Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.4.3
12.2.4.3 Mededeling van de onderbouwing van de strafmaat?
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940291:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Okhuizen in haar noot bij HR 25 oktober 2013, NTFR 2013/2162 (punt 5).
Zie paragraaf 12.2.4.1. Vgl. ook de reikwijdte van de onschuldpresumptie (zie paragraaf 9.3.1).
HR 10 juni 1992, FED 1992/669, BNB 1992/274, r.o. 3.1, HR 2 september 1992, BNB 1992/335, r.o. 3.3, HR 10 februari 1993, BNB 1993/138, r.o. 3.21.
HR 28 april 1993, BNB 1993/229, r.o. 3.2.
Zie paragraaf 14.4. In dezelfde zin: Feteris 2002, p. 217-218, die eveneens wijst op de zelfstandige beoordeling door de rechter. Vanwege de initiële oplegging van de boete door de inspecteur onderkent hij wel een zeker verdedigingsbelang bij de boeteling (bij mededeling van ook de hoogte), maar gelet op de volledige rechterlijke toetsing betwijfelt hij of er sprake kan zijn van strijd met art. 6 lid 3 onder a EVRM.
De onderbouwing van de strafmaat valt niet onder de mededelingsplicht. Het gaat immers om de kennisgeving van de beschuldiging en niet van de op te leggen straf.1 De mededelingsplicht bestrijkt alleen de centrale stellingen.2 Strafverzwarende of strafverminderende omstandigheden zijn daarentegen perifere stellingen, die de aard en reden van de beschuldiging niet raken. Voor de fiscale bestuurlijke boete betekent dit, dat de inspecteur niet uiterlijk ten tijde van de boeteoplegging hoeft te motiveren op welke gronden hij de hoogte van de boete precies heeft bepaald. Dat zou dus ook nog later kunnen, bijvoorbeeld in bezwaar of in beroep. De Hoge Raad heeft in lijn hiermee overwogen dat de mededelingsplicht niet de motivering van de hoogte van de boete omvat. Zelfs wanneer de inspecteur pas na de mededeling van de centrale stellingen een beslissing neemt omtrent de precieze hoogte van de boete, levert dat volgens de Hoge Raad geen strijd op met het mededelingsvereiste.3 Ook het niet noemen van de toepasselijke bepalingen van het vigerende boetebeleid omtrent de maximale hoogte van de boete is daarmee niet strijdig.4
De tekst van art. 6 lid 3 onder a EVRM noch het achterliggende verdedigingsbelang verzetten zich tegen deze lijn. De tekst van art. 6 lid 3 onder a EVRM noemt de (maximale) hoogte van de straf immers niet: het gaat alleen om de aard en reden van de beschuldiging. Verder kan de opgelegde boete, zoals art. 6 EVRM vereist, worden voorgelegd aan de rechter, die de hoogte van de boete in volle omvang toetst (hetgeen eveneens in overeenstemming is met art. 6 EVRM).5 Par. 11 lid 1, tweede volzin BBBB lijkt evenwel van een ruimere opvatting uit te gaan: ook bijzondere (strafverzwarende of strafverminderende) omstandigheden moeten volgens die bepaling worden medegedeeld. Ik meen echter niet dat de mededelingsplicht wordt geschonden op de enkele grond dat de exacte hoogte van de boete ten tijde van de mededeling niet is onderbouwd en gemotiveerd.