Het inzagerecht
Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/5.2.2.2:5.2.2.2 Inhoudelijk commentaar op de schets
Archief
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/5.2.2.2
5.2.2.2 Inhoudelijk commentaar op de schets
Documentgegevens:
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS450403:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Laat ik bij het inhoudelijk commentaar allereerst beginnen met de opmerking dat de schets zeer lang is. Alleen al door die lengte zal het niet eenvoudig werken zijn met de regeling. Er zijn meerdere oorzaken voor de grote omvang van dit voorstel. De eerste oorzaak is gelegen in het vele overbodige dat erin is vermeld.
Zo staan in de tekst diverse zinnen en zinsneden die niet alleen voor een exhibitieprocedure gelden maar voor het hele procesrecht of onderdelen daarvan. Het lijkt mij overbodig om expliciet op te nemen dat voor zover een persoon ten behoeve van wie gegevens worden verstrekt hiertoe behoefte heeft aan deskundige bijstand, hem de gelegenheid wordt geboden zich daarvan te bedienen. Zie de laatste zin van lid 3 van art. 155a. Het recht op inzage is immers inhoudsloos indien de gegevens zodanig zijn versleuteld dat zij zonder hulp niet te achterhalen zijn. De zin getuigt verder van een wat letterknechterige' opvatting van het begrip inzage. De ABP is kennelijk van mening dat inzage alleen maar betekent 'een blik werpen' en dat er daarom iets moet worden geregeld voor het geval dat de gegevens zonder decodering of versleuteling onbegrijpelijk zijn. Waar het gaat om informatieverschaffing aan een andere partij, betekent inzage natuurlijk 'kennis nemen van een begrijpelijk weergegeven inhoud'. Daar waar de ABP verder voorstelt dat een gegevensverstrekker verplicht is om gegevens op te sporen, valt het enigszins uit de toon indien die zelfde verstrekker niet zijn best hoeft te doen om de gegevens begrijpelijk te verstrekken. Ik zou zeggen dat hier sprake is van 'overregulering'.
Ik begrijp verder niet waarom de tamelijk lange omschrijving van de mogelijke rechtsbetrekking moet worden opgenomen. Ook met de huidige tekst inhoudende `de partij bij een rechtsbetrekking', wordt een vordering van persoon A, die het standpunt inneemt dat hij juist geen partij is bij een rechtsbetrekking tussen alleen de personen B en C, tot inzage in het schriftelijk stuk waarin de namen staan van de werkelijke contractspartijen B en C, toegewezen in een procedure tussen A en B waarin B stelt dat A wel contractspartij is.
Overbodig is ook de opmerking in art. 155b lid 1 dat bij de door de rechter in aanmerking te nemen belangen ook aspecten betreffende de goede procesorde horen. Het lijkt mij dat inmiddels wel duidelijk is dat bij elke beslissing die de rechter in het kader van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering neemt, de goede procesorde door hem in de gaten gehouden moet worden. Het ligt dan toch niet voor de hand om een dergelijke regel alleen bij de exhibitie op te nemen. Ik sluit niet uit dat in een volgend proefschrift een promovendus gaat verdedigen dat omdat de regel niet in bijvoorbeeld de regeling over het getuigenverhoor is opgenomen, een getuige gehoord mag worden zonder de regels van een goede procesorde in acht te nemen. De betreffende norm is verder dermate open dat hij alleen al daarom niets toevoegt.
Overbodig omdat dit als fundamentele regel van het procesrecht geldt, is de regel in art. 155c lid 4 inhoudende dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om gehoord te worden.1
Overbodig en gevaarlijk is verder dat telkens de combinatie 'verzocht dan wel gevorderd' wordt gemaakt.2 Overbodig omdat uit de voorgestelde nummering blijkt dat de regeling moet worden opgenomen tussen de 'bewijsartikelen'. Die artikelen zijn weliswaar geschreven voor de dagvaardingsprocedure, maar zijn op grond van art. 284 lid 1 Rv in beginsel ook van toepassing op de verzoekschriftprocedure.
De combinatie 'verzocht dan wel gevorderd' is gevaarlijk omdat met deze tekst verdedigd kan worden dat in alle verzoekschriftprocedures de exhibitieregeling van toepassing is. Dat zou dan opvallend zijn omdat alle andere bewijsregels volgens genoemd art. 284 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing zijn op de verzoekschriftprocedures, tenzij de aard van de procedure zich daartegen verzet. Indien dat wel de bedoeling is van de ABP verdient dat nadere, goede motivering.
De regeling is verder lang omdat de kostenvergoeding twee keer wordt geregeld. Art.155a lid 1 bepaalt dat eventueel met de verstrekking gemoeide kosten voor rekening komen van de persoon die aanspraak maakt op verstrekking. Art. 155c lid 6 bepaalt dat de redelijke kosten die voor het verstrekken van gegevens overeenkomstig art. 155c worden gemaakt, ten laste komen van de partij die op verstrekking aanspraak maakt. Bijzonder is dat op grond van art. 155a alle met de verstrekking gemoeide kosten voor rekening lijken te komen van de persoon die aanspraak maakt op verstrekking, terwijl het zesde lid van art. 155c bepaalt dat alleen de redelijke kosten ten laste komen van de partij die op verstrekking aanspraak maakt.
De schets is verder te omvangrijk omdat in de betreffende artikelen in elk geval één onderwerp is geregeld dat niet bij een incidentele regeling als het recht op inzage geregeld dient te worden, maar bij de algemene leerstukken thuis hoort. Het is de tot dusverre in ons procesrecht onbekende figuur van de processuele boete, in de schets te vinden in art. 155d. Dit voorgestelde artikel is tot dusverre een onbekend fenomeen in ons procesrecht. Indien achteraf blijkt dat, kort gezegd, de gegevensverstrekker ten onrechte is lastig gevallen, kan hij een geldbedrag krijgen. Dat bedrag kan niet de kostenvergoeding zijn: die krijgt de gegevensverstrekker al op grond van art. 155c lid 6. Het moet dus wel een boetebepaling zijn. Opname van deze regeling betekent ook hier een regeling voor een incidentele gebeurtenis terwijl bij soortgelijke incidenten een dergelijke boetebepaling niet voorkomt. De bepaling zou ook kunnen zijn geschreven ten gunste van de getuige die is verschenen maar wiens verklaring nutteloos blijkt te zijn. Die getuige krijgt slechts een wettelijke kostenvergoeding die ook nog eens beschamend laag is. Er valt misschien wel iets voor de gedachte van art. 155d te zeggen, maar dan moet die gedachte verwoord worden bij alle soortgelijke gevallen. Het artikel lijkt verder een trendbreuk te zijn. Tot dusverre moest een procesdeelnemer het wel heel bont maken voordat hij werd veroordeeld in de echte kosten, laat staan dat hij een soort boete verbeurde. Waarom nu juist bij gegevensverstrekking dit anders moet en dan ook nog eens aan de hand van een tamelijk lichte maatstaf, is mij niet duidelijk geworden. De eventuele wens om vissen tegen te gaan, kan toch niet voldoende zwaar van gewicht zijn. De last door vissen veroorzaakt, is immers te onbeduidend in vergelijking tot een jarenlang durende bodemprocedure waarin tegen beter weten in bijvoorbeeld wanprestatie wordt ontkend en waarin die ontkennende partij niet wordt gestraft met een realistisch berekende proceskostenveroordeling.
Overbodig lijkt verder lid 1 van art. 155c. In de jurisprudentie is al lang uitgemaakt dat inzage kan worden gevraagd in een procedure door het opwerpen van een incident. De letterlijke tekst van lid 1 lijkt dat uit te sluiten. Dat lid vermeldt immers dat in een aanhangig geding de aanspraak op gegevensverstrekking overeenkomstig de regels van het desbetreffende geding aan de rechter wordt voorgelegd. Letterlijk betekent dit dat in een dagvaardingsprocedure nogmaals een dagvaarding moet worden uitgebracht. Dat zal de commissie wel niet bedoelen. Indien dit al geregeld moet worden, lijkt een simpele toevoeging van een artikel aan de tiende afdeling, Incidentele vorderingen, meer op zijn plaats. De commissie lijkt wat doorgeschoten door ook bij dit incident te verlangen dat de vragende partij handelt conform art. 111 lid 3 eerste zin Rv. Het exploot moet dus de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en gronden vermelden. Dit is voor geen enkel incident nodig. Waarom het hier zou moeten is mij niet duidelijk.