Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.4.2
12.2.4.2 Toepassing van de inhoudelijke vereisten in de jurisprudentie
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940571:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 december 1990, BNB 1991/176, r.o. 4.9.4.
Hof Amsterdam 7 juli 2011, V-N 2011/44.4, NTFR 2011/1885, r.o. 3.2.1 en 3.2.2. Vgl. ook Hof Arnhem-Leeuwarden 19 november 2019, V-N 2020/10.18.5, r.o. 4.10 en 4.11.
De latere toelichting in het verweerschrift kon de inspecteur vanwege de fatale deadline niet meer baten, zie ook paragraaf 12.2.3 hiervoor. In dezelfde zin: Hof ’s-Hertogenbosch 1 februari 2018, V-N 2018/21.27.27, r.o. 4.10.
HR 23 december 1992, BNB 1993/96. De mededeling bestond uit een aankondigende brief, waarin in wezen slechts de aanleiding voor de navordering (een specificatie van de niet-aangegeven omzet) stond. Zie ook de noot van Scheltens bij dat arrest, die het Hofoordeel (de brief is onvoldoende) evenzeer lijkt te kunnen volgen.
HR 10 juni 1992, BNB 1993/17, V-N 1992, p. 1872. Het Hof had geoordeeld dat aan de mededelingsplicht was voldaan op basis van de inhoud van een gesprek tussen belastingplichtige en inspecteur. Uit het gesprek werd echter niet duidelijk welk verwijt er precies werd gemaakt (opzet of grove schuld) en waarop dat verwijt was gebaseerd.
In HR 23 december 1992, BNB 1993/96 zou dat de omstandigheid kunnen zijn dat de boeteling reeds had bekend fraude te hebben gepleegd. De redenering is dan: als je fraude hebt toegegeven, heb je ook opzet bekend en kan een mededeling daarvan achterwege blijven.
Vgl. voorts Hof Den Haag 18 juni 1992, FED 1992/630, waarin de boete werd vernietigd omdat onvoldoende kwam vast te staan dat er een adequate mededeling was gedaan tijdens het controlegesprek.
Feteris 2002, p. 214.
Zie paragraaf 12.2.5.1 hierna.
Voor enkele voorbeelden uit de jurisprudentie: zie Feteris 2002, p. 214-215 (met name noot 65 en 66). Hij wijst er echter wel op dat een zeer sterk gefragmenteerde motivering de grens van het toelaatbare kan overschrijden; het mag voor de boeteling geen onoplosbare puzzel worden. Van Leijenhorst heeft voorts uit de jurisprudentie van de Hoge Raad afgeleid dat ook hetgeen de belastingplichtige al weet, medegedeeld moet worden (noot bij HR 5 september 2003, BNB 2003/349).
HR 8 februari 1995, BNB 1995/245, r.o. 3.4. Volgens het Hof moest de boeteling uit het gehanteerde boetepercentage (in casu 100 %) hebben begrepen dat de inspecteur hem opzet verweet. Dat oordeel was in cassatie onaantastbaar. Idem: HR 10 februari 1993, BNB 1993/138, r.o. 3.18-3.20. Naar mijn mening ging het Hof in de zaken die tot deze beide arresten hebben geleid, wel erg ver: het oordeel veronderstelt immers een tamelijk gedetailleerde kennis van het boeterecht, zoals de standaardpercentages uit het BBBB. Dat geldt temeer nu de wet slechts een strafmaximum geeft van 100 %, zonder dat daarbij de precieze schuldgradatie (opzet of grove schuld) van enige betekenis is (zie art. 67e en art. 67f AWR). Hof ’s-Hertogenbosch 1 februari 2018, V-N 2018/21.27.27, r.o. 4.10, achtte het mededelen van de juiste schuldgradatie(s) wél noodzakelijk.
HR 7 mei 2021, V-N 2021/21.19, BNB 2021/103, r.o. 2.3.1 (zulks in afwijking van A-G IJzerman, zie par. 5.17 en 5.18 van zijn Conclusie).
Zie daarover nader paragraaf 12.2.7.3 hierna.
Zie ook Rb Zeeland-West-Brabant 28 juni 2022, V-N 2022/42.8, waarin de wetsartikelen waren medegedeeld in de (concept-)controlerapporten (r.o. 4.9).
Haas (in zijn noot bij HR 7 mei 2021, BNB 2021/103, punt 3) en de Redactie Vakstudie-Nieuws (in de Aantekening bij HR 7 mei 2021, V-N 2021/21.19) leiden evenwel uit het arrest af dat de mededelingsplicht ook ziet op het vermelden van de boetebepaling. De Redactie Vakstudie-Nieuws leidde dat eerder ook al af uit de jurisprudentie van het EHRM (zie de Aantekening bij de Conclusie van A-G IJzerman in V-N 2020/24.17).
In de literatuur wordt verschillend gedacht over de vraag of het toepasselijke wetsartikel moet worden medegedeeld. Wattel (zie zijn noot bij HR 10 juni 1992, FED 1992/669, punt 1) en A-G IJzerman (zie zijn Conclusie voor HR 7 mei 2021, V-N 2021/21.19, BNB 2021/103, par. 5.17 en 5.18) menen van wel, Feteris (Feteris 2007, p. 369) en Haas (noot bij HR 7 mei 2021, BNB 2021/103, punt 6) menen van niet.
Aldus: Hof ’s-Hertogenbosch 30 december 2010, NTFR 2011/422.
Zie Hof Den Haag 20 maart 1992, V-N 1992, p. 2072.
Zie over laatstgenoemde bepaling nader paragraaf 5.1.1.4.2 en over de samenloop nader paragraaf 14.4.4.3.5.
HR 7 mei 2021, V-N 2021/21.19, BNB 2021/103, r.o. 2.3.2 e.v.. Zie voor een vrijwel identiek geval Hof ’s-Hertogenbosch 19 november 2021, V-N 2022/18.14 (r.o. 4.2-4.4) en de bijbehorende toelichting van de Staatssecretaris van Financiën in V-N 2022/21.22. Zie voorts Rb Gelderland 25 oktober 2021, V-N 2021/55.21, waarin (alleen) een boete ex art. 10a AWR was aangekondigd maar volgens de boetebeschikking (alleen) een boete ex art. 67f AWR was opgelegd. De rechtbank liet in het midden welke gevolgen hieraan moesten worden verbonden en vernietigde de boete op andere gronden (r.o. 12 e.v.). Ook in Hof ’s-Hertogenbosch 16 maart 2022, V-N 2022/33.15 was op de beschikking louter een art. 67f-boete vermeld terwijl er alleen een art. 10a-boete was aangekondigd. Het Hof concludeerde dat er alleen een art. 67f-boete was opgelegd.
Zie hetgeen de Hoge Raad voorop stelde in HR 7 mei 2021, V-N 2021/21.19, BNB 2021/103, r.o. 2.3.1.
In dezelfde zin: Haas in zijn noot bij HR 7 mei 2021, BNB 2021/103, punt 6. Zie in dit kader ook EHRM 10 februari 1995 (Gea Catalán), nr. 19160/91 (m.n. par. 29), waarin door een typefout een verkeerd artikellid in de aanklacht was vermeld, maar art. 6 lid 3 onder a EVRM niet was geschonden omdat toepassing van het (onjuiste) artikellid absurd en onlogisch zou zijn geweest.
HR 21 april 1993, BNB 1993/186, HR 20 december 1995, BNB 1996/74, HR 19 februari 2021, V-N 2021/11.22.6 (art. 81 Wet RO). Ik teken hierbij aan dat het de belasting- of inhoudingsplichtige doorgaans duidelijk is op welk tijdvak de boete betrekking heeft, omdat de boete vrijwel altijd tegelijk met de aanslag wordt opgelegd, en als zodanig op het aanslagbiljet wordt vermeld. Zie voor een fraai voorbeeld van hoe het ook kan: Rb Zeeland-West-Brabant 20 maart 2020, FutD 2020-1115 (de mededeling – die in de berechte casus overigens niet ter discussie stond – staat vermeld in r.o. 2.2).
HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, r.o. 3.4.4.
HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, r.o. 3.2.1. Zie daarover nader paragraaf 15.2.1.
Zie paragraaf 12.2.4.4 hierna.
De vraag wanneer er in voldoende mate is voldaan aan de inhoudelijke voorwaarden van de mededelingsplicht is niet eenduidig te beantwoorden. Aan de sterk casuïstische jurisprudentie kunnen niettemin enkele richtlijnen worden ontleend.
De enkele vermelding van het bedrag van de opgelegde boete op het aanslagbiljet is in ieder geval onvoldoende.1 Ook voldoet de mededeling niet aan de inhoudelijke vereisten als de inspecteur in wezen slechts de geconstateerde feiten herhaalt die tot de aanslagoplegging hebben geleid, onder een toevoeging in de trant van: ‘Na afweging van alle feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er in dit geval sprake is van slordigheid/nalatigheid (de juridische term hiervoor is ‘grove schuld’)’.2 De enkele vermelding dát er volgens de inspecteur sprake is van grove schuld (de aard van de beschuldiging) is onvoldoende. Ook de feiten en omstandigheden op grond waarvan de inspecteur grove schuld aanneemt (de reden voor dat verwijt), moeten worden medegedeeld. De inspecteur had dus in bijzonderheden moeten mededelen welk handelen of nalaten hij precies als de slordigheid/nalatigheid van de belastingplichtige had aangemerkt, en waarom die slordigheid/nalatigheid voldoende ernstig was om in het onderhavige geval te kwalificeren als grove schuld.3
De jurisprudentie van de Hoge Raad is tamelijk grillig. Ogenschijnlijk magere mededelingen zijn nu eens als voldoende beoordeeld,4 dan weer konden zij de toets der kritiek niet doorstaan.5 De Hoge Raad lijkt mee te wegen of en in hoeverre de boeteling door andere omstandigheden dan de formele mededeling heeft kunnen begrijpen welk verwijt hem werd gemaakt.6 Deze benadering, die de inhoud van de formele mededeling in samenhang beziet met andere uitlatingen die de vervolgende instantie eerder heeft gedaan,7 is in lijn met de jurisprudentie van het EHRM.8 De vraag of gelet op alle omstandigheden van het geval een adequate mededeling is gedaan, is naar zijn aard sterk feitelijk. De Hoge Raad neemt als uitgangspunt dat de vorm waarin aan de mededelingsplicht wordt voldaan, niet doorslaggevend is.9 De mededeling kan dus ook plaatsvinden doordat bij verschillende gelegenheden (besprekingen, correspondentie, telefoongesprekken) duidelijk is gemaakt dat en op welke gronden er een boete zal worden opgelegd. Essentieel is of de gedane mededelingen bij elkaar opgeteld voldoende duidelijk en specifiek zijn geweest.10
In het verlengde hiervan levert de enkele omstandigheid dat de volgens de inspecteur toepasselijke schuldgradatie (bijvoorbeeld opzet) niet als zodanig in de mededeling is vermeld, niet op voorhand een schending van de mededelingsplicht op.11
Iets vergelijkbaars geldt naar mijn opvatting voor het noemen van het toepasselijke wetsartikel dat het beboetbare feit omschrijft. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het ontbreken van het wetsartikel in de boetebeschikking zelf niet fataal is.12 Bij dat oordeel nam de Hoge Raad als uitgangspunt dat de aan de beschikking voorafgaande mededeling (in casu: een boeterapport ex art. 5:48 Awb13) de boetebepaling wél bevat.14 Hoe het zit als ook in een dergelijke mededeling de boetebepaling ontbreekt, is nog onzeker.15 Naar mijn mening hoeft de boete niet te vervallen om de enkele reden dat de inspecteur het wetsartikel (helemaal) niet heeft medegedeeld16 of dat hij in zijn boetemotivering verwijst naar een onjuist wetsartikel.17 Een ontbrekend of onjuist wetsartikel kan er, in combinatie met andere feiten en omstandigheden, evenwel voor zorgen dat de mededeling ontoereikend is, vooral wanneer de boeteling mede daardoor een bepaalde richting is opgestuurd ter voorbereiding van zijn verdediging. Evenzo kan een wél genoemd, juist wetsartikel de mededeling – zeker bij verzuimboetes – versterken of zelfs completeren.18
Het ontbreken van het toepasselijke wetsartikel kan er in extremo zelfs toe leiden dat de (beoogde) boete in juridisch opzicht helemaal niet blijkt te zijn opgelegd. Een kras voorbeeld hiervan was aan de orde in een zaak waarin de inspecteur in het controlerapport twee boetes had aangekondigd van elk € 25.000, één op grond van art. 67f AWR en één op grond van art. 10a AWR.19 Op het aanslagbiljet stond vermeld dat ‘de boete’ van € 50.000 was gebaseerd op art. 67f AWR. De Hoge Raad oordeelde dat deze gang van zaken zich niet verdraagt met de vereiste duidelijkheid over de vraag op welke overtreding(en) en op welk(e) overtreden voorschrift(en) de boetebeschikking ziet. De onduidelijkheid moet vervolgens worden weggenomen door alleen betekenis toe te kennen aan de vermelding op het aanslagbiljet. De conclusie was dus dat er feitelijk nooit een boete op grond van art. 10a AWR was opgelegd.20
Waar het bij dit soort kwesties (het gebruik van de juiste juridische termen of wetsartikelen) naar mijn mening om gaat, is het achterliggende belang van een adequate verdediging.21 Het enkele benoemen van de toepasselijke schuldgradatie (het etiket ‘opzet’ of ‘grove schuld’) en het toepasselijke wetsartikel is in dat licht weliswaar nuttig, maar niet strikt noodzakelijk voor de boeteling om te kunnen begrijpen welk verwijt hem wordt gemaakt.22 Onduidelijkheden daarover komen echter wel voor rekening van de inspecteur.
Bij verzuimboetes is de omschrijving van het beboetbare feit summier, aangezien geen schuldverband is vereist. Bovendien is de omschrijving van het kale beboetbare feit doorgaans eenvoudig van aard (denk bijvoorbeeld aan het niet tijdig voldoen of afdragen van belasting op aangifte). Dientengevolge kan ook de inhoud van de mededeling summier en eenvoudig blijven: de tekst ‘naheffingsaanslag wegens niet (volledige) betaling op aangifte’, met vermelding van het bedrag van de boete en vermelding van de wettelijke boetebepaling kan voldoende zijn om de gronden waarop de verzuimboete berust, tijdig en in bijzonderheden aan belanghebbende te hebben medegedeeld.23
Ten slotte is nog van belang om te vermelden dat de enkele omstandigheid dat (het aanslagbiljet met daarop) de boetebeschikking niet of niet op de juiste wijze is bekendgemaakt, geen grond is voor vernietiging. Ook is de boetebeschikking dan niet van rechtswege nietig.24 Voldoende voor het bestaan van een boete is dus dat de boete in juridische zin is opgelegd (door het geven van een boetebeschikking).25 Als evenwel komt vast te staan dat een rechtsgeldige mededeling ontbreekt, moet (ook) een dergelijke, niet of niet correct bekendgemaakte boete komen te vervallen.26 In feite is de mededeling dus belangrijker dan de boetebeschikking zelf.