rechtbank wees de vordering tot schadevergoeding van de eigenaar van het rijnschip jegens de exploitant van de sleepboot af, omdat het gebrekkige roer van de sleepboot niet de onmiddellijke oorzaak van de schade was: die oorzaak was immers het stranden van het rijnschip.3
46. Tegen de hiervoor beschreven stand van het recht keerden zich in 1902 vrijwel gelijktijdig P. Scholten en Simons. Scholten – nog in zijn tijd als advocaat – ving zijn uitvoerige en doordachte publicatie aan door erop te wijzen dat het onderscheid tussen aanleiding en oorzaak onduidelijk is en tot rechterlijke willekeur leidt:
“Waar we echter zien, dat in de toepassing der beide begrippen [oorzaak en aanleiding] zoo weinig zekerheid bestaat, dat we herhaaldelijk in een zelfde geval verschillende beslissingen in de jurisprudentie vinden en zien dat schijnbaar geheel analoge gevallen nu eens in dezen, dan in dien geest worden uitgemaakt (…) Wanneer de eene rechter zonder verdere motivering verklaart: de daad is oorzaak der schade; de ander: de daad is aanleiding, dan doet zich hier de vraag voor: waarom dan oorzaak of aanleiding, en worden wij dus genoodzaakt tot een onderzoek naar ‘t wezen dier onderscheiding, niet al in de woorden gelegen.”4
Scholten bepleitte om voor de vaststelling van het causale verband een tweefasentoets te gebruiken. In de eerste plaats diende getoetst te worden of schade feitelijk door de onrechtmatige daad is veroorzaakt. Dit diende te worden getoetst door te bepalen of de onrechtmatige daad geldt als condicio sine qua non voor de schade.5 Scholten vervolgde:
“dan komt de tweede vraag: is [de gedraging die condicio sine qua non is voor de schade] nu ook oorzaak in engeren zin. (…) De moeielijkheid is nu, welke maatstaf zal bij het bepalen van dit engere verband, bij het schiften dus van de verschillende feiten, die samen het complex oorzaak vormen,6 moeten worden gebruikt? Welke voorwaarde in den zin van condicio sine qua non zal ‘oorzaak’ mogen heeten?”7
Om deze vraag te beantwoorden zocht Scholten aansluiting bij de dan in Duitsland nog in ontwikkeling zijnde leren van adequate veroorzaking. Met deze, hierna in § 2.3.3 nader te bespreken leren, poogden diverse Duitse auteurs aan de hand van een kanscriterium strafrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheid voor zuiver toevallige gevolgen van een normschendende gedraging af te snijden. De niet zuiver toevallige gevolgen duidde men aan als adequaat veroorzaakt. Scholten kwam, zich hierbij aansluitend, tot de opvatting:
“Oorzaak – als grond voor aansprakelijkheid – is die voorwaarde, welke de mogelijkheid van het gevolg objectief heeft vergroot.”8
Scholten noemde ter onderbouwing van deze begrenzing het belang van de aansprakelijke om alleen verantwoordelijk te zijn voor feiten die voor hem “berekenbaar” zijn.9 Uitdrukkelijk wees Scholten erop dat met het door hem voorgestelde criterium niet de voorzienbaarheid van de schade zoals geleden beslissend wordt gemaakt.10 Hoewel Scholten zijn criterium inbedde in de causaliteitseis van art. 1401 (oud) BW, sprak hij herhaaldelijk van de “toerekening” van de veroorzaakte schade.11
47. Simons’ betoog had een vergelijkbare strekking. Simons wees erop, dat de eis van een rechtstreeks verband te streng is. Ook volgens Simons kon niet verlangd worden dat de onrechtmatige daad de enige oorzaak van de schade is: voor elk gevolg bestaat steeds een reeks van noodzakelijke voorwaarden.12 Ook Simons bepleitte de leer van de adequate veroorzaking te hanteren bij de interpretatie van het oorzakelijkheidsvereiste van art. 1401 (oud) BW, maar met een enigszins engere formulering dan Scholten:
“men zou eene bepaalde handeling slechts dan als oorzaak van een gevolg kunnen doen gelden, indien naar de algemeene regelen der menschelijke ervaring de mogelijkheid bestond, dat uit die handeling dat gevolg zich zou ontwikkelen. (…) men zal (…) hebben te vragen: was zoodanig gevolg te voorzien of – om eene uitdrukking te onleenen van gelijke strekking aan onze strafwet – was dat gevolg te duchten?”13
Waar Scholten dus als oorzaak aanduidde de voorwaarde die de objectieve mogelijkheid van het gevolg heeft vergroot, zou volgens Simons beslissend moeten zijn of naar algemene regels van menselijke ervaring de mogelijkheid bestond dat uit de handeling het gevolg zich zou ontwikkelen en of het ingetreden gevolg te voorzien of te duchten was.14
48. Ter verklaring van de hierna te bespreken koerswijziging van de Hoge Raad is het door Zevenbergen in 1917 gevoerde betoog nog vermeldenswaard. Zevenbergen maakte, scherper dan Scholten, onderscheid tussen causaliteit en andere voorwaarden voor aansprakelijkheid.15 Ter zake van het causaliteitsvereiste diende volgens Zevenbergen beslissend te zijn of condicio-sine-qua-non-verband bestaat tussen de onrechtmatige daad en de schade. Een naast het causaliteitsvereiste bestaande voorwaarde voor aansprakelijkheid is volgens hem dat de schade kan gelden als adequaat door de onrechtmatige daad veroorzaakt. Getoetst diende te worden of de onrechtmatige daad:
“een algemeen begunstigende omstandigheid is voor zulke gevolgen, als waartoe het in concreto ingetreden gevolg behoort.”16
Omdat de wet deze adequatie-eis niet met zoveel woorden stelde, stond Zevenbergen voor het probleem te verklaren waarom deze eis geldend recht was. Zevenbergen deed dit door het adequatiecriterium gelijk te stellen met de eis van voorzienbaarheid in art. 1283 (oud) BW en die bepaling analoog toe te passen in het geval van onrechtmatige daad.
“wanneer is het gevolg adaequaat, wanneer niet? Hierover kan wel geen twijfel bestaan, dat een objectieve voorzienbaarheid wordt gevorderd buiten het geval van arglist: schade die ‘men’ heeft voorzien of kunnen voorzien. Zij moet voorzienbaar zijn bij het aangaan van de verbintenis; in ons verband zal dit wel aldus moeten gelezen worden: bij het verrichten der handeling, daad, enz., kortweg: bij de veroorzaking.”17
Waar Opzoomer, Land en Diephuis de regel van art. 1284 (oud) BW gebruikten om de schadevergoedingsverplichting uit onrechtmatige daad te beperken, maakte Zevenbergen een koppeling tussen het adequatiecriterium en de voorzienbaarheidseis van art. 1283 (oud) BW om zo ook de schadevergoedingsverplichting uit onrechtmatige daad te kunnen beperken, maar nu aan de hand van de voorzienbaarheid van de geleden schade. Zevenbergen ging eraan voorbij dat de voorzienbaarheidseis van art. 1283 (oud) BW een bijzondere, op contractuele aansprakelijkheid toegespitste, achtergrond had terwijl deze eis zich bovendien volgens de toentertijd gezaghebbende Nederlandse auteurs niet goed liet verklaren.