Gerechtshof Amsterdam (ondernemingskamer) 24 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:280.
HR, 10-04-2026, nr. 25/01580
ECLI:NL:HR:2026:592
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-04-2026
- Zaaknummer
25/01580
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:592, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑04‑2026; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2025:280
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1334
ECLI:NL:PHR:2025:1334, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:592
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑04‑2025
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Ondernemingsrechtpraktijk 2026/127
Uitspraak 10‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Ondernemingsrecht. Enquêteprocedure. Art. 2:239 BW. Tegenstrijdig belang. Is het aan desbetreffende bestuurder zelf of aan overige bestuurders om te beslissen of zich tegenstrijdig belang voordoet dat in weg staat aan deelname aan beraadslaging en besluitvorming?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01580
Datum 10 april 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
1. [verzoeker 1],
wonende te [woonplaats], Turkije,
2. [verzoeker 2],
wonende te [woonplaats], Turkije,
3. [verzoekster 3] A.S.,
gevestigd te [vestigingsplaats], Turkije,
VERZOEKERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [verzoekers],
advocaten: J.W.H. van Wijk en J.W. de Jong,
tegen
GETIR B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
hierna: Getir,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: B.M.H. Fleuren en R.A. González Nicolás,
en tegen
1. MC MANAGEMENT 12 RSC LIMITED,
gevestigd te Abu Dhabi, Verenigde Arabische Emiraten,
2. MIC CAPITAL MANAGEMENT 39 RSC LIMITED,
gevestigd te Abu Dhabi, Verenigde Arabische Emiraten,
3. MIC CAPITAL MANAGEMENT 68 RSC LIMITED,
gevestigd te Abu Dhabi, Verenigde Arabische Emiraten,
hierna gezamenlijk: Mubadala,
4. G SQUARED VI HOLDCO, LLC,
gevestigd te Delaware, Verenigde Staten van Amerika,
5. G SQUARED B.I.G. LLC,
gevestigd te Delaware, Verenigde Staten van Amerika,
6. G SQUARED OPPURTUNITIES ICAV,
gevestigd te Dublin, Ierland,
7. G SQUARED V, LP,
gevestigd te Delaware, Verenigde Staten van Amerika,
8. G SQUARED V, LP en G SQUARD V SCSP,
gevestigd te Munsbach, Luxemburg,
hierna gezamenlijk: G Squared,
BELANGHEBBENDEN in cassatie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing in de zaak 200.349.885/01 OK van de ondernemeningskamer van het gerechtshof Amsterdam van 24 januari 2025.
[verzoekers] hebben tegen de beslissing van de ondernemingskamer beroep in cassatie ingesteld.
Getir heeft een verweerschrift ingediend.
Mubadala en G Squared hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van [verzoekers] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze enquêteprocedure is in cassatie de vraag aan de orde of het aan een bestuurder van een vennootschap is overgelaten om te beoordelen of hij is belast met een tegenstrijdig belang dat in de weg staat aan zijn deelname aan beraadslaging en besluitvorming door het bestuur, dan wel of het aan de overige bestuurders is om daarover te beslissen.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Getir is een houdstermaatschappij van een internationale groep van vennootschappen met Turkse wortels.
(ii) [verzoekers] zijn de oprichters van Getir en houden circa 21% van de aandelen. Mubadala is veruit de grootste financier van Getir en houdt circa 29% van de aandelen. G Squared heeft krediet verstrekt aan Getir.
(iii) Op verzoek van Mubadala is E.T. Christensen benoemd als (mede)bestuurder van Getir.
(iv) In juni 2024 heeft Mubadala een aanvullend krediet verstrekt van USD 250 miljoen. [verzoeker 1] is teruggetreden als CEO en samen met zijn zoon [de zoon] en [verzoeker 2] benoemd tot niet uitvoerende bestuurder ([verzoeker 1], [de zoon] en [verzoeker 2] worden hierna gezamenlijk ook aangeduid als: de Founder-bestuurders). Op voordracht van G Squared en Mubadala zijn twee andere niet uitvoerende bestuurders benoemd.
(v) Tegelijkertijd zijn partijen een Term Sheet overeengekomen waarin zij onder meer hebben opgenomen dat op nader uit te werken voorwaarden een zogenoemde Hive-Out zou plaatsvinden waarbij de kern-onderneming van Getir in Turkije tegen kwijtschelding van de schulden aan Mubadala zou worden toebedeeld en [verzoekers] de aandelen zouden verkrijgen in de andere – deels verlieslatende – dochterondernemingen van Getir, waaronder Getir Finance.
(vi) In juli 2024 is [betrokkene 1] benoemd als onafhankelijke uitvoerende bestuurder.
(vii) Mubadala en [verzoekers] zijn het uiteindelijk niet eens geworden over de voorwaarden van de Hive-Out. Intussen verslechterde de financiële toestand van Getir. In december 2024 bleek dat ondanks het in juni 2024 verstrekte krediet van USD 250 miljoen, per januari 2025 een tekort zou ontstaan dat nadien steeds verder zou oplopen. Mubadala had inmiddels ruim USD 450 miljoen aan krediet verstrekt, waarvan USD 350 miljoen direct opeisbaar was.
(viii) Op 30 december 2024 heeft Mubadala aan [verzoekers] geschreven dat duidelijk is dat er geen uitvoering meer gegeven kan worden aan de Term Sheet en dat zij niet bereid is verdere financiering te verstrekken. Mubadala heeft [verzoekers] een binnen 24 uur te accepteren Final Offer gedaan, dat erop neerkomt dat [verzoekers] ermee instemmen dat alle door Getir gehouden aandelen in Getir Turkije en haar (andere) dochterondernemingen worden overgedragen aan Mubadala tegen kwijtschelding van de schulden uit hoofde van de aan Getir verstrekte kredieten en leningen, waarbij [verzoekers] onder omstandigheden gerechtigd zullen zijn tot een aandeel in een eventuele toekomstige waarde van delen van de groep. Tegelijkertijd heeft Mubadala aan het bestuur van Getir geschreven dat indien [verzoekers] het Final Offer niet accepteren, zij met Getir tot een Settlement (hierna ook: de transactie) wenst te komen waarbij alle door Getir gehouden aandelen in Getir Turkije en haar (andere) dochterondernemingen worden overgedragen aan Mubadala tegen kwijtschelding van de schulden uit hoofde van de aan Getir verstrekte kredieten en leningen en waarbij Mubadala voor de afwikkeling van haar activiteiten aan Getir een aanvullend krediet zal verstrekken van USD 10 miljoen.
(ix) Op 31 december 2024 heeft een bestuursvergadering van Getir plaatsgevonden. Daarin is besproken dat [verzoekers] het Final Offer niet accepteerden, maar dat zij vasthielden aan de nakoming van de afspraken in de Term Sheet. Verder is besproken dat uit de cashflow forecast bleek dat, zelfs indien Mubadala bereid zou zijn de laatste tranche van USD 14,3 miljoen van het in juni 2024 verstrekte krediet uit te betalen, per 31 januari 2025 een financieringstekort zou ontstaan dat zou oplopen tot USD 58 miljoen per half maart 2025. De uitvoerende bestuurders van Getir hebben laten weten dat zij onder deze omstandigheden zouden moeten afwegen om al dan niet met Mubadala tot een transactie te komen en dat daarbij zowel de op voordracht van Mubadala en G Squared benoemde niet uitvoerende bestuurders, als de zijdens [verzoekers] benoemde niet uitvoerende bestuurders een tegenstrijdig belang hadden en daarom niet aan de desbetreffende beraadslaging en besluitvorming van het bestuur zouden mogen deelnemen. Mubadala heeft laten weten dat zij slechts bereid zou zijn de laatste tranche van USD 14,3 miljoen uit te betalen indien de zoons van [verzoeker 1] zouden worden ontslagen als bestuurders van Getir Turkije.
(x) Op 7 januari 2025 hebben de uitvoerende bestuurders van Getir besloten de zoons van [verzoeker 1] te ontslaan als bestuurders van Getir Turkije. De uitvoerende bestuurders hebben uitonderhandeld dat Mubadala aan Getir een krediet zou verstrekken van USD 50 miljoen in plaats van USD 10 miljoen om buiten faillissement tot een afwikkeling van haar activiteiten te kunnen komen. Op 10 januari 2025 hebben de uitvoerende bestuurders besloten om onder die voorwaarde in te stemmen met de door Mubadala voorgestelde transactie. De niet uitvoerende bestuurders zijn op 11 januari 2025 van het schriftelijk toegelichte bestuursbesluit op de hoogte gesteld met het verzoek daarmee in te stemmen, hetgeen [verzoekers] niet hebben gedaan.
(xi) De besluiten van 7 en 10 januari 2025 zijn conform de in de statuten van Getir en de aandeelhoudersovereenkomst voorziene procedure op 19 januari 2025 ter goedkeuring voorgelegd aan een buitengewone algemene vergadering van (preferente) aandeelhouders. In die vergadering(en) was ruim 90% van de stemgerechtigde aandeelhouders vertegenwoordigd. De besluiten zijn goedgekeurd met ruim 59% van de stemmen in de algemene vergadering en ruim 67% van de stemmen in de vergadering van preferente aandeelhouders.
2.3
In deze procedure hebben [verzoekers] de ondernemingskamer kort gezegd verzocht een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van Getir over de periode vanaf 1 juli 2023 en als onmiddellijke voorzieningen:
a. het bestuur van Getir te gebieden om de bijzondere algemene vergadering(en) van 19 januari 2025 in te trekken, althans het houden daarvan te verbieden;
b. het bestuur van Getir te verbieden om uitvoering te geven aan de (pretense) besluiten ter zake van de transactie en/of de vervanging van het bestuur van Getir Turkije;
c. het stemrecht van Mubadala als (gewoon en preferent) aandeelhouder te schorsen ter zake van alle genomen en nog te nemen besluiten over de onder b genoemde onderwerpen;
d. de uitvoerende bestuurders van Getir te gebieden om de niet uitvoerende Founder-bestuurders te betrekken bij ieder toekomstig voorstel tot besluitvorming over de onder b genoemde onderwerpen;
e. of een andere voorziening te treffen die de ondernemingskamer juist acht.
2.4
Bij mondelinge uitspraak1.van 24 januari 2025 heeft de ondernemingskamer het verzoek van [verzoekers] afgewezen. Voor zover in cassatie van belang heeft de ondernemingskamer daartoe het volgende overwogen:
“De Ondernemingskamer is van oordeel dat de Founder-bestuurders in dit geval een tegenstrijdig belang hadden bij de totstandkoming van de besluiten van 7 en 10 januari 2025. [verzoekers] waren partij bij de Term Sheet van juni 2024 en met de daarin overeengekomen Hive-Out zou een aanzienlijk deel van de door Getir gehouden aandelen in haar dochtervennootschappen, waaronder Getir Finance aan hen worden toebedeeld. De Founder-bestuurders hadden daarom ook persoonlijk een belang bij de nakoming van de in de Term Sheet gemaakte afspraken. Met de door Mubadala op 30 december 2024 aan [verzoekers] en Getir verzonden brieven was duidelijk geworden dat nakoming van de Term Sheet niet meer mogelijk zou zijn, als de door Mubadala voorgestelde transactie met de daaraan verbonden voorwaarden – waaronder het ontslag van de zoons van [verzoeker 1] als bestuurders van Getir Turkije – door Getir zou worden aanvaard. Bij die stand van zaken hadden de Founder-bestuurders er dus een persoonlijk belang bij dat Getir de door Mubadala aangeboden transactie niet zou aanvaarden. Onder die omstandigheden kon in redelijkheid worden betwijfeld dat de Founder-bestuurders zich bij de besluitvorming daarover uitsluitend zouden laten leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming. De uitvoerende bestuurders hebben zich dan ook op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat de Founder-bestuurders niet deel zouden mogen nemen aan de beraadslaging en besluitvorming over het al dan niet aanvaarden van de door Mubadala aangeboden transactie. Zij hebben dit op 31 december 2024 ook uitdrukkelijk met de Founder-bestuurders besproken. Het kan dan ook geen verrassing voor de Founder-bestuurders zijn geweest dat de besluiten van 7 januari 2025 en 10 januari 2025 buiten hun aanwezigheid door de uitvoerende bestuurders zijn genomen.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1.1 van het middel klaagt onder meer dat de ondernemingskamer in haar hiervoor in 2.4 aangehaalde overweging heeft miskend dat het – bij gebreke van een andersluidende (statutaire) regeling – (in beginsel) aan de bestuurder met een mogelijk tegenstrijdig belang is om te beslissen of hij aan de besluitvorming kan deelnemen. Indien daarover een verschil van inzicht bestaat dat niet in overleg kan worden opgelost, dient de rechter, zo nodig in kort geding, te beslissen en het ligt dan voor de hand dat de bestuurders die collega-bestuurders van de besluitvorming willen uitsluiten, zich tot de rechter wenden, aldus het onderdeel.
3.2.1
Art. 2:239 leden 5 en 6 BW bepalen het volgende over tegenstrijdig belang van bestuurders van een besloten vennootschap:
5. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
6. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 5. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.
3.2.2
Een bestuurder heeft een tegenstrijdig belang in de zin van art. 2:239 lid 6 BW indien hij te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.2.De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat, kan slechts worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval.
3.2.3
De wet bevat geen nadere regeling over de melding en vaststelling van een tegenstrijdig belang. In een geval als dit, waarin het bestuur uit meerdere personen bestaat en de vennootschap geen raad van commissarissen heeft, ligt het op de weg van de bestuurder met een mogelijk tegenstrijdig belang om een zo groot mogelijke openheid te betrachten en dit mogelijke tegenstrijdige belang te melden aan zijn medebestuurders.3.Het is dan, in geval van verschil van inzicht daarover, niet aan de betrokken bestuurder zelf, maar aan de andere bestuurders, om te beslissen of de betrokken bestuurder daadwerkelijk een tegenstrijdig belang heeft en daarom niet behoort deel te nemen aan de beraadslaging en besluitvorming over het desbetreffende onderwerp. Dat geldt ook indien de betrokken bestuurder aan zijn medebestuurders geen melding heeft gedaan van zijn mogelijke tegenstrijdige belang.
Indien de andere bestuurders oordelen dat de betrokken bestuurder wegens een tegenstrijdig belang niet aan de beraadslaging en besluitvorming behoort deel te nemen, dienen zij ervoor zorg te dragen dat de betrokken bestuurder ook daadwerkelijk niet aan de beraadslaging en besluitvorming over het desbetreffende onderwerp deelneemt.
3.2.4
Uit hetgeen hiervoor in 3.2.3 is overwogen, volgt dat de hiervoor in 3.1 weergegeven klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting en dus faalt.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [verzoekers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Getir begroot op € 905,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verzoekers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan en aan de zijde van Mubadala en G Squared begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 10 april 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑04‑2026
Vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033 (Bruil), rov. 3.4, Kamerstukken II 2008/09, 31763, nr. 3, p. 12 en Kamerstukken II 2008/09, 31763, nr. 6, p. 19.
Vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31763, nr. 6, p. 20 en 21.
Conclusie 05‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Ondernemingsrecht. Enquêteprocedure, eerste fase. Verzoeken afgewezen. Toepassing van art. 2:239 lid 6 BW (tegenstrijdig belang). Naar de aard vermogensrechtelijk geschil.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01580
Zitting 5 december 2025
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
1. [verzoeker 1]
2. [verzoeker 2]
3. [verzoekster 3] A.S.
tegen
1. Getir B.V.
2. MC Management 12 RSC Limited
3. MIC Capital Management 39 RSC Limited
4. MIC Capital Management 68 RSC Limited
5. G Squared VI Holdco, LLC
6. G Squared B.I.G. LLC
7. G Squared Opportunities ICAV
8. G Squared V, LP
9. G Squared V, LP en G Squared V SCSP
Verzoeker 1 wordt hierna verkort aangeduid als [verzoeker 1]. Verzoekers gezamenlijk (in mannelijk enkelvoud) als [verzoeker] Verweerster 1 als Getir. Verweersters 2 t/m 4 gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) als Mubadala. En verweersters 5 t/m 9 gezamenlijk als G Squared.
Inleiding
Deze zaak betreft een enquêteprocedure (eerste fase), waarin de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de OK) de verzoeken van [verzoeker] heeft afgewezen. Daartegen komt hij in cassatie op. Ik meen dat de klachten falen.
1. Feiten
1.1
De OK heeft mondeling uitspraak gedaan ter terechtzitting van 24 januari 2025. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, met de schriftelijke uitwerking van de beslissing (hierna: het proces-verbaal). De feitelijke achtergrond van deze zaak is uiteengezet op p. 4-6 van het proces-verbaal.1.Dit behelst het volgende.
1.2
Getir is een in Nederland gevestigde houdstermaatschappij van een internationale groep van vennootschappen met Turkse wortels. [verzoeker] is de oprichter (“Founders”) van Getir en houdt circa 21% van de aandelen. Mubadala is veruit de grootste financier van Getir en houdt circa 29% van de aandelen. Nadat Getir een zeer snelle groei had doorgemaakt, is zij in 2023 in toenemende mate in financiële problemen gekomen. In maart 2024 heeft Mubadala Getir een krediet verstrekt van USD 30 miljoen. In april 2024 hebben Mubadala en G Squared een krediet verstrekt van respectievelijk USD 50 miljoen en USD 20 miljoen. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), van AlixPartners, is op verzoek van Mubadala benoemd als (mede)bestuurder van Getir. In juni 2024 heeft Mubadala tegen verpanding van de aandelen in Getir Turkije een aanvullend krediet verstrekt van USD 250 miljoen, waarbij de Founders afstand hebben gedaan van hun overwegende zeggenschap in de algemene vergadering van Getir. Partijen hebben een aandeelhoudersovereenkomst gesloten en de statuten van Getir zijn gewijzigd. [betrokkene 1] is benoemd tot uitvoerend bestuurder van Getir, [verzoeker 1] is teruggetreden als CEO en samen met zijn zoon [betrokkene 2] en [verzoeker 2] benoemd tot niet uitvoerend bestuurder. Op voordracht van G Squared en Mubadala zijn twee andere niet uitvoerend bestuurders benoemd. Tegelijkertijd zijn partijen een Term Sheet overeengekomen waarin zij onder meer hebben opgenomen dat op nader uit te werken voorwaarden een Hive-Out zou plaatsvinden waarbij de kern-onderneming van Getir in Turkije tegen kwijtschelding van de schulden aan Mubadala zou worden toebedeeld en [verzoeker] de aandelen zou verkrijgen in de andere - deels verlieslatende - dochterondernemingen van Getir, waaronder Getir Finance. In juli 2024 is [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) benoemd als onafhankelijke uitvoerend bestuurder.
1.3
Mubadala en [verzoeker] zijn het uiteindelijk niet eens geworden over de definitieve voorwaarden van de Hive-Out. Ondertussen verslechterde de financiële toestand van Getir. In december 2024 bleek uit de wekelijks met het bestuur gedeelde cashflow forecasts dat ondanks het in juni 2024 verstrekte krediet van USD 250 miljoen, per januari 2025 een tekort zou ontstaan dat nadien steeds verder zou oplopen. Mubadala had inmiddels ruim USD 450 miljoen aan krediet verstrekt, waarvan USD 350 miljoen direct opeisbaar was. In het op 31 december 2024 gepubliceerde jaarverslag van Getir is vermeld dat indien geen nieuwe financiering wordt aangetrokken dit kan betekenen dat de Getir-groep begin 2025 gedwongen zal zijn haar activiteiten te staken.
1.4
Bij brief van 30 december 2024 heeft Mubadala aan [verzoeker] geschreven dat duidelijk is dat er geen uitvoering meer gegeven kan worden aan de Term Sheet en dat zij niet bereid is verdere financiering te verstrekken. Mubadala doet [verzoeker] een binnen 24 uur te accepteren Final Offer dat erop neerkomt dat [verzoeker] ermee instemt dat alle door Getir gehouden aandelen in Getir Turkije en haar (andere) dochterondernemingen worden overgedragen aan Mubadala tegen kwijtschelding van de schulden uit hoofde van de aan Getir verstrekte kredieten en leningen, waarbij [verzoeker] onder omstandigheden gerechtigd zal zijn tot een aandeel in een eventuele toekomstige waarde van delen van de groep. Tegelijkertijd heeft Mubadala aan het bestuur van Getir geschreven dat indien [verzoeker] het Final Offer niet accepteert, zij met Getir tot een Settlement (hierna ook: de transactie) wenst te komen waarbij kort gezegd alle door Getir gehouden aandelen in Getir Turkije en haar (andere) dochterondernemingen worden overgedragen aan Mubadala tegen kwijtschelding van de schulden uit hoofde van de aan Getir verstrekte kredieten en leningen en waarbij Mubadala voor de afwikkeling van haar activiteiten aan Getir een aanvullend krediet zal verstrekken van USD 10 miljoen.
1.5
Op 31 december 2024 heeft een bestuursvergadering van Getir plaatsgevonden. Daarbij is besproken dat [verzoeker] het Final Offer niet zou accepteren, maar dat hij vasthield aan de nakoming van de afspraken in de Term Sheet. Verder is besproken dat uit de cashflow forecast bleek dat, zelfs indien Mubadala bereid zou zijn de laatste tranche van USD 14,3 miljoen van het in juni 2024 verstrekte krediet uit te betalen, per 31 januari 2025 een financieringstekort zou ontstaan dat zou oplopen tot USD 58 miljoen per half maart 2025. De uitvoerend bestuurders van Getir hebben laten weten dat zij onder deze omstandigheden zouden moeten afwegen om al dan niet met Mubadala tot een transactie te komen en dat daarbij zowel de op voordracht van Mubadala en G Squared benoemde niet uitvoerend bestuurders, als de zijdens [verzoeker] benoemde niet uitvoerend bestuurders een tegenstrijdig belang hadden en daarom niet aan de desbetreffende beraadslaging en besluitvorming van het bestuur zouden mogen deelnemen. Mubadala heeft laten weten dat zij slechts bereid zou zijn de laatste tranche van USD 14,3 miljoen uit te betalen indien de zoons van [verzoeker 1] zouden worden ontslagen als bestuurders van Getir Turkije.
1.6
Op 7 januari 2025 hebben de uitvoerend bestuurders van Getir besloten de zoons van [verzoeker 1] te ontslaan als bestuurders van Getir Turkije. De uitvoerend bestuurders hebben uitonderhandeld dat Mubadala aan Getir een krediet zou verstrekken van USD 50 miljoen in plaats van USD 10 miljoen om buiten faillissement tot een afwikkeling van haar activiteiten te kunnen komen. Op 10 januari 2025 hebben de uitvoerend bestuurders besloten om onder die voorwaarde in te stemmen met de door Mubadala voorgestelde transactie. De niet uitvoerend bestuurders zijn op 11 januari 2025 van het schriftelijk toegelichte bestuursbesluit op de hoogte gesteld met het verzoek daarmee in te stemmen, hetgeen [verzoeker] niet heeft gedaan. De besluiten van 7 en 10 januari 2025 zijn conform de in de statuten van Getir en de aandeelhoudersovereenkomst voorziene procedure op 19 januari 2025 ter goedkeuring voorgelegd aan een buitengewone algemene vergadering van (preferente) aandeelhouders. In die vergadering(en) was ruim 90% van de stemgerechtigde aandeelhouders vertegenwoordigd. De besluiten zijn goedgekeurd met ruim 59% van de stemmen in de algemene vergadering en ruim 67% van de stemmen in de vergadering van preferente aandeelhouders.
2. Procesverloop
In feitelijke instantie (bij de OK)
2.1
Bij verzoekschrift van 14 januari 2025 heeft [verzoeker] de OK verzocht, samengevat:
1. een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van en bij Getir over de periode vanaf 1 juli 2023 en daartoe een onderzoeker te benoemen;
2. als onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding:
a. het bestuur van Getir te gebieden om de bijzondere algemene vergadering(en) van 19 januari 2025 in te trekken, althans het houden daarvan te verbieden;
b. het bestuur van Getir te verbieden om uitvoering te geven aan de (pretense) besluiten ter zake van de transactie en/of de vervanging van het bestuur van Getir Turkije;
c. het stemrecht van Mubadala als (gewoon en preferent) aandeelhouder te schorsen ter zake van alle genomen en nog te nemen besluiten over de onder b genoemde onderwerpen;
d. de uitvoerend bestuurders van Getir te gebieden om de niet uitvoerend Founder-bestuurders te betrekken bij ieder toekomstig voorstel tot besluitvorming over de onder b genoemde onderwerpen;
e. of een andere voorziening te treffen die de OK juist acht;
3. Getir te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.2
Bij verweerschrift van 21 januari 2025 heeft Getir de OK verzocht om de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen en [verzoeker] te veroordelen in de kosten van de procedure. Bij voorwaardelijk tegenverzoek heeft Getir de OK verzocht (voor het geval het verzoek van [verzoeker] tot het gelasten van een onderzoek wordt toegewezen), samengevat:
1. ook een onderzoek te gelasten naar bepaalde gedragingen van [verzoeker 1] en [betrokkene 2] ;
2. bepaalde onmiddellijke voorzieningen te treffen in verband met die gedragingen;
3. [verzoeker] te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.3
Bij verweerschrift van 21 januari 2025 heeft Mubadala de OK verzocht om de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen en [verzoeker] te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.4
Bij verweerschrift van 23 januari 2025 heeft G Squared de OK hetzelfde verzocht als Mubadala.
2.5
Op 24 januari 2025 zijn de verzoeken ter terechtzitting bij de OK behandeld. De advocaten hebben de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen en onder overlegging van nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de OK beantwoord en inlichtingen verstrekt. Partijen hebben gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid te re-/dupliceren en de OK verzocht, gelet op de toestand van de onderneming, zo spoedig mogelijk uitspraak te doen. Na hervatting van de behandeling ter terechtzitting (die was geschorst door de voorzitter van de OK) heeft de voorzitter van de OK medegedeeld dat mondeling uitspraak zal worden gedaan. De schriftelijke uitwerking van de beslissing is vervat in het proces-verbaal. Dit behelst (vanaf p. 7) het volgende.
2.6
Het verzoek van [verzoeker] berust op drie gronden. (p. 7-8 van het proces-verbaal)
1. De besluiten van 7 en 10 januari 2025 zijn op onjuiste wijze tot stand gekomen en ongeldig, omdat deze besluiten zijn genomen door uitsluitend de uitvoerend bestuurders van Getir, terwijl:
a. ten onrechte is aangenomen dat de niet uitvoerend bestuurders [verzoeker 1] , [betrokkene 2] en [verzoeker 2] (de Founder-bestuurders) bij de besluiten een tegenstrijdig belang hadden;
b. miskend is dat de uitvoerend bestuurders daarbij zelf een tegenstrijdig belang hadden.
2. De besluiten van 7 en 10 januari 2025 zijn - zowel wat betreft de wijze van totstandkoming als naar de inhoud - strijdig met het bepaalde in art. 2:8 BW, omdat:
a. daarover jegens de Founder-bestuurders, tevens minderheidsaandeelhouders, onvoldoende transparantie is betracht;
b. niet voldoende is gebleken of toegelicht dat een noodzaak bestond dergelijke ingrijpende besluiten te nemen, er geen externe waardering van de over te dragen aandelen is gevraagd, de aandelen in met name Getir Finance aanzienlijk meer waard zijn dan de uitstaande schulden en deze overwaarde aan de aandeelhouders dient toe te komen;
c. de belangen van de minderheidsaandeelhouders aldus niet voldoende zijn meegewogen en zij met de besluiten onevenredig worden benadeeld.
3. De governance van Getir is gebrekkig, omdat Mubadala:
a. de aandeelhoudersvergadering en het bestuur van Getir domineert;
b. ten onrechte weigert om uitvoering te geven aan de Term Sheet;
c. ten koste van de andere aandeelhouders haar wensen aan Getir oplegt en uitsluitend eigen belangen dient.
2.7
De OK verwerpt de eerste grond. Zij zet dit als volgt uiteen. (p. 8-9 van het proces-verbaal)
Ten aanzien van de grond onder 1. wordt het volgende voorop gesteld. Artikel 2:239 lid 6 BW bepaalt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Daarvan is sprake indien de betrokken bestuurder, gelet op alle omstandigheden van het geval, te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming.2.
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de Founder-bestuurders in dit geval een tegenstrijdig belang hadden bij de totstandkoming van de besluiten van 7 en 10 januari 2025. [verzoeker] waren partij bij de Term Sheet van juni 2024 en met de daarin overeengekomen Hive-Out zou een aanzienlijk deel van de door Getir gehouden aandelen in haar dochtervennootschappen, waaronder Getir Finance aan hen worden toebedeeld. De Founder-bestuurders, hadden daarom ook persoonlijk een belang bij de nakoming van de in de Term Sheet gemaakte afspraken. Met de door Mubadala op 30 december 2024 aan [verzoeker] en Getir verzonden brieven was duidelijk geworden dat nakoming van de Term Sheet niet meer mogelijk zou zijn, als de door Mubadala voorgestelde transactie met de daaraan verbonden voorwaarden - waaronder het ontslag van de zoons van [verzoeker 1] als bestuurders van Getir Turkije - door Getir zou worden aanvaard. Bij die stand van zaken hadden de Founder-bestuurders er dus een persoonlijk belang bij dat Getir de door Mubadala aangeboden transactie niet zou aanvaarden. Onder die omstandigheden kon in redelijkheid worden betwijfeld dat de Founder-bestuurders zich bij de besluitvorming daarover uitsluitend zouden laten leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming. De uitvoerende bestuurders hebben zich dan ook op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat de Founder-bestuurders niet deel zouden mogen nemen aan de beraadslaging en besluitvorming over het al dan niet aanvaarden van de door Mubadala aangeboden transactie. Zij hebben dit op 31 december 2024 ook uitdrukkelijk met de Founder-bestuurders besproken. Het kan dan ook geen ve[r]rassing voor de Founder-bestuurders zijn geweest dat de besluiten van 7 januari 2025 en 10 januari 2025 buiten hun aanwezigheid door de uitvoerende bestuurders zijn genomen.
Dat, zoals [verzoeker] betogen, ook sprake zou zijn van een tegenstrijdig belang bij [betrokkene 1] is de Ondernemingskamer niet gebleken. Weliswaar is juist dat [betrokkene 1] op voorstel van Mubadala als bestuurder is benoemd, maar daaruit volgt nog niet dat hij zich bij de uitoefening van zijn functie met name door de belangen van Mubadala heeft laten leiden. [verzoeker] hebben niet gesteld dat [betrokkene 1] persoonlijk een belang zou hebben bij aanvaarding van de door Mubadala voorgestelde transactie door Getir. [betrokkene 1] is als herstructureringsdeskundige werkzaam voor AlixPartners, een gerenommeerde partij op dat gebied en in de met AlixPartners gesloten Engagement Letter is uitdrukkelijk opgenomen dat “AlixPartners’ sole duty of care under this agreement is to the Company as the client of AlixPartners”. [verzoeker] hebben destijds met de benoeming van [betrokkene 1] als bestuurder van Getir ingestemd en zij hebben zich daar tot voor kort ook niet tegen verzet. [verzoeker] hebben ook overigens geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat [betrokkene 1] zich desondanks bij zijn taakvervulling niet uitsluitend zou hebben laten leiden door de belangen van Getir en haar onderneming. Ten aanzien van [betrokkene 3] is zelfs niet gesteld waarom ook bij hem sprake zou zijn van een tegenstrijdig belang dat hem ervan had moeten weerhouden deel te nemen aan de beraadslaging en de besluitvorming in het bestuur van Getir over de door Mubadala voorgestelde transactie. De slotsom is dat de grond onder 1. geen doel treft.
2.8
De OK verwerpt ook de tweede grond. Zij zet dit als volgt uiteen. (p. 9-12 van het proces-verbaal)
Ten aanzien van de grond onder 2. wordt vooropgesteld dat bestuurders zich bij de vervulling van hun taak dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Bij haar besluitvorming komt het bestuur beoordelingsvrijheid toe. De Ondernemingskamer treedt in beginsel niet in de merites van bestuurlijke beslissingen wanneer daaraan een gedegen besluitvormingsproces ten grondslag ligt met een behoorlijke afweging van de voor- en nadelen.
In dit geval was de situatie begin 2025 bij de Getir-groep als volgt. Uit de door alle bestuursleden telkens ontvangen en juist bevonden liquiditeitsprognoses bleek dat zelfs indien Mubadala de laatste tranche van de in juni 2024 verstrekte lening zou uitbetalen, voor de Getir-groep per 7 februari 2025 een liquiditeitstekort zou ontstaan van USD 2,8 miljoen, dat zonder aanvullende financiering per 11 april 2025 zou zijn opgelopen tot USD 71,4 miljoen. Mubadala was niet gehouden nog aanvullende financiering te verstrekken en zij had op 31 december 2024 uitdrukkelijk laten weten dat zij daartoe niet bereid zou zijn indien de voorgestelde transactie en de daaraan gestelde voorwaarden niet door Getir werden aanvaard. De uitvoerende bestuurders hebben door [betrokkene 4] laten onderzoeken of elders nog financiering verkregen zou kunnen worden, hetgeen niet het geval bleek. Andere kredietvertrekkers waren daartoe niet bereid, de aandelen in Getir Turkije en andere dochtervennootschappen waren verpand aan Mubadala, een verkoop van het hoofdkantoor in Istanbul zou niet toereikend zijn en was niet binnen een aanvaardbare termijn te realiseren en dat gold ook voor een eventuele verkoop van een van de dochtervennootschappen, nog afgezien van het feit dat de aandelen waren verpand aan Mubadala, die een op ieder moment opeisbare vordering op Getir had van ruim USD 350 miljoen, plus rente, en daarnaast een converteerbare lening van USD 100 miljoen had verstrekt. Bij deze stand van zaken bestond er een alleszins reëel risico dat Mubadala haar vorderingen zou opeisen en dat Getir zou failleren, hetgeen vervolgens ook zou leiden tot het faillissement van Getir Turkije, die zich verbonden had tot nakoming van de schulden van Getir aan Mubadala.
Tegen deze achtergrond hebben de uitvoerende bestuurders AlixPartners verzocht om op basis van een executiescenario een inschatting te maken van de waarde van de door Getir gehouden belangen in haar dochterondernemingen, teneinde die waarde te kunnen afwegen tegen hetgeen daartegenover door Mubadala in het kader van de transactie werd aangeboden. De inschatting van AlixPartners was dat tegenover een totale schuldenpositie van Getir van USD 523 miljoen in een faillissementssituatie met de activa een waarde van ongeveer USD 63 miljoen kon worden gerealiseerd. Tegelijkertijd hebben de uitvoerende bestuurders op 7 januari 2025 besloten tot het door Mubadala gewenste ontslag van de zonen van [verzoeker 1] als bestuurders van Getir Turkije, om uitbetaling van de laatste tranche van de in juni 2024 verstrekte lening van USD 250 miljoen mogelijk te maken. Verder hebben de uitvoerende bestuurders zich ingespannen om de door Mubadala in het kader van de transactie toegezegde aanvullende financiering te verhogen van USD 10 miljoen naar USD 50 miljoen, en voor de overige aandeelhouders middels de AIT (Additional Investor Tranche) regeling de mogelijkheid open te houden dat zij tot een bedrag van USD 75 miljoen zouden kunnen mee-investeren in een eventueel nog door te starten onderneming.
In het licht van de hiervoor geschetste omstandigheden hebben de uitvoerende bestuurders van Getir op 10 januari 2025 besloten dat het in het belang van Getir en de met haar verbonden onderneming was om de door Mubadala voorgestelde transactie te aanvaarden. Uit het schriftelijk bestuursbesluit blijkt dat zij daarbij de voordelen van het aanvaarden van de transactie in kaart hebben gebracht waaronder het kwijtschelden van ruim USD 480 miljoen aan grotendeels opeisbare schulden, het verkrijgen van een aanvullende financiering van USD 50 miljoen, het voorkomen van een dreigend faillissement en de gevolgen daarvan voor de ruim 6500 werknemers en het te verwachten waardeverlies bij een gedwongen executie in een faillissementsscenario. Daarbij zijn meerdere alternatieve scenario’s overwogen waaronder het aangaan van een transactie met een derde partij en het proberen alsnog uitvoering te geven aan de Term Sheet, waarbij telkens de slotsom was dat geen van deze alternatieven een realistische kans van slagen had en hoogst waarschijnlijk zou leiden tot een faillissement. De uitvoerende bestuurders hebben verder geconstateerd dat het vanuit het perspectief van Getir geen verschil maakte of de aandelen in de dochtervennootschappen zouden worden overgedragen aan Mubadala en [verzoeker] op basis van de Term Sheet of dat deze op grond van de transactie alle overgedragen zouden worden aan Mubadala. Met het aangaan van de transactie zou evenwel voor Getir ook USD 50 miljoen aan aanvullende financiering beschikbaar komen, hetgeen een solvente afwikkeling van de onderneming mogelijk zou maken. Met inachtneming van dit alles hebben de uitvoerende bestuurders op 10 januari 2025 besloten dat er geen alternatieven voorhanden waren die een faillissement van Getir met het bijbehorende waardeverlies voor de schuldeisers zouden kunnen voorkomen en dat het derhalve in het belang van de vennootschap en haar onderneming was om de door Mubadala voorgestelde transactie te aanvaarden en zij hebben een daartoe strekkend voorstel op 19 januari 2025 ter goedkeuring aan de algemene vergadering van (preferente) aandeelhouders van Getir voorgelegd.
De Ondernemingskamer is gelet op het voorgaande van oordeel dat de uitvoerende bestuurders in redelijkheid tot de besluiten van 7 en 10 januari 2025 hebben kunnen komen. Uit de hiervoor geschetste gang van zaken blijkt dat zij zich zo goed mogelijk een beeld hebben gevormd van de verschillende alternatieve scenario’s die Getir in de gegeven omstandigheden nog ten dienste stonden. De uitvoerende bestuurders hebben deze alternatieven zorgvuldig afgewogen tegen de mogelijke voor- en nadelen van het aanvaarden van de voorgestelde transactie voor de continuïteit van de onderneming en daarbij zijn uitdrukkelijk ook de belangen van de werknemers, de schuldeiser[s] en de aandeelhouders van Getir meegewogen. De uitvoerende bestuurders zijn daarbij voldoende transparant geweest en hebben in het schriftelijke besluit en de toelichting voor de aandeelhoudersvergadering van 19 januari 2025 genoegzaam inzicht gegeven in de wijze waarop zij tot hun besluit zijn gekomen en op welke informatie zij zich daarbij hebben gebaseerd. Anders dan [verzoeker] menen zijn de belangen van de minderheidsaandeelhouders daarbij niet onnodig of onevenredig geschaad. De enkele opmerkingen zijdens [verzoeker] dat nog voldoende liquiditeitenvoorhanden waren en dat Mubadala het nooit op een faillissement zou hebben laten aankomen omdat zij daar zelf het meeste op zou verliezen, zijn daartoe volstrekt onvoldoende. Mubadala had ondubbelzinnig te kennen gegeven geen aanvullende financiering meer te zullen verschaffen en bij die stand van zaken was zonder de transactie een dreigend faillissement reëel. De uitvoerende bestuurders hadden daar uitdrukkelijk rekening mee te houden en zij konden niet volstaan met te hopen dat het zo’n vaart niet zou lopen.
De Ondernemingskamer heeft geen concrete aanwijzingen dat de waarde van de activa van Getir nu of op 10 januari 202[5]3.aanzienlijk hoger was dan haar schulden en dat, zoals [verzoeker] stellen, de overige aandeelhouders door de transactie aanzienlijk benadeeld worden omdat hen die overwaarde wordt ontnomen. Getir heeft een op 21 januari 2025 gedateerde rapport van Analysis Group overgelegd waarin de waarde van de activa van de Getir-groep op basis van een distressed going concern veronderstelling wordt gewaardeerd op USD 373,9 miljoen (waarvan USD 82,2 miljoen voor Getir Finance) en de waarde van de door Mubadala onder de transactie te leveren tegenprestatie op USD 532,9 miljoen (inclusief de USD 50 miljoen aanvullende financiering). Nog daargelaten dat zonder aanvaarding van de transactie een going concern veronderstelling niet realistisch is, kan hieruit niet worden afgeleid dat de minderheidsaandeelhouders door de transactie zouden worden benadeeld. [verzoeker] hebben daartegenover aangevoerd dat de waardering van Getir Finance veel te laag zou zijn omdat Getir Finance kort geleden een Turkse bankvergunning heeft gekregen. Zij verwijzen in dat kader naar een door hen overgelegde valuation summary van een door KPMG Turkije uitgevoerde waardering van de investment value van Getir Finance op ruim USD 500 miljoen. De onderbouwing van deze waardering is echter flinterdun en de veronderstellingen en aannames waarop zij berust zijn dermate speculatief dat de Ondernemingskamer daaraan geen reële waarde kan toekennen. Dat de belangen van de overige aandeelhouders van Getir door de aanvaarding van de transactie onnodig en of onevenredig worden geschaad kan daaruit dan ook niet volgen. In dat kader is nog van belang dat het voorstel om de door Mubadala voorgestelde transactie te aanvaarden in de algemene vergadering van 19 januari 2025 door een ruime meerderheid van de (preferente) aandeelhouders van Getir is goedgekeurd. Ook het onder 2. gestelde levert geen gegronde redenen op voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Getir.
2.9
De OK verwerpt, ten slotte, eveneens de derde grond. Zij zet dit als volgt uiteen. (p. 12 van het proces-verbaal)
[verzoeker] hebben onder 3. betoogd dat Mubadala in juni 2024 ten onrechte overwegende zeggenschap zou hebben gekregen in het bestuur en de algemene vergadering van Getir. Dit is onjuist. Partijen zijn in juni 2024 overeengekomen dat [betrokkene 1] en later [betrokkene 3] als onafhankelijk uitvoerende bestuurders zouden worden benoemd en dat zij daarnaast ieder ook niet uitvoerende bestuurders zouden kunnen benoemen. Geen van partijen heeft daarmee een doorslaggevende stem in het bestuur van Getir gekregen. Dat [betrokkene 1] zich uitsluitend zou laten leiden door de belangen van Mubadala is als gezegd niet gebleken. Mubadala heeft verder met circa 29% van de aandelen geen overwegende zeggenschap in de algemene vergadering van (preferente) aandeelhouders van Getir. Bij die stand van zaken kan evenmin worden aangenomen dat Mubadala haar positie misbruikt om aan Getir haar wensen op te leggen. Voor zover [verzoeker] menen dat zij worden benadeeld omdat Mubadala te kwader trouw en op onjuiste gronden geen uitvoering heeft gegeven aan de in de Term Sheet van juni 2024 neergelegde afspraken, geldt dat dit in de kern een geschil van vermogensrechtelijke aard betreft waarvoor de enquêteprocedure niet bedoeld is; [verzoeker] zullen dit geschil aan de bevoegde Engelse rechter moeten voorleggen.
2.10
Het laat zich dan raden wat volgens de OK de slotsom is. (p. 12 van het proces-verbaal)
De slotsom is dat niet is gebleken van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van en bij Getir. Het verzoek van [verzoeker] zal daarom worden afgewezen. Het voorwaardelijk tegenverzoek behoeft dan geen bespreking meer.
Zij veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure.4.
In cassatie
2.11
Bij procesinleiding van 24 april 2025 heeft [verzoeker] (tijdig) cassatieberoep ingesteld.
2.12
Op 26 juni 2025 heeft Getir een verweerschrift ingediend.
2.13
Mubadala en G Squared zijn in cassatie niet verschenen.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
De procesinleiding van [verzoeker] bevat een inleiding en twee onderdelen, elk met verschillende subonderdelen. Onderdeel 1 klaagt over het deel van het proces-verbaal als geciteerd onder 2.7 hiervoor, specifiek de eerste en derde alinea’s. Onderdeel 2 klaagt over het deel van het proces-verbaal als geciteerd onder 2.9 hiervoor.
Onderdeel 1 (“Tegenstrijdig belang”)
3.2
Dit eerste onderdeel bevat twee subonderdelen (onder 1.1 en onder 1.2-1.2.2).
3.3
Subonderdeel 1.1 neemt als vertrekpunt een bepaald betoog van [verzoeker] bij de OK. Daarop volgen een rechtsklacht en een motiveringsklacht.
3.4
Eerst dit betoog van [verzoeker] Dat heeft de volgende strekking. Het was niet aan de uitvoerend bestuurders van Getir5.om [verzoeker] buiten de besluitvorming te houden over de door Mubadala voorgestelde transactie. Het is onwenselijk dat conflicten op bestuursniveau worden beslecht doordat het ene kamp bestuurders van het andere kamp buitensluit en zelf besluiten gaat nemen. Uitgangspunt is dat bestuurders primair zelf beoordelen of zij een tegenstrijdig belang hebben. Dit betekent dat de uitvoerend bestuurders (dus: [betrokkene 1] en [betrokkene 3] ) hier niet bevoegd waren om een oordeel te vellen. Als zij zich zorgen maakten over een mogelijk tegenstrijdig belang hadden zij in gesprek moeten gaan met [verzoeker] of zich moeten wenden tot de rechter, die als enige bindend kan vaststellen of sprake is van een tegenstrijdig belang. De uitvoerend bestuurders zijn ten onrechte eigen rechter gaan spelen.
3.5
Dan de klachten. Volgens het subonderdeel heeft de OK in het licht van dit betoog, bij de beoordeling of [verzoeker] terecht buiten de besluitvorming is gehouden (p. 8 van het proces-verbaal), (i) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel (ii) haar oordeel onvoldoende gemotiveerd.
- Voor (i) voert het subonderdeel aan: dat de OK heeft miskend dat “het - bij gebreke van een andersluidende (statutaire) regeling - (in beginsel)” aan de bestuurder met een mogelijk tegenstrijdig belang is om te beslissen of hij, gelet op art. 2:239 lid 5-6 BW, aan de besluitvorming kan deelnemen.6.En: dat indien daarover een verschil van inzicht bestaat (zoals in dit geval) dat niet in overleg kan worden opgelost, de rechter, zo nodig in kort geding, dient te beslissen.7.Het ligt daarbij voor de hand - aldus nog steeds het subonderdeel - dat de bestuurders die, met een beroep op de wettelijke regeling voor tegenstrijdig belang, collega-bestuurders van de besluitvorming willen (doen) uitsluiten, zich tot de rechter wenden.
- Voor (ii) voert het subonderdeel aan dat de OK in ieder geval haar oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd door niet uiteen te zetten waarom [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , de uitvoerend bestuurders van Getir, “deze weg” (ik begrijp: als bedoeld onder (i)) in dit geval niet hoefden te volgen. De enkele omstandigheid dat zij hun standpunt op 31 december 2024 met [verzoeker] hebben besproken, maakt dit niet inzichtelijk.
Behandeling
3.6
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.7
Te beginnen met de rechtsklacht.
3.7.1
De daarin verdedigde opvatting - die de OK niet huldigt in het proces-verbaal - komt erop neer dat bij een meerhoofdig bestuur van een B.V., zoals Getir,8.het in uitgangspunt aan de bestuurder met een mogelijk tegenstrijdig belang zélf is om voor doeleinden van art. 2:239 lid 6 BW te beslissen óf hij aan de desbetreffende beraadslaging en besluitvorming van het bestuur kan deelnemen (ik begrijp: óf hij daadwerkelijk een tegenstrijdig belang heeft in de zin van die bepaling), en dat bij een verschil van inzicht dienaangaande (ik begrijp: tussen die bestuurder en diens medebestuurders) dat niet door overleg kan worden opgelost de rechter hierover dient te beslissen, waarbij het voor de hand ligt dat de medebestuurders de gang naar de rechter dienen te maken.
3.7.2
Deze opvatting, die het subonderdeel enkel schraagt met een “Vgl.”-verwijzing naar parlementaire geschiedenis en literatuur,9.ontbeert m.i. de vereiste steun in het recht. Ik licht dit toe onder 3.7.3-3.7.26 hierna.
3.7.3
Art. 2:239 lid 5-6 BW luiden als volgt:
5. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
6. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 5. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.
3.7.4
Hierin vind ik geen steun voor de opvatting die het subonderdeel voorstaat.
3.7.5
In het subonderdeel wordt ook geen beroep gedaan op de tekst van art. 2:239 lid 5-6 BW.
3.7.6
Uit de parlementaire geschiedenis van (onder meer) art. 2:239 lid 5-6 BW valt mede het volgende op te maken.
- Art. 2:239 lid 1 BW regelt de taak van het bestuur als orgaan van de vennootschap en moet daarmee worden onderscheiden van de regel voor de individuele bestuurder in art. 2:9 BW. De norm voor de taakuitoefening van leden van het toezichthoudend orgaan staat thans in art. 2:250 BW voor de raad van commissarissen. Algemeen wordt aangenomen dat zij evenzeer geldt voor de bestuurders. Het voorgestelde lid 5 van art. 2:239 BW legt de norm voor het handelen van iedere bestuurder vast. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Daarbij maakt het niet uit of zijn taak uitvoerend of algemeen/toezichthoudend is.10.
- De vennootschap moet worden beschermd tegen het risico dat een bestuurder bij zijn handelen - dat gericht moet zijn op het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming - zich meer gelegen laat liggen aan een, direct of indirect, persoonlijk belang. Anders geformuleerd, het gaat om een concrete situatie waarin de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door dat vennootschapsbelang. Dan moet, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, de betrokken bestuurder niet in staat worden geacht om dat vennootschapsbelang te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht.11.
- Dit betreft een materieel rechtsbegrip ‘tegenstrijdig belang’. Als sprake is van zo’n tegenstrijdig belang, dan dient de betrokken bestuurder - zo volgt uit het voorgestelde lid 6 van art. 2:239 BW - niet deel te nemen aan de beraadslaging en zich te onthouden van stemming over het onderwerp ten aanzien waarvan hij een tegenstrijdig belang heeft. De kwestie moet dan bij een meerhoofdig bestuur worden overgelaten aan de andere bestuurder(s), zonder tegenstrijdig belang. Aldus wordt tegengegaan dat de gedachtevorming en discussie binnen het bestuur wordt, of kan worden, beïnvloed door de aanwezigheid van de bestuurder met het tegenstrijdige belang. De desbetreffende beraadslaging en besluitvorming van het bestuur kan vervolgens binnen de vennootschap op de gebruikelijke wijze worden bereikt.12.
- Voor dit systeem is vereist dat de vennootschap op de hoogte raakt van het tegenstrijdig belang. In beginsel ligt het op de weg van de betrokken bestuurder om tijdig, voorafgaand aan de relevante beraadslaging en besluitvorming van het bestuur, bij zijn medebestuurder(s) melding te maken van een mogelijk tegenstrijdig belang. Het is immers primair aan die bestuurder zelf om zich te realiseren dat hij zo’n tegenstrijdig belang heeft. Daarnaast brengt de collectieve verantwoordelijkheid van de bestuurders met zich dat zij alert zijn op eventuele tegenstrijdige belangen van de medebestuurder(s).13.
- Als het een bestuursbesluit betreft waarvoor de raad van commissarissen (indien aanwezig) een goedkeuringsrecht heeft, dan dient de raad geïnformeerd te worden over het tegenstrijdige belang van een bestuurder en de wijze waarop de beraadslaging en besluitvorming van het bestuur heeft plaatsgevonden. De raad kan dan controleren of een bestuurder met een tegenstrijdig belang heeft deelgenomen aan de desbetreffende beraadslaging en besluitvorming van het bestuur, wat dus niet de bedoeling is. Als de bestuurder met een tegenstrijdig belang deel uitmaakt van een monistisch bestuur, dan kan het bestuursbesluit door de overige bestuurder(s) worden genomen.14.
- Zou een bestuurder zijn mogelijke tegenstrijdige belang niet hebben gemeld, maar een andere bestuurder daarvan wel op de hoogte zijn, dan kan (en dient) deelneming aan de beraadslaging en besluitvorming van het bestuur (te) worden ontzegd aan de betrokken bestuurder ingeval van een tegenstrijdig belang. In dat geval mag de betrokken bestuurder niet deelnemen aan de desbetreffende beraadslaging en besluitvorming van het bestuur, en kan hij dat ook niet.15.
3.7.7
Ook hierin vind ik geen steun voor de opvatting die het subonderdeel voorstaat. Daarbij betrek ik tevens het volgende, onder 3.7.8-3.7.17 hierna.
3.7.8
Het subonderdeel verwijst naar een vindplaats in de parlementaire geschiedenis die ook hiervoor is genoemd,16.maar legt niet uit waar het dan meer precies om zou gaan.
3.7.9
In de desbetreffende passages wordt door de minister uiteengezet:
(i) dat niet wordt overgenomen een voorstel uit de literatuur “om een dwingende goedkeuringsregeling op te nemen voor het geval een tegenstrijdig belang bestaat bij bestuurders (en onderscheid te maken tussen beursvennootschappen en niet beursvennootschappen)”, bij gebrek aan noodzaak/aanleiding daarvoor;17.
(ii) dat “de bestuurder met een tegenstrijdig belang” niet mag deelnemen aan de desbetreffende beraadslaging en besluitvorming van het bestuur, maar wel “voorafgaand aan de bestuursvergadering of zelfs bij de introductie van het agendapunt in de bestuursvergadering [kan worden] gehoord door zijn medebestuurders, zodat hij hen informatie kan verschaffen over de kwestie ten aanzien waarvan het tegenstrijdige belang bestaat”.18.
3.7.10
Ad (ii) heeft niet van doen met de onderhavige kwestie. Voor zover ad (i) daaraan al raakt, betreft dit in wezen hooguit de volgende passage:
Voor de interne verhoudingen - bijvoorbeeld vanwege de vraag of een bestuurder zijn taak goed heeft vervuld - is van belang dat een bestuurder een eventueel tegenstrijdig belang meldt en zich vervolgens buiten de besluitvorming houdt. Doet hij dat niet, dan is het besluit aantastbaar. Doet hij dat wel, dan zie ik geen belemmering voor besluitvorming over de desbetreffende kwestie door de overige bestuurders die geen tegenstrijdig belang hebben. In zoverre is sprake van een gewoon bestuursbesluit. Ik zie geen reden voor een regeling van dwingend recht die zwaarder is dan de gewone besluitvormingsregels voor het bestuur. Er is dan ook geen aanleiding voor een onderscheid tussen beursvennootschappen en niet beursvennootschappen. Overigens vormt de wet geen belemmering voor een statutaire goedkeuringsregeling indien de vennootschap daaraan behoefte zou hebben. [onderstreping toegevoegd, A-G]
3.7.11
Het onderstreepte gedeelte begrijp ik zo dat als bij een bestuurder mogelijk sprake is van een tegenstrijdig belang (dus een tegenstrijdig belang in de zin van art. 2:239 lid 6 BW), hij dit dient te melden (kennelijk bij “de overige bestuurders”, de passage gaat uit van een meerhoofdig bestuur) en, als daadwerkelijk sprake is van zo’n tegenstrijdig belang, zich vervolgens buiten de beraadslaging en besluitvorming ter zake van het bestuur dient te houden. Dan is er geen belemmering voor beraadslaging en besluitvorming over de desbetreffende kwestie “door de overige bestuurders die geen tegenstrijdig belang hebben”, in tegenstelling dus tot de betrokken bestuurder (die heeft wél zo’n tegenstrijdig belang). In voornoemde passage staat niet wie dan moet vaststellen óf daadwerkelijk sprake is van zo’n tegenstrijdig belang. Dit gaat derhalve voorbij aan de kwestie die het subonderdeel centraal stelt, zie onder 3.7.1 hiervoor.
3.7.12
Dat dit deel van de parlementaire geschiedenis in totaliteit bezien veeleer de andere kant uitwijst dan door het subonderdeel wordt gesuggereerd, blijkt uit de pagina voorafgaand aan die welke het subonderdeel noemt. Daar wordt door de minister als volgt ingegaan op een in de literatuur gedaan voorstel tot wijziging van art. 2:239 lid 6 BW uit het voorontwerp:19.
Het voorstel van Franken20.laat ruimte aan de bestuurder om te bepalen of er een tegenstrijdig belang is en daarnaast of dat tegenstrijdige belang zodanig belangrijk is dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich uitsluitend zal laten leiden door het vennootschappelijke belang. Die laatste afweging wil ik echter niet neerleggen bij de bestuurder met een tegenstrijdig belang omdat het eerdergenoemde risico van belangenverstrengeling21.dan te groot blijft. Het wetsvoorstel heeft daarom als uitgangspunt dat een tegenstrijdig belang altijd consequenties heeft voor de besluitvorming. Dat laat onverlet dat die consequenties kunnen worden beperkt tot dat deel van de besluitvorming waarbij het tegenstrijdige belang speelt.
Deze passage laat zich m.i. het beste zo verstaan dat, waar bij een bestuurder mogelijk sprake is van een tegenstrijdig belang (dus in de zin van art. 2:239 lid 6 BW), de minister de beslissing voor doeleinden van art. 2:239 lid 6 BW óf die bestuurder daadwerkelijk zo’n tegenstrijdig belang heeft niet wil neerleggen bij die bestuurder zélf (dus evenmin de bevoegdheid dienaangaande), omdat het door de minister bedoelde “risico van belangenverstrengeling”, dat die bepaling nou juist probeert in te dammen,22.dan “te groot blijft”. Daarbij past het om aan te nemen dat bij een meerhoofdig bestuur, waarvan de minister hier kennelijk uitgaat (en bijvoorbeeld ook aan de orde is in de citaten onder 3.7.10 en in noten 18 en 21 hiervoor), het in uitgangspunt op de weg ligt van de medebestuurder(s) bij wie de tegenstrijdigbelangvraag niet speelt om voor doeleinden van art. 2:239 lid 6 BW te beslissen óf de betrokken bestuurder daadwerkelijk zo’n tegenstrijdig belang heeft. Dit snijdt hout. Te meer in het licht van de - al lang vóór invoering van art. 2:239 lid 6 BW - in de rechtspraak ontwikkelde benadering waarbij, kort gezegd, in tegenstrijdigbelangsituaties van het bestuur wordt verwacht dat het de verschillende belangen gescheiden houdt en dat het zo veel mogelijk zorgvuldigheid en openheid betracht.23.Daarbij zij nog bedacht dat in de opzet van die bepaling, zoals toegelicht in de parlementaire geschiedenis waaronder voornoemde passage, het vaststellen van zo’n tegenstrijdig belang kort gezegd vergt dát in de concrete situatie in redelijkheid kan worden betwijfeld of de bestuurder zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het vennootschapsbelang. Zonder dit laatste, dus een dergelijke feitelijke basis voor het aannemen van een vertroebeld beoordelingsvermogen bij de betrokken bestuurder, is er geen sprake van zo’n tegenstrijdig belang. Zie mede onder 3.7.6 en in noot 21 hiervoor.
3.7.13
Die minister heeft overigens nog opgemerkt dat de wet “geen aanvullende procedure” hoeft te bevatten inzake de vraag of zich ten aanzien van een bestuurder een tegenstrijdig belang voordoet, dit naar aanleiding van een vraag (vanuit de CDA-fractie) of de wet “aan commissarissen c.q. niet uitvoerende bestuurders” die taak zou moeten geven. Ik citeer:24.
Wanneer een bestuurder een direct of indirect persoonlijke belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap, dan dient hij dit te melden aan zijn medebestuurders. Vervolgens dient de desbetreffende bestuurder zich buiten de besluitvorming te houden over het onderwerp waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft.25.Indien het een besluit betreft waarvoor de raad van commissarissen een goedkeuringsrecht heeft, dan dient de raad van commissarissen geïnformeerd te worden over het tegenstrijdige belang van een bestuurder en de wijze waarop de besluitvorming heeft plaatsgevonden. De raad kan dan controleren of een bestuurder met een tegenstrijdig belang heeft deelgenomen aan de besluitvorming. Indien de bestuurder met een tegenstrijdig belang deel uitmaakt van een monistisch bestuur, dan kan het besluit door de overige bestuurders (waaronder de niet uitvoerende bestuurders) worden genomen. De wet behoeft naar mijn mening geen aanvullende procedure te bepalen. Er is sprake van een gewoon bestuursbesluit zodra de bestuurder die een tegenstrijdig belang heeft zich afzijdig houdt van de besluitvorming. Uiteraard is het toegestaan om in de statuten te bepalen dat de raad van commissarissen een goedkeuringsrecht heeft ten aanzien van de vraag of een tegenstrijdig belang bestaat. Zouden overigens alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben, dan zou besluitvorming niet mogelijk zijn en moet worden teruggevallen op de twee laatste volzinnen van artikel 2:129/239 lid 6 BW, die het besluit dan neerleggen bij een ander orgaan van de vennootschap.
Hieruit wordt in de literatuur afgeleid:26.
Art. 2:129/2:239 BW bevat geen nadere regeling inzake de melding en vaststelling van tegenstrijdig belang. Blijkens de parlementaire geschiedenis ligt het op de weg van de bestuurder met het mogelijk tegenstrijdig belang om hiervan melding te doen aan zijn medebestuurders.27.De beoordeling of er sprake is van tegenstrijdig belang wordt hiermee in eerste instantie aan hen overgelaten [dus aan die “medebestuurders”, A-G].28.
3.7.14
De onder 3.7.12 hiervoor geschetste lijn zou trouwens ook passen bij het belang dat in de parlementaire geschiedenis29.en de rechtspraak30.wordt gehecht aan collegiaal bestuurlijk toezicht bij rechtspersonen, een vorm van intern toezicht tussen bestuurders (uitgaande dus van een meerhoofdig bestuur). Daarmee strookt bijvoorbeeld:
- dat art. 2:239 lid 6 BW (mede) strekt tot bescherming van het in art. 2:239 lid 5 BW bedoelde vennootschapsbelang,31.dat als gezegd elke bestuurder tot normatief richtsnoer dient, met inachtneming ook van art. 2:8 lid 1 BW en art. 2:9 lid 1, eerste zin BW;32.
- dat de vennootschap een zelfstandig belang erbij heeft dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd;33.
- dat het bestuur slagvaardig moet kunnen handelen bij het (bepalen en) uitvoeren van het beleid en de strategie van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, juist ook in het vennootschapsbelang.34.
3.7.15
Aan het voorgaande doet niet af de volgende opmerking van een latere minister, onderdeel van een langere reactie op de vraag (vanuit de PvdA-fractie) “door wie wordt vastgesteld of er sprake is van een tegenstrijdig belang”:35.
Wanneer hij [een “bestuurder”, A-G] twijfelt over de wenselijkheid van zijn betrokkenheid bij de besluitvorming, bijvoorbeeld omdat de schijn van een tegenstrijdig belang kan worden gewekt, kunnen de overige bestuurders (…) hem helpen te beslissen of onthouding van deelname aan de beraadslaging of besluitvorming wenselijk is.
Wat er verder van zij, dit laat zich zo verstaan dat het in ieder geval geen betrekking heeft op een beslissing voor doeleinden van art. 2:239 lid 6 BW óf de betrokken bestuurder daadwerkelijk een tegenstrijdig belang heeft (dus in de zin van die bepaling). Bij die beslissing gaat het niet slechts om wat “wenselijk” is, maar om wat rechtens moet. Want heeft de betrokken bestuurder zo’n tegenstrijdig belang, wat naar de aard verder gaat dan “de schijn van tegenstrijdig belang”, dan, aldus diezelfde minister voorafgaand aan die opmerking:36.
moet hij [die “bestuurder” dus, A-G] zich onthouden van bemoeienis met de beraadslaging en besluitvorming. Hij moet die besluitvorming dan overlaten aan de bestuurders (…) die geen tegenstrijdig belang hebben. [onderstreping toegevoegd, A-G]
3.7.16
Zou die latere minister met die opmerking meer hebben bedoeld,37.in wezen contrair aan de onder 3.7.12 hiervoor geciteerde en geduide passage (die dus juist hout snijdt), dan geldt m.i. in het licht van 3.7.3-3.7.15 hiervoor dat uit die opmerking nog steeds níet opgemaakt dient te worden dat het ‘dus’ in uitgangspunt aan de bestuurder bij wie mogelijk sprake is van een tegenstrijdig belang (dus in de zin van art. 2:239 lid 6 BW) zélf is om die beslissing te nemen, zo nodig - als hij twijfelt - met ‘hulp’ (‘advies’) van zijn medebestuurder(s).38.Strik zegt het zo, wat zich tevens laat toepassen op bestuurders en art. 2:239 lid 6 BW:39.
Ondanks het ontbreken van zo’n meldplicht [van “(potentieel) tegenstrijdige belangen”, A-G] in de tekst van artikel 2:129 lid 6 respectievelijk 2:140 lid 5 BW, gaat de wetgever er blijkens de wetsgeschiedenis wel vanuit dat een bestuurder een tegenstrijdig belang meldt aan zijn medebestuurders en dat een commissaris een tegenstrijdig belang meldt aan zijn medecommissarissen. Bovendien doet een commissaris er volgens de wetgever ‘goed aan’ een mogelijk tegenstrijdig belang te melden, voordat het desbetreffende agendapunt inhoudelijk wordt besproken.De achtergrond van een meldplicht is dat de daartoe krachtens wet en statuten bevoegden de nodige maatregelen kunnen nemen, waaronder in de eerste plaats ervoor zorgen dat de betrokken functionaris met het tegenstrijdige belang niet zal deelnemen aan de besluitvorming. De wetsgeschiedenis vermeldt als reden voor het doen van een melding dat op deze manier leden van de raad van commissarissen de betreffende commissaris kunnen adviseren over de aanwezigheid van (de schijn van) een tegenstrijdig belang. Ik zie dit meer als een verwijzing naar een feitelijke vorm van risicobeheersing door toepassing van het meer-ogenprincipe. Na melding kunnen de functionarissen met elkaar over de relevante feiten spreken en met elkaar gezichtspunten uitwisselen over de vraag of sprake is van een tegenstrijdig belang. Dit kan de gedachten daarover bij de betrokkenen scherpen, ook bij de geconflicteerde functionaris. Dat kan ertoe bijdragen dat de betrokkene uit eigen beweging afziet van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming. Een advies van de overige, niet-geconflicteerde functionarissen over de vraag of een tegenstrijdig belang aanwezig is, heeft overigens geen bindende, of beslissende kracht. Wel zijn zij het [dus die “overige, niet-geconflicteerde functionarissen”, A-G] die in de eerste plaats moeten beslissen of inderdaad sprake is van een tegenstrijdig belang en of zij de geconflicteerde functionaris zullen uitsluiten van beraadslaging en besluitvorming; in die situatie is immers deelname daaraan in ieder geval niet uitsluitend ter discretie van de mogelijk geconflicteerde functionaris. De niet-geconflicteerde functionarissen dienen juiste toepassing van de tegenstrijdig belangregeling te waarborgen, en ervoor te zorgen dat eventuele benodigde maatregelen worden genomen.Als er een geschil ontstaat over de vraag of in strijd met de tegenstrijdig belangregeling is gehandeld, zal uiteindelijk de rechter beoordelen of daar sprake van is, waarbij enige andersluidende beslissing van bij de vennootschap betrokkenen geen relevantie heeft voor de toepasselijkheid van artikel 2:129 lid 6 respectievelijk 2:140 lid 5 BW. [onderstreping toegevoegd, A-G]40.
3.7.17
Overigens beroept het subonderdeel zich ook niet op de onder 3.7.15-3.7.16 hiervoor bedoelde parlementaire geschiedenis.
3.7.18
Ik trek verder een parallel met de Nederlandse corporate governance code (waarvan de laatste versie dateert van maart 2025),41.al is de code in beginsel gericht op beursgenoteerde vennootschappen en valt Getir daar niet onder.42.Daarin bepaalt best practice 2.7.3 (“Melding”) onder meer:
- dat een bestuurder een potentieel tegenstrijdig belang bij een transactie die van materiële betekenis is voor de vennootschap en/of voor de betrokken bestuurder onverwijld meldt aan de voorzitter van de raad van commissarissen en aan de overige leden van het bestuur;
- dat de betrokken bestuurder alle relevante informatie daarover verschaft;
- dat de raad van commissarissen, buiten aanwezigheid van de betrokken bestuurder, besluit of sprake is van een tegenstrijdig belang.
Hierin wordt het dus nadrukkelijk niet aan de bestuurder met een potentieel tegenstrijdig belang gelaten om te beslissen of er daadwerkelijk sprake is van een tegenstrijdig belang. Die beslissing wordt elders binnen de vennootschap belegd, hier bij de raad van commissarissen.
3.7.19
Mij is geen rechtspraak bekend, laat staan van de Hoge Raad, die steun biedt aan de opvatting die het subonderdeel voorstaat. Ik lees die steun ook niet (evenmin impliciet) in zijn [arrest],43.waaronder de volgende concluderende passage.
3.7
Op grond van het vorenstaande zal, bij het ontbreken van een inhoudelijk afwijkende regeling in de statuten, een beroep op art. 2:256 BW44.ter aantasting van een namens de vennootschap(pen) verrichte rechtshandeling slechts kunnen slagen als een persoonlijk belang van de bestuurder in de hiervoor bedoelde zin tegenstrijdig was met het belang van de vennootschap(pen) en de daaraan verbonden onderneming op grond van daartoe naar voren gebrachte, voldoende geadstrueerde, omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op de besluitvorming van de betrokken bestuurder dat hij zich op grond van deze bepaling niet in staat had mogen achten het belang van de vennootschap(pen) en de daaraan verbonden onderneming met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen en zich van de desbetreffende rechtshandeling had moeten onthouden. Mede in aanmerking genomen de ingrijpende gevolgen die aan een geslaagd beroep op art. 2:256 BW zijn verbonden, is immers niet aanvaardbaar dat wordt volstaan met het aanvoeren van de enkele mogelijkheid van een tegenstrijdig belang, zonder dat dit beroep wordt geconcretiseerd op de wijze als hiervoor is omschreven. Het is niet in het belang van het handelsverkeer en het strookt niet met de strekking van art. 2:256 [BW] dat achteraf met een beroep op deze bepaling een rechtshandeling van de vennootschap zou kunnen worden vernietigd zonder dat is aangetoond dat de daaraan ten grondslag liggende besluitvorming van de betrokken bestuurder inhoudelijk ondeugdelijk was wegens een ontoelaatbare samenloop van tegenstrijdige belangen.
Daarbij zij bedacht dat dit arrest is toegesneden op de daarin voorliggende vertegenwoordigingsregeling van art. 2:256 (oud) BW (die wezenlijk anders van opzet was dan de in art. 2:239 lid 6 BW vervatte besluitvormingsregeling)45.en geen rekening houdt met toepassing van art. 2:239 lid 6 BW, laat staan in een geval als het onderhavige. Uit de parlementaire geschiedenis van laatstgenoemde bepaling blijkt wél dat, bij de formulering daarvan, wat betreft “het begrip tegenstrijdig belang” aansluiting is gezocht bij de daaraan door de Hoge Raad in het [arrest] gegeven invulling (“een materieel rechtsbegrip”).46.Maar níet dat voornoemde opvatting (dus als voorgestaan door het subonderdeel) uit dit arrest volgt of met dit arrest strookt, laat staan dat die opvatting daarom ten grondslag is gelegd aan art. 2:239 lid 6 BW.47.Daaraan doet niet af dat blijkens die parlementaire geschiedenis:48.
[d]e norm in wezen niet een vertegenwoordigingskwestie [is], maar, zoals ook uit recht[s]overweging 3.7 van het [arrest] blijkt, een gedragsnorm die de besluitvorming door de bestuurder raakt. De vertegenwoordigingshandeling volgt (op) die besluitvorming.49.
3.7.20
In het subonderdeel wordt ook geen beroep gedaan op rechtspraak.
3.7.21
Dan nog een nadere blik op de literatuur. Recent verscheen een nieuwe druk van het Asser-deel over corporate governance bij kapitaalvennootschappen, thans van de hand van Nieuwe Weme & Salemink (het subonderdeel verwijst naar een vindplaats in de vorige druk, van de hand van Van Solinge & Nieuwe Weme).50.Ik citeer royaal uit die nieuwe druk, daarbij de vele verwijzingen achterwege latend:51.
De wettelijke tegenstrijdig belang-regeling van (…) art. 2:239 lid 6 BW ziet op de situatie dat een bestuurder een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het vennootschappelijk belang (…). (…) Met de formulering in (…) art. 2:239 lid 6 BW heeft de wetgever beoogd aan te sluiten bij de criteria voor het begrip tegenstrijdig belang zoals geformuleerd in HR 29 juni 2007, NJ 2007/420; JOR 2007/169 ([…]). (…) Van een tegenstrijdig belang is met andere woorden sprake als de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden getwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend zal laten leiden door het vennootschappelijk belang. (…) Steeds zullen de concrete omstandigheden moeten uitwijzen of sprake is van een tegenstrijdig belang: heeft een bestuurder te maken met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend zal laten leiden door het vennootschappelijk belang (…).(…)
Het is primair aan de bestuurder om zich te realiseren dat hij een tegenstrijdig belang of potentieel tegenstrijdig belang heeft. Hij is immers in de regel op de hoogte van de relevante feiten en weet daarom zelf of daarvan sprake is. (…) De bestuurder heeft hierbij een zekere onderzoeksplicht. (…) Daarnaast moeten medebestuurders en commissarissen die een tegenstrijdig belang of potentieel tegenstrijdig belang bij een bestuurder signaleren, de bestuurder hierop aanspreken. (…) Boek 2 BW bevat geen meldplicht voor een bestuurder met een tegenstrijdig belang of potentieel tegenstrijdig belang. (…) Wij menen dat de bestuurder zijn tegenstrijdig belang of potentieel tegenstrijdig belang moet melden aan zijn medebestuurders en - indien aanwezig - de raad van commissarissen of de voorzitter van de raad van commissarissen. Het bestuur is immers als collectief verantwoordelijk voor de vervulling van de bestuurstaak (…) en de raad van commissarissen houdt hierop toezicht (…). Dit sluit ook aan bij de regeling voor beursvennootschappen in bpb 2.7.3 Corporate Governance Code. (…) Het is onzes inziens raadzaam in de statuten (…) of een reglement (…) een meldingsverplichting voor een tegenstrijdig belang op te nemen. (…) Wij zijn van mening dat bij afwezigheid van een regeling in de statuten (…) of een reglement (…) het bestuur bevoegd is vast te stellen of een bestuurder daadwerkelijk een tegenstrijdig belang heeft. (…) Indien een raad van commissarissen is ingesteld, is deze naar ons oordeel bevoegd. Dit is voor beursvennootschappen ook voorgeschreven in bpb 2.7.3 Corporate Governance Code. Daarin is tevens bepaald dat de besluitvorming in de raad van commissarissen over het potentiële tegenstrijdig belang van een bestuurder plaatsvindt buiten aanwezigheid van de desbetreffende bestuurder. (…) Ook hier achten wij een regeling in de statuten (…) of een reglement (…) raadzaam. (…)
(…)
Een bestuurder met een tegenstrijdig belang onthoudt zich van de beraadslaging en besluitvorming over de kwestie waarbij het tegenstrijdig belang speelt. Zie (…) art. 2:239 lid 6 BW. Vanaf het moment dat het agendapunt wordt opengesteld voor discussie en gedachtevorming, dient de geconflicteerde bestuurder daarbij niet aanwezig te zijn. De discussie en gedachtevorming moeten kunnen plaatsvinden zonder dat deze worden beïnvloed door de aanwezigheid van de bestuurder met een tegenstrijdig belang. (…) Wel kan een geconflicteerde bestuurder voorafgaand aan de bestuursvergadering en zelfs tot aan de introductie van het agendapunt in de bestuursvergadering worden gehoord door zijn medebestuurders. De overige bestuurders kunnen aldus voor hun oordeelsvorming gebruikmaken van de kennis en ervaring die de geconflicteerde bestuurder inzake het desbetreffende onderwerp heeft. (…) Het bestuur is gehouden de geconflicteerde bestuurder de deelname aan de beraadslaging en besluitvorming te ontzeggen. Het bestuur is als collectief verantwoordelijk (…) voor een behoorlijke vervulling van de bestuurstaak, waaronder de verplichting waarborgen in acht te nemen bij tegenstrijdig belang (…).52.
3.7.22
Ik maak hieruit onder meer op dat volgens Nieuwe Weme & Salemink bij een vennootschap zonder raad van commissarissen en met een meerhoofdig bestuur53.“het bestuur” bevoegd is om voor doeleinden van art. 2:239 lid 6 BW te beslissen of de betrokken bestuurder, dus die met een mogelijk tegenstrijdig belang, daadwerkelijk een tegenstrijdig belang heeft (dus in de zin van die bepaling); dit behoudens een regeling in de statuten of een reglement van de vennootschap die hierin op andere wijze voorziet. Anders gezegd: ontbreekt zo’n regeling, dan heeft het bestuur die bevoegdheid (ik begrijp: de medebestuurder(s) bij wie de tegenstrijdigbelangvraag niet speelt, daarbij beslissend buiten aanwezigheid van de betrokken bestuurder).54.Zij schrijven niet dat die bevoegdheid van het bestuur een basis in zo’n regeling behoeft, laat staan dat die bevoegdheid in uitgangspunt ligt bij de betrokken bestuurder. Hun vertrekpunt is dat Boek 2 BW geen regels bevat over het (melden en) vaststellen van een tegenstrijdig belang, en dat in de statuten of een reglement van de vennootschap een regeling hiervoor kan worden opgenomen. Verder lees ik in deze passages onder meer dat in hun optiek het bestuur (dat komt dan weer neer op die medebestuurder(s)) gehouden is de bestuurder met het tegenstrijdig belang, als dit laatste is vastgesteld, de deelname aan de beraadslaging en besluitvorming van het bestuur te ontzeggen. Dit een en ander acht ik, gezien ook 3.7.3-3.7.20 hiervoor, bepaald goed verdedigbaar.55.Bij deze stand van zaken ligt het m.i. niet in de rede dat door het bestuur (mogelijk neerkomend op die medebestuurder(s)) vervolgens nog de gang naar de rechter moet worden gemaakt om voornoemde beslissing en, waar relevant, ontzegging te laten toetsen. Iets anders is bijvoorbeeld dat indien de betrokken bestuurder zich niet kan vinden in die beslissing en ontzegging, het denkbaar is dat dit geschil ter beoordeling wordt voorgelegd aan de rechter, al dan niet in kort geding. Op wiens weg dat dan het meeste ligt, zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Bedacht zij daarbij dat ook dan het vennootschapsbelang als normatief richtsnoer voor elke bestuurder onverkort geldt. Zie onder 3.7.6 en 3.7.14 hiervoor. Iets anders is ook dat, als het zover komt, uiteindelijk de rechter definitief oordeelt of in de concrete situatie sprake is van een tegenstrijdig belang (dus in de zin van art. 2:239 lid 6 BW) en, zo ja, art. 2:239 lid 6 BW is nageleefd.
3.7.23
Kortom, ook hierin vind ik geen steun voor de opvatting die het subonderdeel voorstaat. Hetzelfde geldt overigens voor de andere bekende handboeken en commentaren op het terrein van het ondernemingsrecht: daarin vind ik die steun evenmin.56.
3.7.24
Dit wordt niet anders door de passages in de resterende bron waarop het subonderdeel doelt.57.Daarin stellen Nowak & Leijten ten eerste vast (in “§ 4”) dat Boek 2 BW, hier specifiek art. 2:239 lid 6 BW, niet bepaalt aan wie een tegenstrijdig belang moet worden gemeld en door wie (ex ante) wordt vastgesteld of er in een concrete situatie van een tegenstrijdig belang sprake is en derhalve of die bepaling van toepassing is. Zij opperen vervolgens enkele mogelijkheden om hieraan invulling te geven, mede onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis en de Nederlandse corporate governance code. Tot die mogelijkheden behoort een regeling in de statuten of een reglement van de vennootschap, maar zij propageren dit laatste (dus) niet kenbaar als een vereiste. De door het subonderdeel voorgestane opvatting kom ik daar niet tegen, integendeel.58.Nowak & Leijten gaan daarin verder in (in “§ 7”) op rechtsgevolgen van niet-naleving van art. 2:239 lid 6 BW. Voornoemde opvatting kom ik ook daar niet tegen.
3.7.25
Ter afronding nog dit. Bij de in art. 2:239 lid 6 BW vervatte regeling kunnen kanttekeningen worden geplaatst. Dit heb ik in het verleden ook gedaan, mede vanuit sociaal-psychologisch perspectief.59.Die denkbare kanttekeningen laten onverlet dat, zoals volgt uit 3.7.1-3.7.24 hiervoor, de opvatting die het subonderdeel voorstaat de vereiste steun in het recht mist.
3.7.26
Hierbij kan ik het laten.
3.8
Tot slot de motiveringsklacht.
3.8.1
Zij strandt in het voetspoor van de rechtsklacht. Want redeneert vanuit de in deze klacht voorgestane opvatting (“deze weg”, etc.) die, zoals uiteengezet onder 3.7.1-3.7.26 hiervoor, de OK terecht niet huldigt: deze opvatting mist de vereiste steun in het recht. Dit betekent dat, anders dan de motiveringsklacht wil, de OK geen reden had uiteen te zetten waarom [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , de uitvoerend bestuurders van Getir, “deze weg in dit geval niet hoefden te volgen”. Dit is al fataal.
3.9
Subonderdeel 1.2 richt zich tegen het oordeel van de OK op p. 8-9 van het proces-verbaal inzake het aan haar niet gebleken zijn van een tegenstrijdig belang bij [betrokkene 1] . Dit betreft de laatste alinea als geciteerd onder 2.7 hiervoor. Aldus heeft de OK een onjuiste, want te beperkte invulling of toepassing gegeven aan een direct of indirect persoonlijk belang dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap als bedoeld in art. 2:239 lid 5-6 BW, althans heeft zij haar oordeel ontoereikend gemotiveerd. Deze klachten worden vervolgens uitgewerkt in de sub(sub)onderdelen 1.2.1-1.2.2.
3.10
Subonderdeel 1.2.1 betoogt dat de OK zich, bij de beoordeling of [betrokkene 1] in dit geval een tegenstrijdig belang had, ertoe heeft beperkt om te beoordelen of [betrokkene 1] zich daadwerkelijk heeft laten leiden door een ander belang dan dat van Getir (in het bijzonder door het belang van Mubadala bij de door haar voorgestelde transactie). Dit blijkt uit zinsneden in het bestreden oordeel waarin de OK rept van “heeft laten leiden” en “zou hebben laten leiden”. Aldus heeft de OK de door haar terecht vooropgestelde maatstaf (dit betreft de eerste alinea als geciteerd onder 2.7 hiervoor) te beperkt ingevuld of toegepast, door niet te beoordelen of in redelijkheid kan worden betwijfeld of [betrokkene 1] zich uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Getir.
Behandeling
3.11
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.12
Anders dan zij suggereert, zit er geen licht tussen enerzijds de maatstaf die de OK vooropstelt60.en anderzijds de maatstaf die zij aanlegt in het bestreden oordeel.
3.13
Want in het bestreden oordeel beziet de OK of [verzoeker] concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou blijken dat [betrokkene 1] te maken had met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen als uitvoerend bestuurder van Getir, specifiek in het kader van de besluiten van 7 en 10 januari 2025, uitsluitend heeft laten leiden door het belang van die vennootschap en haar onderneming.
3.14
Dit volgt niet alleen daaruit dat het bestreden oordeel volgt kort na die vooropstelling. Maar ook daaruit dat de OK in de tussenliggende passage (dit betreft de tweede alinea als geciteerd onder 2.7 hiervoor), waarin zij beziet of bij de Founder-bestuurders sprake was van een tegenstrijdig belang in het kader van voornoemde besluiten, oordeelt dat in de daar genoemde “omstandigheden in redelijkheid [kon] worden betwijfeld dat de Founder-bestuurders zich bij de besluitvorming daarover uitsluitend zouden laten leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming.”
3.15
Dat de OK zich ter zake in het bestreden oordeel wat beknopter uitdrukt dan in die tussenliggende passage moge zo zijn, dit laat onverlet wat ik schreef onder 3.12-3.13 hiervoor. Daarbij zij bovendien bedacht dat de formulering van het proces-verbaal niet van dien aard is dat men elk woord op een goudschaaltje mag wegen.61.
3.16
Kortom, het subonderdeel strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het bestreden oordeel.
3.17
Subonderdeel 1.2.2 klaagt dat het bestreden oordeel van de OK voorts onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is, gelet op de stellingen van [verzoeker] Hij heeft gesteld in het verzoekschrift (nrs. 4.1, 4.6):
1) dat [betrokkene 1] enkel luistert naar de wensen en instructies van Mubadala;
2) dat Mubadala zijn benoeming heeft geïnitieerd;
3) dat Mubadala zijn beloningspakket financiert;
4) dat Mubadala heeft aangegeven [betrokkene 1] te zullen steunen als hij wordt aangesproken op medewerking aan de plannen van Mubadala;
5) dat het “dus” eerder voor de hand ligt dat [betrokkene 1] in dit geval een tegenstrijdig belang heeft dan [verzoeker]
Ter zitting heeft [verzoeker] dit nader onderbouwd. Daartoe verwijst het subonderdeel naar de volgende passages:62.
2.10.
De Executive Directors hebben de mogelijkheid van een eigen tegenstrijdig belang onder ogen gezien nadat zij daarop namens verzoekers waren gewezen. Het Besluit van 10 januari bevat daarover een heel korte passage:
3.4
The Chairperson stated to have received advice from legal counsel to Getir BV that the fact that he was nominated by MC 68 as independent director and that Getir BV is dependent on funding from MC 68 to pay the remuneration of the executive directors in itself would not constitute a conflict of interest for the executive directors in respect of the matters to be discussed in this meeting.
2.11.
Het betoog luidt dus dat de Executive Directors alleen hun bestaande beloning behouden door gehoor te geven aan de wensen van Mubadala. Die redenatie poneerde het hof Den Bosch ook in de zaak M.E. Beheer II, maar de Hoge Raad achtte die ondeugdelijk.63.,64.Als de wederpartij van de rechtspersoon de continuïteit van het inkomen van die bestuurder waarborgt, levert dat in beginsel een tegenstrijdig belang op. Er speelt echter veel meer dat niet in het Besluit wordt vermeld en ook niet in de verweerschriften, waarin [betrokkene 1] wordt neergezet als “volledig onafhankelijk van Mubadala”.65.Verzoekers vragen zich af hoe de verweerders dat rijmen met de volgende feiten:
(i) de engagement letter met Alix en de benoeming van [betrokkene 1] waren opschortende voorwaarden van Mubadala in de April Loan Agreement;66.
(ii) Mubadala is partij bij de engagement letter (productie 21) en garandeert de beloning van Alix,67.ingeschat op GBP 350.000 per week;68.
(iii) bij aansprakelijkstelling van [betrokkene 1] loopt de beloning door69.en neemt Mubadala de kosten voor haar rekening;70.
(iv) Mubadala krijgt meer rechten dan de overige aandeelhouders, onder meer op het gebied van informatie en assistentie;71.
(v) Alix committeert zich het belang van Getir gelijk te stellen aan dat van Mubadala;72.en
(vi) Mubadala heeft op voorhand aangegeven dat zij de Executive Directors zal steunen als zij worden aangesproken op het nemen van de Besluiten.73.
Volgens het subonderdeel had de OK deze stellingen, die - binnen de context van materiële liquidatie van de groep - ieder voor zich, maar zeker in onderlinge samenhang (kunnen) meebrengen dat [betrokkene 1] een tegenstrijdig belang had bij de besluiten van januari 2025, kenbaar in haar motivering moeten betrekken. Doordat de OK dit niet heeft gedaan, is ontoelaatbaar onduidelijk waarom deze stellingen niet tot een ander oordeel hebben kunnen leiden. Gelet op deze stellingen zijn bepaalde overwegingen van de OK74.bovendien onbegrijpelijk.
Behandeling
3.18
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.19
Stelling 1) uit het verzoekschrift van [verzoeker] is door hem daarin niet onderbouwd. Voor zover hij heeft gepoogd die onderbouwing kenbaar te verschaffen in de spreekaantekeningen, in het bijzonder door een duiding in nr. 2.11 (“Het betoog luidt dus”, etc.) van het in nr. 2.10 opgenomen citaat, geldt dat die duiding evident voorbijgaat aan de inhoud van dat citaat en ook die duiding dus geen onderbouwing biedt van stelling 1).75.Verwerping van stelling 1) ligt kenbaar besloten in het bestreden oordeel, waaronder de overwegingen van de OK:
- dat [verzoeker] destijds met de benoeming van [betrokkene 1] (die werkzaam is als herstructureringsdeskundige voor AlixPartners) als bestuurder van Getir heeft ingestemd en zich daar tot voor kort ook niet tegen heeft verzet;
- dat [verzoeker] ook overigens geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou blijken dat [betrokkene 1] zich desondanks bij zijn taakvervulling niet uitsluitend zou hebben laten leiden door de belangen van Getir en haar onderneming.
Die verwerping behoefde geen nadere motivering.
3.20
Op stelling 2) uit het verzoekschrift van [verzoeker] , die terugkomt in de spreekaantekeningen (zie het citaat in nr. 2.10 en nr. 2.11 onder (i)), respondeert de OK in het bestreden oordeel met de overweging dat weliswaar juist is dat [betrokkene 1] op Mubadala’s voorstel als bestuurder is benoemd,76.maar daaruit nog niet volgt dat hij zich bij zijn functieuitoefening met name door Mubadala’s belangen heeft laten leiden. Er is volgens de OK dus méér nodig dan alleen dit punt om te kunnen zeggen dat [betrokkene 1] , als uitvoerend bestuurder van Getir, in het kader van de besluiten van 7 en 10 januari 2025 een tegenstrijdig belang had in de zin van art. 2:239 lid 6 BW. Dit is op zichzelf niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Dat meerdere ziet de OK dus noch in stelling 1), waarover onder 3.19 hiervoor, noch in de stellingen 3) t/m 5). Dat de OK dat meerdere niet ontwaart in stelling 5) als zodanig is goed te volgen, want die stelling behelst slechts een concluderende opmerking die voortbouwt op de stellingen 1) t/m 4) (“dus”), waarvan de stellingen 1) en 2) die ‘conclusie’ dus niet kunnen dragen (noch zelfstandig noch in onderling verband en samenhang bezien).
3.21
Dan resteren de stellingen 3) en 4), die terugkomen in de spreekaantekeningen (zie nr. 2.11).
3.21.1
Voor zover deze stellingen zijn toegespitst op [betrokkene 1] , respondeert de OK daarop in het bestreden oordeel met de overwegingen:
(i) dat [verzoeker] niet heeft gesteld dat “ [betrokkene 1] persoonlijk” een belang zou hebben bij aanvaarding door Getir van de door Mubadala voorgestelde transactie;
(ii) dat [betrokkene 1] als herstructureringsdeskundige werkzaam is voor AlixPartners, een gerenommeerde partij op dat gebied.
Met (i) en (ii) neutraliseert de OK mede de opmerkingen van [verzoeker] :
- dat bij aansprakelijkstelling van [betrokkene 1] , Mubadala de kosten (van de doorlopende beloning van AlixPartners) voor haar rekening neemt (zie de spreekaantekeningen, nr. 2.11 onder (iii));
- dat Mubadala op voorhand heeft aangegeven dat zij “de Executive Directors”, dus mede [betrokkene 1] , zal steunen als zij worden aangesproken op het nemen van voornoemde besluiten (zie nr. 2.11 onder (vi)).
Dit is prima te volgen. Uit die opmerkingen volgt immers nog niet dat [betrokkene 1] , werkzaam als herstructureringsdeskundige voor AlixPartners, als uitvoerend bestuurder van Getir persoonlijk een voor art. 2:239 lid 6 BW relevant belang heeft bij aanvaarding door Getir van de voorgenomen transactie.77.Met (ii) brengt de OK verder tot uitdrukking dat hier geen sprake is van een situatie waarin “de wederpartij van de rechtspersoon de continuïteit van het inkomen van die bestuurder waarborgt” (zie de spreekaantekeningen, nr. 2.11, derde zin). Ook dit is prima te volgen. [betrokkene 1] is immers als herstructureringsdeskundige werkzaam voor AlixPartners (en tegen die achtergrond op Mubadala’s verzoek benoemd als een van de uitvoerend bestuurders van Getir), dus niet louter of primair actief als bestuurder van Getir. Het gaat hier bovendien om “de beloning” van AlixPartners, niet van [betrokkene 1] .
3.21.2
Voor zover deze stellingen zijn toegespitst op AlixPartners (zie de spreekaantekeningen, nr. 2.11 onder (i) t/m (iii) en (v)), geldt niet alleen dat deze partij niet [betrokkene 1] zelf is, noch bestuurder van Getir.78.Maar ook dat de OK in het bestreden oordeel erop wijst dat in de door Getir met AlixPartners gesloten Engagement Letter uitdrukkelijk is opgenomen dat “AlixPartners’ sole duty of care under this agreement is to the Company [lees: Getir, A-G] as the client of AlixPartners”, wat wijst op belangenparallellie ter zake tussen Getir en AlixPartners (waar [betrokkene 1] dus als herstructureringsdeskundige werkzaam is). Niet valt in te zien (zeker zonder nadere toelichting in het subonderdeel, die ontbreekt) waarom de OK, aldus overwegend, die op AlixPartners toegespitste stellingen van [verzoeker] niet afdoende ondergraaft. Dit geldt te meer als daarbij wordt betrokken de overweging dat [verzoeker] destijds heeft ingestemd met, en zich tot voor kort ook niet heeft verzet tegen, de benoeming van [betrokkene 1] - die werkzaam is als herstructureringsdeskundige voor AlixPartners - als bestuurder van Getir.
3.22
Bij dit een en ander betrek ik ook het volgende.
3.22.1
Blijkens de spreekaantekeningen baseert [verzoeker] zich bij nr. 2.11 onder (ii) t/m (v) op de Engagement Letter, waarbij Mubadala partij is. Daarin staat onder meer:
The Company shall compensate AlixPartners for its services, and reimburse AlixPartners for expenses, as set forth on Schedule 1. In the event the Company fails to make any payment within (30) days of the Due Date (…), Mubadala agrees to pay AlixPartners the outstanding Fees and expenses due (the “Mubadala Fee Backstop Arrangement”).
Het gaat hier dus om een subsidiaire betalingsverplichting van Mubadala, het uitgangspunt is dat Getir (de “Company”) AlixPartners betaalt voor haar diensten. Daarnaast gaat [verzoeker] in de spreekaantekeningen niet in op de door Getir op 23 januari 2025 (de dag voor de mondelinge behandeling) ingebrachte aanvullende productie 41, een addendum van 13 november 2024 op de Engagement Letter.79.Uit dit addendum volgt mede dat:
the parties each agree that the Mubadala Fee Backstop Arrangement (as defined in the Engagement Letter) was terminated with effect from 1 July 2024 and accordingly AlixPartners’ sole recourse for all fees due and payable from that date shall be to the Company.(…)
The Company shall compensate AlixPartners for its services, and reimburse AlixPartners for expenses, as set forth on Schedule 1 which for the avoidance of doubt will replace the previous fee arrangements with respect to this engagement with effect from 1 October 2024.
3.22.2
Stelling (iii) verwijst naar art. 2 van de Engagement Letter, kennelijk de volgende passage:
Notwithstanding the foregoing; in the event that the Mubadala Fee Backstop Termination Date occurs after an Insolvency Event (as defined in paragraph 5 below) and AlixPartners receives Dutch legal advice that [betrokkene 1] could incur personal liability if he were to resign from the Board Role, then AlixPartners shall be entitled to charge for [betrokkene 1] ’s time spent in performing the Board Role at an hourly rate of £ 1,195, together with any expenses reasonably incurred by him in relation thereto. The Mubadala Fee Backstop Arrangement shall apply to such fees and expenses only until such time as [betrokkene 1] resigns from the Board Role, it being agreed that he shall resign promptly after receiving Dutch legal advice that he can do so without incurring personal liability.
In dit licht is stelling (iii) wel érg kort door de bocht. Zie bovendien onder 3.22.1 hiervoor.
3.22.3
Stelling (v) verwijst naar art. 3 van de Engagement Letter, kennelijk de volgende passage:
- The Parties each acknowledge and agree that, given its position as shareholder and largest financial creditor of the Company, Mubadala’s interests are aligned with those of the Company. However, Mubadala acknowledges and agrees AlixPartners’ sole duty of care under this Agreement is to the Company as the client of AlixPartners.
Daarin staat niet (en daarin leest de OK ook niet) dat AlixPartners zich committeert om het belang van Getir gelijk te stellen aan dat van Mubadala. Er staat wel dat de partijen “each acknowledge and agree” dat het belang van Mubadala in lijn ligt met dat van Getir. En dat Mubadala “acknowledges and agrees” dat “AlixPartners’ sole duty of care under this Agreement is to the Company as the client of AlixPartners”.
3.22.4
De stelling in nr. 2.11 onder (vi) verwijst naar nr. 6.4 van productie 22 bij het verzoekschrift, een brief van 5 januari 2025 van de advocaat van Mubadala aan [verzoeker 1] . Daar staat:
Your letter threatens an application to the Enterprise Chamber of the Amsterdam Court of Appeal for an investigation into unspecified “wrongdoings by the majority shareholder and by the board of directors at Getir BV”. We totally refute the suggestion that there is any basis for such an investigation, and our clients will provide such assistance to Getir BV and any affected directors as may be reasonably necessary to oppose such spurious claims. Without any waiver of privilege, our clients have also instructed Dutch counsel and are fully prepared to bring your own numerous breaches of fiduciary duties to the attention of the Enterprise Chamber, including those breaches notified to you in our second letter of 2 January 2025 and mentioned above. Our clients’ rights in that regard remain fully reserved.
In het licht hiervan is stelling (vi) wel érg kort door de bocht.
3.23
Ik kom tot een afronding. Anders dan het subonderdeel wil, betrekt de OK voornoemde stellingen van [verzoeker] in het verzoekschrift en de spreekaantekeningen (voor zover al grond vindend in de daarin aangehaalde onderliggende documentatie) dus kenbaar wel en afdoende gemotiveerd in het bestreden oordeel. Tegen deze achtergrond valt evenmin in te zien (zeker zonder nadere toelichting in het subonderdeel, die ontbreekt) dat bepaalde overwegingen van de OK gezien die stellingen onbegrijpelijk zouden zijn. Dit behoeft geen verdere toelichting. Aldus valt integraal het doek voor subonderdeel 1.2.
3.24
Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2 (“Geschil over weigering uitvoering Term Sheet niet louter vermogensrechtelijk, maar raakt positie en functioneren (organen) vennootschap”)
3.25
Dit tweede onderdeel bevat, naast een inleiding zonder klachten (onder “Inleiding” op p. 10-12 van de procesinleiding), vijf subonderdelen met klachten (onder 2.1 t/m 2.5) gevolgd door een “Aanvulling, uitwerking en toelichting” (onder 2.6 t/m 2.24).80.Overigens is onder 2.18 nog een “aanvullende klacht” te vinden die “zekerheidshalve” wordt aangevoerd.
3.26
Onder 2.6 hiervoor gaf ik weer op welke drie gronden het verzoek van [verzoeker] volgens de OK berust.
3.27
Het deel van het proces-verbaal als geciteerd onder 2.9 hiervoor, waarin de OK de derde grond van het verzoek van [verzoeker] behandelt, wordt in het onderdeel onderverdeeld in drie delen, geletterd van A t/m C. Dit laatste levert het volgende beeld op.
A. [verzoeker] hebben onder 3. betoogd dat Mubadala in juni 2024 ten onrechte overwegende zeggenschap zou hebben gekregen in het bestuur en de algemene vergadering van Getir. Dit is onjuist. Partijen zijn in juni 2024 overeengekomen dat [betrokkene 1] en later [betrokkene 3] als onafhankelijk uitvoerende bestuurders zouden worden benoemd en dat zij daarnaast ieder ook niet uitvoerende bestuurders zouden kunnen benoemen. Geen van partijen heeft daarmee een doorslaggevende stem in het bestuur van Getir gekregen. Dat [betrokkene 1] zich uitsluitend zou laten leiden door de belangen van Mubadala is als gezegd niet gebleken. Mubadala heeft verder met circa 29% van de aandelen geen overwegende zeggenschap in de algemene vergadering van (preferente) aandeelhouders van Getir.
B. Bij die stand van zaken kan evenmin worden aangenomen dat Mubadala haar positie misbruikt om aan Getir haar wensen op te leggen.
C. Voor zover [verzoeker] menen dat zij worden benadeeld omdat Mubadala te kwader trouw en op onjuiste gronden geen uitvoering heeft gegeven aan de in de Term Sheet van juni 2024 neergelegde afspraken, geldt dat dit in de kern een geschil van vermogensrechtelijke aard betreft waarvoor de enquêteprocedure niet bedoeld is; [verzoeker] zullen dit geschil aan de bevoegde Engelse rechter moeten voorleggen.
3.28
De subonderdelen 2.1 t/m 2.5 richten zich tegen de oordelen van de OK onder A t/m C. Ik start met de subonderdelen 2.4-2.5, waarin ook een verband wordt gelegd met de samenvatting door de OK van deze derde grond (zie onder 2.6 hiervoor).
3.29
Subonderdeel 2.4 klaagt dat het oordeel van de OK onder C en haar samenvatting van de derde grond van het verzoek van [verzoeker] onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd. De OK heeft over het hoofd gezien dat [verzoeker] aan zijn verzoek niet alleen ten grondslag heeft gelegd dat Mubadala ten onrechte heeft geweigerd om uitvoering te geven aan de Term Sheet, maar ook heeft betoogd dat Getir (die mede partij was bij de Term Sheet) dat ten onrechte heeft geweigerd en/of in het licht van de weigering van Mubadala onvoldoende zorgvuldig is omgegaan met de belangen van [verzoeker] en/of ten onrechte heeft meegewerkt aan de vervanging van afspraken in de Term Sheet door afspraken (de transactie) die voor Mubadala extreem veel voordeliger en voor [verzoeker] onevenredig nadelig uitpakken.81.In ieder geval heeft de OK niet kenbaar en gemotiveerd op dat betoog gerespondeerd.
Behandeling
3.30
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.31
Zij loopt erop vast dat de OK dit betoog van [verzoeker] betreffende Getir niet over het hoofd ziet, maar kenbaar en gemotiveerd behandelt in het kader van - wat de OK duidt als - de tweede grond van het verzoek van [verzoeker] Deze behandeling betreft het deel van het proces-verbaal als geciteerd onder 2.8 hiervoor, dat in cassatie niet wordt bestreden. Dit laatste geldt ook voor haar samenvatting van deze tweede grond (zie onder 2.6 hiervoor).
3.32
Bij de behandeling van de tweede grond zet de OK immers, sterk samengevat, het volgende uiteen na een vooropstelling (zie nader de eerste alinea)82.en een achtergrondschets van de situatie begin 2025 bij de Getir-groep (zie nader de tweede alinea).83.
3.32.1
Tegen deze achtergrond hebben de uitvoerend bestuurders van Getir AlixPartners verzocht om op basis van een executiescenario een inschatting te maken van de waarde van de door Getir gehouden belangen in haar dochterondernemingen, teneinde die waarde te kunnen afwegen tegen hetgeen daartegenover door Mubadala in het kader van de transactie werd aangeboden. Zie nader de derde alinea. (In dit verband wijst de OK onder meer erop dat deze bestuurders zich hebben ingespannen om de door Mubadala in het kader van de transactie toegezegde aanvullende financiering te verhogen van USD 10 miljoen naar USD 50 miljoen, en voor de overige aandeelhouders door middel van de AIT-regeling (Additional Investor Tranche) de mogelijkheid open te houden dat zij tot een bedrag van USD 75 miljoen zouden kunnen mee-investeren in een eventueel nog door te starten onderneming.)
3.32.2
In het licht van de daarvóór geschetste omstandigheden hebben de uitvoerend bestuurders van Getir op 10 januari 2025 besloten dat het in het belang van Getir en de met haar verbonden onderneming was om de door Mubadala voorgestelde transactie te aanvaarden. Zie nader de vierde alinea.(In dit verband wijst de OK onder meer erop dat daarbij meerdere alternatieve scenario’s zijn overwogen, waaronder het aangaan van een transactie met een derde partij en het proberen alsnog uitvoering te geven aan de Term Sheet, waarbij telkens de slotsom was dat geen van deze alternatieven een realistische kans van slagen had en hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot een faillissement. En dat deze bestuurders verder hebben geconstateerd dat het vanuit het perspectief van Getir geen verschil maakte of de aandelen in de dochtervennootschappen zouden worden overgedragen aan Mubadala en [verzoeker] op basis van de Term Sheet of dat deze op grond van de transactie alle overgedragen zouden worden aan Mubadala.)
3.32.3
De OK is gelet op het voorgaande van oordeel dat de uitvoerend bestuurders van Getir in redelijkheid tot de besluiten van 7 en 10 januari 2025 hebben kunnen komen. Zie nader de vijfde alinea.(In dit verband wijst de OK onder meer erop dat deze bestuurders:
- zich zo goed mogelijk een beeld hebben gevormd van de verschillende alternatieve scenario’s die Getir in de gegeven omstandigheden nog ten dienste stonden, en deze alternatieven zorgvuldig hebben afgewogen tegen de mogelijke voor- en nadelen van het aanvaarden van de voorgestelde transactie voor de continuïteit van de onderneming, waarbij uitdrukkelijk ook de belangen van de werknemers, de schuldeisers en de aandeelhouders van Getir zijn meegewogen;
- daarbij voldoende transparant zijn geweest;
- in het schriftelijke besluit en de toelichting voor de aandeelhoudersvergadering van 19 januari 2025 genoegzaam inzicht hebben gegeven in de wijze waarop zij tot hun besluit zijn gekomen en op welke informatie zij zich daarbij hebben gebaseerd.
Ook overweegt de OK dat, anders dan [verzoeker] meent, de belangen van de minderheidsaandeelhouders niet onnodig of onevenredig zijn geschaad.)
3.32.4
De OK heeft geen concrete aanwijzingen dat de waarde van de activa van Getir nu of op 10 januari 2025 aanzienlijk hoger was dan haar schulden en dat, zoals [verzoeker] stelt, de overige aandeelhouders door de transactie aanzienlijk benadeeld worden omdat hen die overwaarde wordt ontnomen. Zie nader de zesde alinea.(In dit verband wijst de OK onder meer erop dat [verzoeker] heeft aangevoerd dat de waardering van Getir Finance veel te laag zou zijn, omdat Getir Finance kort geleden een Turkse bankvergunning heeft gekregen. En dat [verzoeker] in dat kader heeft verwezen naar een door hem overgelegde valuation summary van een door KPMG Turkije uitgevoerde waardering van de investment value van Getir Finance op ruim USD 500 miljoen. “De onderbouwing van deze waardering is echter flinterdun en de veronderstellingen en aannames waarop zij berust zijn dermate speculatief dat de Ondernemingskamer daaraan geen reële waarde kan toekennen. Dat de belangen van de overige aandeelhouders van Getir door de aanvaarding van de transactie onnodig en of onevenredig worden geschaad kan daaruit dan ook niet volgen.”)
3.32.5
Aldus verwerpt de OK kenbaar en gemotiveerd (ook) voornoemde betoog van [verzoeker] betreffende Getir, als onderdeel van de tweede grond van diens verzoek.
3.33
Het subonderdeel strandt dus reeds op een onjuiste lezing van het proces-verbaal.
3.34
Overigens valt niet in te zien dat de OK aldus oordelend een onbegrijpelijke uitleg geeft aan de vindplaatsen waarop het subonderdeel een beroep doet. Ik lees in het subonderdeel ook geen klacht met die strekking, althans niet een klacht die voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.
3.35
Subonderdeel 2.5 klaagt vooreerst dat de oordelen van de OK onder A en B, gelezen in samenhang met haar samenvatting van de derde grond van het verzoek van [verzoeker] , niet naar behoren zijn gemotiveerd. Dit werkt het subonderdeel als volgt uit. Anders dan de OK kennelijk tot uitgangspunt neemt, heeft [verzoeker] :
niet (slechts) aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat Mubadala in juni 2024 ten onrechte overwegende zeggenschap (in juridische zin) heeft gekregen in het bestuur en de algemene vergadering van Getir en daardoor de algemene vergadering en het bestuur van Getir domineert en ten koste van de andere aandeelhouders (in het bijzonder [verzoeker] ) haar wensen aan Getir oplegt en uitsluitend eigen belangen dient (dus haar positie misbruikt).
[verzoeker] heeft:
aan hun verzoek (ook) ten grondslag gelegd dat zij van hun zijde uitvoering hebben gegeven aan de Term Sheet van juni 2024 door afstand te doen van de overwegende zeggenschap (in juridische zin) die zij tot dan toe in het bestuur en de algemene vergadering hadden, maar dat Mubadala van haar zijde te kwader trouw en op onjuiste gronden geen uitvoering heeft gegeven aan de Term Sheet en dat Mubadala daardoor ten onrechte feitelijk en effectief controle in de algemene vergadering en op bestuursniveau heeft verkregen en (kort gezegd) haar aldus ontstane positie heeft misbruikt door de besluiten van 7 en 10 januari 2025 tot het aangaan van de door Mubadala voorgestelde transactie 'door te drukken'.84.[onderstreping toegevoegd, A-G]
Korter gezegd:
essentieel is dat Mubadala misbruik heeft gemaakt van het feit dat [verzoeker] - in tegenstelling tot Mubadala - de Term Sheet wél hebben uitgevoerd en hun overwegende zeggenschap hebben afgestaan en niet zozeer dat Mubadala overwegende zeggenschap (in juridische zin) zou hebben verkregen.
Gelet hierop vormen de oordelen van de OK onder A en B geen begrijpelijke en voldoende gemotiveerde respons op hetgeen [verzoeker] aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd.
3.36
Daaraan voegt het subonderdeel nog toe dat het oordeel onder A dat "als gezegd" niet is gebleken dat [betrokkene 1] zich uitsluitend zou laten leiden door de belangen van Mubadala, voortbouwt op de door onderdeel 1 bestreden oordelen van de OK, zodat de in onderdeel 1 opgenomen klachten ook dit oordeel van de OK vitiëren.
Behandeling
3.37
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.38
Ik stel voorop dat de OK het in subonderdeel 2.4 bedoelde betoog van [verzoeker] betreffende Getir kenbaar en gemotiveerd behandelt in het kader van - wat de OK duidt als - de tweede grond van het verzoek van [verzoeker] Deze behandeling betreft het deel van het proces-verbaal als geciteerd onder 2.8 hiervoor. Zie nader onder 3.29-3.34 hiervoor.
3.39
De oordelen van de OK onder A t/m C zien specifiek op Mubadala en de derde grond van het verzoek van [verzoeker]
3.40
In het oordeel onder A beoordeelt de OK het betoog van [verzoeker] dat Mubadala in juni 2024 ten onrechte overwegende zeggenschap zou hebben gekregen in het bestuur en de algemene vergadering van Getir. Daarmee bedoelt de OK hetzelfde als de op p. 7-8 van het proces-verbaal samengevatte derde grond, aanhef en onder a, inhoudend dat volgens [verzoeker] de governance van Getir gebrekkig is, omdat Mubadala de aandeelhoudersvergadering en het bestuur van Getir domineert. Uit het oordeel onder A bezien in totaliteit, blijkt dat het daarin voor de OK draait om het woord “overwegende”. Lezen wij dit oordeel in onderling verband en samenhang met die derde grond, aanhef en onder a, dan is duidelijk dat volgens de OK geen sprake is van een dergelijke (ten onrechte door Mubadala in juni 2024 gekregen) zeggenschap: noch in juridische zin, noch in termen van feitelijke/effectieve controle.
3.41
Bij dit laatste betrekt de OK:
- dat partijen in juni 2024 zijn overeengekomen dat [betrokkene 1] en later [betrokkene 3] als onafhankelijke uitvoerend bestuurders van Getir zouden worden benoemd, en dat zij (partijen dus) daarnaast ieder ook niet uitvoerend bestuurders van Getir zouden kunnen benoemen;
- dat geen van partijen daarmee een doorslaggevende stem in het bestuur van Getir heeft gekregen (dus ook Mubadala niet);
- dat als gezegd niet is gebleken dat [betrokkene 1] zich uitsluitend zou laten leiden door de belangen van Mubadala (zie het deel van het proces-verbaal als geciteerd onder 2.6 hiervoor);
- dat Mubadala verder met circa 29% van de aandelen geen overwegende zeggenschap heeft in de algemene vergadering van (preferente) aandeelhouders van Getir.
3.42
Hierin ligt kenbaar besloten dat volgens de OK evenmin sprake is van het door [verzoeker] bedoelde misbruik zijdens Mubadala, erin bestaande dat zij, door in tegenstelling tot [verzoeker] - die zijn overwegende zeggenschap in het bestuur en de algemene vergadering van Getir heeft afgestaan - de Term Sheet níet uit te voeren, “ten onrechte” overwegende zeggenschap zou hebben gekregen in het bestuur en de algemene vergadering van Getir. Immers: waar van laatstgenoemde zeggenschap zijdens Mubadala geen sprake is, kan zulk misbruik zijdens Mubadala (betreffende de wijze waarop zij die zeggenschap zou hebben gekregen: “en dat Mubadala daardoor ten onrechte”, etc.) zich ook niet voordoen. Dat spreekt dan voor zich. Ook in zoverre strandt voornoemde betoog van [verzoeker]
3.43
In het oordeel onder B beoordeelt de OK het te onderscheiden betoog van [verzoeker] dat Mubadala haar positie misbruikt om aan Getir haar wensen op te leggen. Daarmee bedoelt de OK hetzelfde als de op p. 7-8 van het proces-verbaal samengevatte derde grond, aanhef en onder c, inhoudend dat volgens [verzoeker] de governance van Getir gebrekkig is, omdat Mubadala ten koste van de andere aandeelhouders haar wensen aan Getir oplegt en uitsluitend eigen belangen dient. Dit betoog strandt volgens de OK, blijkens haar oordeel onder B, in het voetspoor van haar oordeel onder A. Kort en goed: waar Mubadala geen overwegende zeggenschap heeft in het bestuur en de algemene vergadering van Getir, kan evenmin worden aangenomen dat Mubadala haar positie misbruikt om aan Getir haar wensen op te leggen. Het laatste ligt in het logische verlengde van het eerste.
3.44
In het oordeel onder C beoordeelt de OK als sluitstuk, voor zover dit nog separaat is aangevoerd door [verzoeker] (los van de onder 3.40-3.43 hiervoor bedoelde betogen van [verzoeker] , die raken aan de governance van Getir),85.het betoog van [verzoeker] dat hij wordt benadeeld omdat Mubadala “te kwader trouw en op onjuiste gronden geen uitvoering heeft gegeven aan de in de Term Sheet van juni 2024 neergelegde afspraken”,86.dus dat hij wordt benadeeld door die niet-nakoming zijdens Mubadala (partij bij de Term Sheet) als zodanig. Daarmee bedoelt de OK hetzelfde als de op p. 7-8 van het proces-verbaal samengevatte derde grond, aanhef en onder b, inhoudend dat volgens [verzoeker] de governance van Getir gebrekkig is, omdat Mubadala ten onrechte weigert om uitvoering te geven aan de Term Sheet. Dáárvan zegt de OK in dat oordeel onder C:
- dat dit in feite een geschil van vermogensrechtelijke aard betreft,87.
- dat voor zo’n geschil de enquêteprocedure niet bedoeld is, en
- dat [verzoeker] dit geschil aan de bevoegde Engelse rechter zal moeten voorleggen.88.
Dit is prima te volgen. Want (beslechting van) zo’n te onderscheiden geschil, dat op zichzelf niet raakt aan de governance van Getir, laat staan deze gebrekkig maakt, valt buiten het bereik van het enquêterecht.89.Zie mede onder 3.49-3.50 hierna.
3.45
Uit dit een en ander volgt dat, anders dan het subonderdeel wil (met een onjuiste lezing van het proces-verbaal), de OK wel degelijk en voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd respondeert op de onder 3.35 hiervoor bedoelde stellingen van [verzoeker] Het subonderdeel licht niet toe waarom de OK, door te oordelen zoals zij doet als samengevat onder 3.39-3.44 hiervoor (met een niet onbegrijpelijke uitleg van de vindplaatsen waarop het subonderdeel doelt), onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zou responderen op die stellingen van [verzoeker] Dit laatste valt dus ook niet in te zien.
3.46
Ook de slotklacht in het subonderdeel strandt, nu zij voortbouwt op en daarmee deelt in het lot van onderdeel 1, dat faalt. Zie, concluderend, onder 3.24 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.47
Ik wend de steven naar subonderdeel 2.1, dat zich als volgt richt tegen het oordeel van de OK onder C. Met dit oordeel heeft zij de maatstaf miskend die geldt bij de beantwoording van de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, het in art. 2:344-359 BW geregelde onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een vennootschap (hier Getir) mag worden gelast indien aannemelijk is dat tussen enerzijds verzoekers (aandeelhouders van de vennootschap, hier [verzoeker] ) en anderzijds (andere) aandeelhouders van die vennootschap (hier Mubadala) en/of de vennootschap zelf, (mede) een vermogensrechtelijk geschil bestaat. Die maatstaf houdt in dat wanneer het gaat om een geschil van louter (niet slechts: mede) vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, een enquêteverzoek niet kan worden toegewezen. Wanneer echter (volgens de stellingen van verzoekers) het vermogensrechtelijke geschil ook de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen en/of (groepen van) individuele aandeelhouders (in hun hoedanigheid van aandeelhouder) raakt, moet (onder meer) het verkrijgen van opening van zaken (door het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van een dergelijk geschil) worden beschouwd als een van de doeleinden van een enquêteprocedure die verwezenlijkt kunnen worden, zodat het enquêteverzoek wel kan worden toegewezen (toewijsbaar is). Met haar oordeel dat hetgeen [verzoeker] heeft gesteld “in de kern een geschil van vermogensrechtelijke aard betreft waarvoor de enquêteprocedure niet bedoeld is”,90.en haar daarop voortbouwende oordeel dat [verzoeker] dit geschil aan de bevoegde Engelse rechter zal moeten voorleggen, heeft de OK dus een onjuiste maatstaf gehanteerd.
Behandeling
3.48
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.49
In de Unilever-beschikking uit 2005 heeft de Hoge Raad onder meer het volgende geoordeeld:91.
4.2.
In zijn beschikking van 10 januari 1990, nr. 21, NJ 1990, 466, heeft de Hoge Raad overwogen dat de wetgever blijkens de ontstaansgeschiedenis van de regeling van het enquêterecht, zoals deze is neergelegd in Boek 2 BW, als doeleinden van het enquêterecht niet slechts heeft beschouwd de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, maar tevens de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, terwijl bovendien van de mogelijkheid van de instelling van een enquête een preventieve werking zou kunnen uitgaan. Tot de doeleinden van het enquêterecht, zoals deze de wetgever voor ogen stonden, behoort niet de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard, noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. Wanneer het gaat om een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, kan een enquêteverzoek niet worden toegewezen. Indien het verzoek niets inhoudt dat op die doeleinden betrekking heeft, zal dat verzoek niet-ontvankelijk zijn. Indien het wel op die doeleinden gerichte stellingen inhoudt, maar deze stellingen niet aannemelijk zijn, zal het verzoek weliswaar - indien ook overigens is voldaan aan hetgeen daartoe vereist is - ontvankelijk zijn, maar moeten worden afgewezen.
3.50
Daarop sluit het volgende aan, afkomstig uit de KPNQwest-beschikking uit 2009 van de Hoge Raad:92.
3.2.2.
De wetgever heeft blijkens de ontstaansgeschiedenis van de wettelijke regeling van het enquêterecht (…) aanvankelijk vooral het verkrijgen van openheid van zaken als belangrijk doel daarvan aangemerkt en later de sanering en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon vooropgesteld. Van de mogelijkheid van een onderzoek en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor eventueel blijkend wanbeleid, zou bovendien een preventieve werking kunnen uitgaan.
3.2.3.
Tot de doeleinden van het enquêterecht zoals deze de wetgever voor ogen stonden, behoort niet de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. Is sprake van een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquête niet verwezenlijkt kunnen worden, dan is een enquêteverzoek niet toewijsbaar. Indien niet blijkt dat de beoogde enquête een doel (als vermeld in 3.2.2) heeft, zal het desbetreffende verzoek niet toewijsbaar zijn. De omstandigheid dat bij surseance van betaling of faillissement sanering of herstel van gezonde verhoudingen niet meer tot de mogelijkheden behoort, is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing.
3.51
In de onderhavige zaak is het niet zo dat het bij hetgeen [verzoeker] met zijn verzoek aan de orde stelt, dus in totaliteit bezien, gaat om een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van de enquêteprocedure - van het enquêterecht, zo men wil - niet verwezenlijkt kunnen worden. Dat dit wel zo zou zijn, zegt de OK ook nergens in het proces-verbaal. Daarin komt zij tot afwijzing van dit verzoek, vanwege haar slotsom dat niet is gebleken van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van en bij Getir (als bedoeld in art. 2:350 lid 1 BW). Zie onder 2.10 hiervoor.
3.52
Iets anders is dat tot die doeleinden niet behoort de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard, noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. En dat als een van de gronden van een enquêteverzoek in feite een geschil van vermogensrechtelijke aard betreft, dit verzoek in zoverre dus buiten het bereik van de enquêteprocedure valt. Het is niet aan de OK in het kader van het enquêterecht om zo’n te onderscheiden geschil te beslechten, noch is het enquêterecht bedoeld voor het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van zo’n (deel)geschil.
3.53
Op het oordeel van de OK onder C ging ik in onder 3.44 hiervoor. Hetgeen zij in dit - sterk feitelijke - oordeel tot uitdrukking brengt, sluit aan bij 3.52 hiervoor. Dit geeft, gezien ook voornoemde Hoge Raad-rechtspraak uit 2005 en 2009, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
3.54
Hierop ketst het subonderdeel af.
3.55
Subonderdeel 2.2 richt zich eveneens tegen het oordeel van de OK onder C. Indien en voor zover de OK het in subonderdeel 2.1 gestelde niet heeft miskend, heeft zij dit oordeel niet naar behoren gemotiveerd. Want zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het door [verzoeker] gestelde over (kort gezegd) de onterechte weigering van Mubadala (en Getir) om uitvoering te geven aan de Term Sheet, een geschil is van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquête niet verwezenlijkt kunnen worden. De OK heeft niet, althans onvoldoende, gemotiveerd waarom uit hetgeen [verzoeker] heeft gesteld93.niet volgt of kan volgen dat het bedoelde geschil ook de positie van Getir en het functioneren van haar organen (zoals het bestuur en/of de algemene vergadering van Getir) en/of (groepen van) individuele aandeelhouders (zoals Mubadala en/of [verzoeker] ) in hun hoedanigheid van aandeelhouder raakt. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dat niet begrijpelijk.
Behandeling
3.56
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.57
Voor zover zij voortbouwt op onderdeel 2.1, dat faalt, deelt zij in het lot daarvan. Zie onder 3.47-3.54 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.58
Ook overigens strandt het subonderdeel.
3.59
Op het oordeel van de OK onder C ging ik in onder 3.44 en 3.52-3.53 hiervoor. Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van dit oordeel strandt zij op een gebrek aan feitelijke grondslag in het proces-verbaal.
3.60
Tot slot: uit de behandeling van de subonderdelen 2.1 en 2.4-2.5 volgt al genoegzaam dat het oordeel van de OK onder C geen nadere motivering vergde om voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd te zijn. Zie onder 3.29-3.54 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.61
Ook subonderdeel 2.3 richt zich tegen het oordeel van de OK onder C. Met dit oordeel heeft zij in ieder geval onvoldoende gerespondeerd op de stellingname van [verzoeker] als bedoeld in noot 93 hiervoor, die een essentiële grondslag vormde van zijn standpunt dat sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken van/bij Getir te twijfelen.
Behandeling
3.62
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.63
Voor zover zij al voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv, loopt het subonderdeel vast in het voetspoor van subonderdeel 2.2. Zie onder 3.55-3.60 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.64
In subonderdeel 2.1894.wordt, als gezegd, zekerheidshalve nog een aanvullende klacht aangevoerd. Zij richt zich tegen p. 4 van het proces-verbaal. Daar staat, voor zover relevant:
In juni 2024 heeft Mubadala tegen verpanding van de aandelen in Getir Turkije een aanvullend krediet verstrekt van [USD] 250 miljoen, waarbij de Founders afstand hebben gedaan van hun overwegende zeggenschap in de algemene vergadering van Getir. Partijen hebben een aandeelhoudersovereenkomst gesloten en de statuten van Getir zijn gewijzigd. [betrokkene 1] is benoemd tot uitvoerend bestuurder van Getir, [verzoeker 1] is teruggetreden als CEO en samen met zijn zoon [betrokkene 2] en [verzoeker 2] benoemd tot niet uitvoerend bestuurder. Op voordracht van G Squared en Mubadala zijn twee andere niet uitvoerende bestuurders benoemd. Tegelijkertijd zijn partijen een Term Sheet overeengekomen waarin zij onder meer hebben opgenomen dat op nader uit te werken voorwaarden een Hive-Out zou plaatsvinden waarbij de kern-onderneming van Getir in Turkije tegen kwijtschelding van de schulden aan Mubadala zou worden toebedeeld en [verzoeker] de aandelen zouden verkrijgen in de andere - deels verlieslatende - dochterondernemingen van Getir, waaronder Getir Finance. In juli 2024 is [betrokkene 3] benoemd als onafhankelijke uitvoerend bestuurder.
3.65
Het subonderdeel betoogt dat, “indien en voor zover” (i) p. 4 van het proces-verbaal onderdeel vormt van de weergave van de mondelinge uitspraak van de OK ( [verzoeker] meent van niet, omdat die weergave pas begint op p. 7) “en” (ii) die p. 4 (anders dan [verzoeker] die uitlegt) zo moet worden uitgelegd dat de afspraken in juni 2024 over (kort gezegd) de governance van Getir niet (ook) waren opgenomen in de Term Sheet, [verzoeker] meent dat het oordeel van de OK - in het licht van de subonderdelen 2.17-2.18, inclusief noten - zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.
Behandeling
3.66
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.67
De veronderstelling onder (ii), waarmee ik begin, klopt niet. Dienaangaande mist het subonderdeel dus feitelijke grondslag in het proces-verbaal. Ik licht dit kort toe.
3.68
Ik maak, met zowel [verzoeker]95.als Getir,96.uit het proces-verbaal niet op dat volgens de OK op p. 4 de afspraken in juni 2024 over (kort gezegd) de governance van Getir niet (ook) waren opgenomen in de Term Sheet. Het tegendeel volgt mede uit de verwijzing door de OK op p. 4 naar wat partijen “onder meer hebben opgenomen” in de Term Sheet, waaruit blijkt dat de daarop volgende uiteenzetting door de OK niet limitatief is bedoeld. Dit strookt ook met de inhoud van de Term Sheet.97.
3.69
Met het voorgaande ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel. Zij behoeft geen verdere bespreking.
3.70
Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 2 faalt.
Slotsom
3.71
Het cassatiemiddel van [verzoeker] is derhalve vergeefs voorgesteld.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑12‑2025
Zie Hof Amsterdam (OK) 24 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:280, vanaf “Deze zaak betreft het volgende” (p. 4) t/m “De besluiten zijn goedgekeurd met ruim 59% van de stemmen in de algemene vergadering en ruim 67% van de stemmen in de vergadering van preferente aandeelhouders” (p. 6). De randnummering voeg ik toe.
Toevoeging A-G: deze passage ligt in lijn met de verwijzing van NJ-annotator G. van Solinge (in nr. 9 onder HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:409, NJ 2025/139) naar een door de OK gehanteerde “vaste formulering (al of niet met een verwijzing naar het arrest. en de parlementaire geschiedenis), die erop neerkomt dat een bestuurder geldt als geconflicteerd in de zin van art. 2:239 lid 6 BW indien hij te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming. Of daarvan sprake is, hangt af van alle omstandigheden van het geval. Is er een tegenstrijdig belang, dan dient de bestuurder zich te onthouden van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming over de desbetreffende transactie.”
Toevoeging A-G: in het proces-verbaal staat 2024, maar bedoeld zal zijn 2025.
Sluitstuk van het proces-verbaal (p. 12) is dat de voorzitter van de OK “meldt dat een proces-verbaal van de mondelinge behandeling met de schriftelijke uitwerking van de beslissing wordt opgemaakt en aan partijen wordt verzonden”, en vervolgens de behandeling ter terechtzitting sluit.
Ten tijde van het nemen van de besluiten van 7 en 10 januari 2025 waren de uitvoerend bestuurders van Getir: [betrokkene 1] en [betrokkene 3] .
Hier bevat het subonderdeel de volgende verwijzing: “Vgl: Kamerstukken II 2008-2009, 31763, nr. 6, p. 20; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/224”.
Hier bevat het subonderdeel de volgende verwijzing: “Vgl. R.G.J. Nowak en A.F.J.A. Leijten, 'De nieuwe wettelijke tegenstrijdigbelangregeling', Ondernemingsrecht 2012/92, § 4 en 7”.
Bij Getir is sprake van een monistisch bestuur in de zin van art. 2:239a BW. Dan bepalen de statuten dat de bestuurstaken worden verdeeld over een of meer niet uitvoerend bestuurders en een of meer uitvoerend bestuurders.
Zie noten 6-7 hiervoor.
Zie bijv. Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 10; Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 17, 22, 23, waarin ook wordt benadrukt (p. 22) “dat een bestuurder in alle gevallen de wettelijke opdracht heeft om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming”.
Zie bijv. Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 10, 12, mede onder verwijzing naar “HR 29 juni 2007, NJ 2007, 420 ([…])”; Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 19. Men kan het zo samenvatten dat “een tegenstrijdig belang van een bestuurder (…) [kan] worden aangenomen als deze functionaris te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het vennootschapsbelang, als een integer en onbevooroordeeld functionaris”. Zie B.F. Assink & L. Timmerman, ‘Tegenstrijdig belang en ‘temporaliteit’’, WPNR 2025/7502, p. 370. Overigens verwees de Hoge Raad al in HR 18 februari 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4633, NJ 1966/208 naar handelen “zoals het een objectief en integer persoon in” bepaalde “kwaliteit betaamt”. Het ging hier om een bestuurder van een vereniging.
Zie bijv. Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 12; Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 19, 20, 23; Kamerstukken I 2010/11, 31763, C, p. 6.
Zie bijv. Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 13; Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 20-21; Kamerstukken II 2015/16, 34491, 3, p. 12; Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11, waaronder: “Een bestuurder (…) doet er goed aan om een mogelijk tegenstrijdig belang te melden in de bestuursvergadering (…), voordat het desbetreffende agendapunt inhoudelijk wordt besproken.” Zo’n melding kan ook geschieden voorafgaand aan de bestuursvergadering.
Zie bijv. Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 21.
Zie bijv. Kamerstukken I 2010/11, 31763, C, p. 7, waaruit ook volgt dat art. 2:239 lid 6 BW omvat “een gedragsnorm voor bestuurders; zij moeten zich onthouden van besluitvorming indien er een tegenstrijdig belang is”. Dit gaat dus over de bestuurder met een tegenstrijdig belang in de zin van die bepaling.
Te weten Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 20.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 20, eerste twee alinea’s (“Het voorstel van Lennarts en Boschma (…). (…) over dat besluit of die transactie”).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 20, laatste twee alinea’s (“De leden van de CDA-fractie vragen (…). (…) buiten de aanwezigheid van de desbetreffende bestuurder plaatsvinden”). Aan het slot staat: “De overige bestuursleden kunnen immers behoefte hebben aan die informatie. Daarbij moeten zij zich er overigens wel bewust van zijn dat die informatie door de desbetreffende bestuurder kan zijn gekleurd. Vervolgens kan dan de beraadslaging en stemming over het agendapunt buiten de aanwezigheid van de desbetreffende bestuurder plaatsvinden.” Zie trouwens ook Kamerstukken I 2010/11, 31763, C, p. 6.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 19.
Toevoeging A-G: gedoeld wordt op S.M. Franken, ‘Tegenstrijdig belang in het voorontwerp voor een one-tier board’, O&F 2008-3, p. 26-46.
Toevoeging A-G: dit “risico” slaat terug op deze voorafgaande passage op Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 19: “In de memorie van toelichting is opgemerkt dat de vennootschap moet worden beschermd tegen het risico dat een bestuurder (…) bij zijn handelen - dat gericht moet zijn op het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming - zich meer gelegen laat liggen aan een persoonlijk belang. Anders geformuleerd, het gaat om een situatie waarin in redelijkheid kan worden betwijfeld of de bestuurder (…) zich bij de besluitvorming uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap. Dat risico kan het beste worden ingedamd door te bepalen dat een bestuurder met een persoonlijk belang dat tegenstrijdig is aan het belang van de vennootschap niet betrokken is bij de desbetreffende besluitvorming. De kwestie moet dan bij een meerhoofdig bestuur worden overgelaten aan de andere bestuurders (die geen tegenstrijdig belang hebben).”
Zie de vorige noot.
Zie bijv. HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9618, NJ 2002/393, rov. 3.5.2, waar de Hoge Raad dit relateert aan de strekking van art. 2:146/256 (oud) BW. Zie nader over die in de rechtspraak ontwikkelde gedragsregels, waaronder dit Hoge Raad-arrest, bijv. A.F.J.A. Leijten, ‘Tegenstrijdig belang’, in: Handboek Enquêterecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, par. 40.2. Leijten concludeert (op p. 1049) dat die gedragsregels ook kunnen worden gebaseerd op de strekking van bijv. art. 2:239 lid 6 BW, waarmee volgens hem vaststaat dat die gedragsregels (aanvullend) van toepassing zijn naast de in art. 2:239 lid 6 BW vervatte regeling.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 21.
Toevoeging A-G: hier wordt m.i. hetzelfde bedoeld als uiteengezet onder 3.7.10-3.7.11 hiervoor naar aanleiding van Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 20, eerste twee alinea’s. Zie ook noten 26-28 hierna.
Zie H.E. Boschma, M.L. Lennarts, J.N. Schutte-Veenstra & K. van Veen, Evaluatie Wet bestuur en toezicht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 34.
[Noot in het origineel, A-G:] NV, Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 6, p. 21.
Toevoeging A-G: zie ook Boschma e.a. 2018, p. 130-131: “De bevoegdheid tot vaststelling (ex ante) of sprake is van een tegenstrijdig belang ligt in eerste instantie bij de medebestuurders en kan in de statuten of in een reglement ook ter goedkeuring worden voorgelegd aan de RvC of aan de voorzitter van de RvC. In de literatuur wordt ervan uitgegaan dat ook in de statuten kan worden bepaald dat het bestuur of de voorzitter van het bestuur zelf vaststelt of een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft. Deze vaststelling is echter niet definitief ingeval het tot een gerechtelijke procedure komt. In dat geval zal uiteindelijk de rechter ex post aan de hand van de […]-criteria bindend vaststellen of er in de concrete situatie nu wel of geen sprake was van tegenstrijdig belang.” Zie verder bijv. J.B. Wezeman, ‘Vorm en sanctionering van tegenstrijdigbelangregels’, in: Eenheid en verscheidenheid, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 82; A.F.J.A. Leijten, ‘Besluitvorming bij tegenstrijdig belang naar komend recht’, in: Willems’ wegen, Deventer: Kluwer 2010, par. 24.4-24.5, waaronder: “De conclusie (…) moet zijn, denk ik, dat op de meldingsplicht aan medebestuurders, als die er zijn, geen uitzondering bestaat, ook al is deze niet in de wet zelf opgenomen. (…) In het systeem van het Wetsvoorstel zijn het - behoudens een afwijkende statutaire regeling - kennelijk de bestuurders aan wie het mogelijke tegenstrijdige belang gemeld is die besluiten of werkelijk sprake is van een tegenstrijdig belang en welke bestuurder of bestuurders daardoor geconflicteerd zijn.”
Zie bijv. Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 8; Kamerstukken I 2010/11, 31763, C, p. 15-16.
Zie bijv. HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, NJ 2018/330, rov. 3.5.2.
Illustratief is Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 10-14, waaronder: “De vennootschap dient beschermd te worden tegen het risico dat een bestuurder (…) bij zijn handelen, dat gericht moet zijn op het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming, zich meer gelegen laat liggen aan een persoonlijk belang. (…) Een tegenstrijdig belang regeling dient eerst en vooral de vennootschap en degenen die betrokken zijn bij de door de vennootschap in stand gehouden onderneming. (…) Voorgesteld wordt een regeling die er op neerkomt dat de bestuurder met een tegenstrijdig belang niet meewerkt aan de totstandkoming van het besluit van het bestuur.” Zie verder bijv. Kamerstukken II 2015/16, 34491, 3, p. 5, waaronder: “Deze regeling strekt ter bescherming van de belangen van de rechtspersoon en van degenen die bij die rechtspersoon betrokken zijn.” En Kamerstukken I 2010/11, 31763, C, p. 7 over “een gedragsnorm voor bestuurders; zij moeten zich onthouden van de besluitvorming indien er een tegenstrijdig belang is. De gedragsnorm is geschreven ter bescherming van de vennootschap.”
Zie bijv. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, rov. 4.1-4.3 en HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, NJ 2018/331, rov. 3.3.6, waaronder: “Het bestuur heeft een eigen verantwoordelijkheid om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (…).”
Zie bijv. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.2.
Zie bijv. HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7972, NJ 2007/434, rov. 4.4-4.5 en HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, NJ 2018/331, rov. 3.3.6.
Zie Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11.
Zie Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11.
Zie in dit verband ook diezelfde minister in Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 22, bij de vraag (vanuit de SGP-fractie) “of de verantwoordelijkheid voor het definiëren van tegenstrijdig belang bij de individuele bestuurder ligt of bij het bestuur als geheel”: “Of sprake is van een tegenstrijdig belang, wordt primair bepaald door de bestuurder zelf. Wanneer hij twijfelt over de aanwezigheid van (de schijn van) een tegenstrijdig belang, doet hij er goed aan om dit te melden en zijn mening te toetsen aan het gevoelen van de andere bestuurders. Deze kunnen hem dan adviseren over hun oordeel ten aanzien van de aanwezigheid van (de schijn van) een tegenstrijdig belang. Uiteindelijk oordeelt de rechter of van een tegenstrijdig belang sprake is geweest.” Daarbij volgt: “Voor een uitgebreider antwoord verwijs ik naar mijn antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de PvdA-fractie”, wat kennelijk ziet op Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11.
Dit geldt ook voor de in de vorige noot geciteerde opmerking van de minister.
Zie D.A.M.H.W. Strik, ‘Onderzoeksplicht bij (potentieel) tegenstrijdig belang?’, in: Het belang van Fons, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 439-440, mede naar aanleiding van Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11, 22.
J.M. de Jongh, Twee eeuwen tegenstrijdig belang (oratie EUR), Den Haag: Boom juridisch 2019 merkt op p. 54 op “dat de vaststelling van een tegenstrijdig belang dient te geschieden in samenspraak met medebestuurders en commissarissen”. Op p. 64 schrijft hij, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11, kennelijk meer precies naar de onder 3.7.15 hiervoor geciteerde opmerking van de minister: “Nu kan er in de praktijk onzekerheid of onenigheid bestaan over de vraag óf in een concreet geval sprake is van een tegenstrijdig belang. Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat die beslissing wordt genomen door de betrokken bestuurder maar dat hij daartoe overlegt met zijn medebestuurders.” Mogelijk in vergelijkbare zin Asser/G.J.C. Rensen, Overige rechtspersonen (2-III), Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 137 onder c. Ik zou die conclusie dus niet willen verbinden aan de parlementaire geschiedenis, zo moge duidelijk zijn.
Zie evenwel HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544, rov. 4.4.2 onder (iii), waarin de Hoge Raad - kennelijk met een schuin oog kijkend naar art. 3:12 BW - overweegt dat de code (gedoeld wordt op de versies uit 2003 en 2008) “een uiting vormt van de in Nederland heersende algemene rechtsovertuiging welke mede inhoud geeft aan” de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW en de eisen die voortvloeien uit een behoorlijke taakvervulling waartoe elke bestuurder ingevolge art. 2:9 BW gehouden is.
Zie HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, NJ 2007/420, rov. 3.4-3.7. Zie ook onder 3.7.6 hiervoor.
Toevoeging A-G: deze per 1 januari 2013 vervallen bepaling, waarvoor kort gezegd art. 2:239 lid 6 BW toen in de plaats is gekomen, luidde: “Tenzij bij de statuten anders is bepaald, wordt de vennootschap in alle gevallen waarin zij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders, vertegenwoordigd door de commissarissen. De algemene vergadering is steeds bevoegd een of meer andere personen daartoe aan te wijzen.”
Zie bijv. Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 10-14; Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 12. Zie bijv. ook Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 18, waaronder: “In aansluiting op de uitspraak van de Hoge Raad inzake […] (HR 29 juni 2007, NJ 2007, 420) volgt uit het wetsvoorstel dat een zuiver kwalitatief belang niet leidt tot de toepassing van de regeling terzake tegenstrijdig belang (artikel 2:129/239 lid 6 BW). De desbetreffende bestuurder mag echter niet een direct of indirect persoonlijk belang hebben bij de besluitvorming (terwijl dat belang tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap). In het laatste geval mag hij niet deelnemen aan de besluitvorming.”
Zoiets valt ook niet te lezen in Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11, 22, waarover onder 3.7.15-3.7.16 hiervoor.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 12. Dit betreft een passage over datgene waartoe een “tegenstrijdig belang regeling” dient (“eerst en vooral de vennootschap en degenen die betrokken zijn bij de door de vennootschap in stand gehouden onderneming”), waarbij “past dat zo’n regeling ook binnen het vennootschappelijke veld vorm krijgt”.
Toevoeging A-G: zie ook NJ-annotator J.M.M. Maeijer in nr. 4 onder HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, NJ 2007/420: “Maar de hierboven onder 1 slot aangeduide gedragsnorm die de HR aan het handelen van de bestuurder stelt, geldt, zoals uit r.o. 3.7 blijkt, in het bijzonder die besluitvorming van de bestuurder. In wezen is die norm een heilzame concretisering van hetgeen ingevolge art. 2:8 en 9 lid 1 BW van de bestuurder in het algemeen mag worden verwacht.” Die verwijzing naar het slot van nr. 1 slaat terug op: “Ingevolge r.o. 3.4 moet worden beoordeeld of de bestuurder bij wie integriteit en objectiviteit mogen worden verwacht, te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden (dus niet: of hij zich … heeft kunnen laten leiden) door het belang van de vennootschap en de onderneming. Hierbij is echter niet vereist dat van te verwachten daadwerkelijke benadeling van de vennootschap sprake is.”
Zie noot 6 hiervoor.
Zie Asser/M.P. Nieuwe Weme & T. Salemink, NV en BV - Corporate Governance (2-IIb), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nrs. 201-203.
Toevoeging A-G: dit een en ander sluit grosso modo aan bij, maar is op onderdelen concludenter dan, Asser/G. van Solinge & M.P. Nieuwe Weme, NV en BV - Corporate Governance (2-IIb), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nrs. 221, 224-225 inzake (melding respectievelijk vaststelling van) tegenstrijdig belang mede in de zin van art. 2:239 lid 6 BW.
Dit is dus aan de orde in de onderhavige zaak. Tot die situatie beperk ik mij hier.
Dit laatste past ook bij het in art. 2:239 lid 6 BW vervatte mechanisme dat als een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft (dus in de zin van die bepaling), hij niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming ter zake van het bestuur. Dit werpt dan de schaduw vooruit naar de situatie waarin door het bestuur moet worden beslist of de betrokken bestuurder daadwerkelijk zo’n tegenstrijdig belang heeft. Zie trouwens ook de systematiek van de Nederlandse corporate governance code, waarover onder 3.7.18 hiervoor.
Zie ook onder 3.7.23-3.7.24 hierna.
Zie met name M.L. Lennarts, T&C Ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2025 (bijgewerkt t/m 1 september 2025), art. 2:239 BW, aant. 8; J.B. Huizink, GS Rechtspersonen, Deventer: Wolters Kluwer 2025 (bijgewerkt t/m 27 juli 2025), art. 2:239 BW, aant. 17.4.2; E.E.G. Gepken-Jager, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, Den Haag: Sdu 2025, art. 2:239 BW, aant. 3 in verbinding met art. 2:129 BW, aant. 3.1 (in het bijzonder p. 605, waaronder: “De bevoegdheid tot vaststelling (ex ante) of sprake is van een tegenstrijdig belang ligt in eerste instantie bij de medebestuurders en kan in de statuten of in een reglement ook ter goedkeuring worden voorgelegd aan de RvC of aan de voorzitter van de RvC. Of in een concreet geval daadwerkelijk sprake is van tegenstrijdig belang wordt uiteindelijk definitief vastgesteld door de rechter (ex post) aan de hand van de […]-criteria”); M.J. Kroeze, L. Timmerman & J.B. Wezeman, De kern van het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 127-130; P. van Schilfgaarde/J.W. Winter, J.B. Wezeman & J.D.M. Schoonbrood, Van de BV en de NV, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 42 (in het bijzonder p. 203-204); J.B. Huizink/J.E. Brink-van der Meer & B.H.A. van Leeuwen, Rechtspersoon, vennootschap en onderneming, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 108a; K.H.M. de Roo, Bestuur van rechtspersonen (diss. VU), Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. 3.7; P. van Schilfgaarde, De redelijkheid en billijkheid in het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 76; E.E.J. van der Heijden/W.C.L. van der Grinten/P.J. Dortmond e.a., Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, Deventer: Kluwer 2013, nr. 233.1; B.F. Assink | W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 1), Deventer: Kluwer 2013, § 51.6 (in het bijzonder p. 975-982). Zie ook noten 26-28 en 39 hiervoor en noten 57-58 hierna.Volgens C.H.C. Overes, T.J. van der Ploeg & W.J.M. van Veen, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 117 “lijkt” de beoordeling of sprake is van een tegenstrijdig belang “in beginsel een verantwoordelijkheid van de bestuurder zelf”. Het is mij niet duidelijk wat zij daarmee precies bedoelen en waarop zij dit dan precies baseren. Zie verder noot 40 hiervoor, te lezen in het licht van 3.7.6-3.7.17 hiervoor.
Dus: “R.G.J. Nowak en A.F.J.A. Leijten, 'De nieuwe wettelijke tegenstrijdigbelangregeling', Ondernemingsrecht 2012/92, § 4 en 7”.
Zie bijv. nrs. 6-7: “De wet bepaalt zoals gezegd evenmin wie tot vaststelling (ex ante) van een tegenstrijdig belang bevoegd is. De toelichting betoogt dat de statuten ‘uiteraard’ kunnen bepalen dat de raad van commissarissen een goedkeuringsrecht heeft ten aanzien van de (in eerste instantie door de medebestuurders te beantwoorden) vraag of een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft. (…) In de praktijk zal (in statuten of in een reglement) ook verder aansluiting kunnen worden gezocht bij de regeling in de CGC. Indien het orgaan waarvan het geconflicteerde lid deel uitmaakt, vaststelt of er in het concrete geval sprake is van een tegenstrijdig belang, zal dat uiteraard buiten diens aanwezigheid dienen te geschieden.” [onderstreping toegevoegd, zonder verwijzing in het origineel, A-G]
Zoals in Assink | Slagter 2013, § 51.6 (p. 980-982, 988-993), mede over het structural bias-fenomeen. Zie bijv. ook Leijten 2010, par. 24.2.
Dus: “Artikel 2:239 lid 6 BW bepaalt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Daarvan is sprake indien de betrokken bestuurder, gelet op alle omstandigheden van het geval, te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming.”
Vrij naar plv. P-G Mok (ECLI:NL:PHR:2002:AD9857) voor HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, NJ 2002/296, onder 3.4.5.2.
Zie de spreekaantekeningen zijdens [verzoeker] bij de mondelinge behandeling van 24 januari 2025, nrs. 2.10-2.11.
[Noot in het origineel, A-G:] HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:409, r.o. 4.7.
Toevoeging A-G: ter zake tekent het subonderdeel aan, in de laatste zin van noot 13 aldaar: “Zie voor de wens van Mubadala om de transactie aan te gaan, zonder inwilliging waarvan Mubadala niet langer bereid was om Getir te blijven financieren: verzoekschrift § 3.19, 4.13; proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 5.”
[Noot in het origineel, A-G:] Verweerschrift Executive Directors, nr. 123.
[Noot in het origineel, A-G:] Productie 5, Schedule 1.
[Noot in het origineel, A-G:] Productie 21, art. 2.
[Noot in het origineel, A-G:] Idem, Schedule 1.
Toevoeging A-G: ik begrijp voornoemde “beloning van Alix”.
[Noot in het origineel, A-G:] Idem, art. 2.
[Noot in het origineel, A-G:] Idem, art. 3.
[Noot in het origineel, A-G:] Idem, art. 3.
[Noot in het origineel, A-G:] Productie 22, onder 6.4.
Te weten: (i) dat [verzoeker] (ook) overigens geen concrete feiten en omstandigheden zou hebben aangevoerd waaruit zou blijken dat [betrokkene 1] , kort gezegd, een tegenstrijdig belang had; en (ii) dat [verzoeker] niet zou hebben gesteld dat [betrokkene 1] een persoonlijk belang had bij de aanvaarding van de door Mubadala voorgestelde transactie door Getir. Wat (ii) betreft geldt - aldus het subonderdeel - dat de stellingen van [verzoeker] niet anders kunnen worden begrepen dan dat [betrokkene 1] er, vanwege de door [verzoeker] concreet genoemde feiten en omstandigheden, een persoonlijk belang bij had gehoor te geven aan de wensen van Mubadala, tot welke wensen behoorde het aangaan van de door Mubadala voorgestelde transactie.
Daarmee ontvalt ook reeds de bodem aan het daarop aansluitende beroep in nr. 2.11 op HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:409, NJ 2025/139, rov. 4.7. Overigens was het daar voorliggende feitencomplex een wezenlijk andere dan in de onderhavige zaak, zoals reeds blijkt uit de door de Hoge Raad in rov. 4.7 benadrukte omstandigheid dat de bestuurder in kwestie “op het punt stond zijn (nagenoeg) enige inkomstenbron te verliezen toen zijn positie binnen [de vennootschap, A-G] onhoudbaar was geworden”. Zie ook onder 3.21.1 hierna.
Zie ook p. 4 van het proces-verbaal: “ [betrokkene 1] , van AlixPartners, is op verzoek van Mubadala, benoemd als (mede)bestuurder van Getir.”
Dit laatste volgt evenmin uit de stelling van [verzoeker] - onder verwijzing naar art. 3 van de Engagement Letter - dat Mubadala meer rechten krijgt dan de overige aandeelhouders, onder meer op het gebied van informatie en assistentie (zie nr. 2.11 onder (iv)). Daarmee heeft hij evenmin gesteld dat “ [betrokkene 1] persoonlijk” een belang zou hebben bij aanvaarding door Getir van de door Mubadala voorgestelde transactie.
Ook daarmee heeft [verzoeker] niet gesteld dat “ [betrokkene 1] persoonlijk” een belang zou hebben bij aanvaarding door Getir van de door Mubadala voorgestelde transactie.
Zie het V6-formulier indiening nadere stukken zijdens Getir van 23 januari 2025, productie 41.
Die “Aanvulling, uitwerking en toelichting” betrek ik uiteraard bij de beoordeling van de subonderdelen 2.1 t/m 2.5, maar vergt geen separate bespreking afgezien van subonderdeel 2.18.
Het subonderdeel verwijst hier, in essentie, naar nrs. 4.1 en 4.3 van het verzoekschrift van [verzoeker] en nrs. 1.2, 3.7, 4.1 en 4.2 van diens spreekaantekeningen.
Daarbij betrekt de OK dus - kort gezegd - dat bestuurders zich bij de vervulling van hun taak dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, waarvan de inhoud afhangt van de omstandigheden van het geval. Dat bestuurders daarbij voorts - mede op grond van art. 2:8 BW - zorgvuldigheid moeten betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, welke verplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al die betrokkenen niet onnodig of onevenredig worden geschaad. En dat het bestuur bij zijn besluitvorming beoordelingsvrijheid toekomt, waarbij geldt dat de OK in beginsel niet in de merites van bestuurlijke beslissingen treedt wanneer daaraan een gedegen besluitvormingsproces ten grondslag ligt met een behoorlijke afweging van de voor- en nadelen.
Onderdeel van dit laatste is: “Mubadala was niet gehouden nog aanvullende financiering te verstrekken en zij had op 31 december 2024 uitdrukkelijk laten weten dat zij daartoe niet bereid zou zijn indien de voorgestelde transactie en de daaraan gestelde voorwaarden niet door Getir werden aanvaard.” Zie ook p. 4-6 van het proces-verbaal, en de vaststelling op p. 8 dat “[m]et de door Mubadala op 30 december 2024 aan [verzoeker] en Getir verzonden brieven duidelijk [was] geworden dat nakoming van de Term Sheet niet meer mogelijk zou zijn, als de door Mubadala voorgestelde transactie met de daaraan verbonden voorwaarden (…) door Getir zou worden aanvaard.”
Toevoeging A-G: het subonderdeel verwijst hier, in essentie, naar nrs. 1.2, 1.3, 3.10, 4.1-4.3 en 4.16 van het verzoekschrift van [verzoeker] , nrs. 1.2, 3.7, 4.1 en 4.2 van diens spreekaantekeningen en p. 5, tweede alinea, laatste zin van het proces-verbaal.
Die onder 3.40-3.43 hiervoor bedoelde betogen van [verzoeker] betreffen immers, kort gezegd, kwesties (van wijziging althans aanwending) van zeggenschap in het bestuur en/of de algemene vergadering van Getir.
Dit betreft de door mij onder 3.35 hiervoor onderstreepte stelling van [verzoeker] , dus: “(…) dat Mubadala van haar zijde te kwader trouw en op onjuiste gronden geen uitvoering heeft gegeven aan de Term Sheet (…).” Zie over de Term Sheet ook o.a. p. 4 van het proces-verbaal, waar de OK vaststelt dat “partijen een Term Sheet [zijn] overeengekomen” (in juni 2024) en wat zij daarin onder meer hebben opgenomen.
De OK gebruikt de woorden “in de kern”. Van Dale (online, 5 december 2025) omschrijft dit, bij “in de /grond/kern/ van de zaak”, als: “in feite, eigenlijk”. Men kan ook zeggen: in wezen, in essentie, dat waar het om draait/op neerkomt. Kortom, volgens de OK gaat het hier om een te onderscheiden geschil van vermogensrechtelijke aard; van een gemengd geschil (slechts deels van die aard) is geen sprake. Ook hier doet trouwens opgeld wat ik schreef onder 3.15 hiervoor over het proces-verbaal en het wegen van woorden op een goudschaaltje.
Ik begrijp: op basis van de forumkeuze in de Term Sheet. Zie de voor-voorlaatste pagina, achter “Governing Law” (“the courts of England and Wales shall have exclusive jurisdiction”, etc.)
Hier speelt dus iets anders dan aan de orde was in bijv. Hof Amsterdam (OK) 21 maart 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC7530, rov. 3.5. Dit betreft gevallen waarin de OK in een enquêteprocedure, wil zij tot een bepaalde - in de woorden van J.H.M. Willems, ‘Ondernemingsrecht met een eigen karakter?’, in: Eenheid en verscheidenheid, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 173 - “enquêterechtelijke beslissing” kunnen komen, een (voor)vraag moet beantwoorden ten aanzien waarvan de OK niet de absoluut bevoegde rechter is en er geen antwoord van de wel absoluut bevoegde rechter voorhanden is. Willems duidt de positie van de OK in zulke gevallen aldus “dat als een beslissing ter zake van de absoluut bevoegde rechter niet voorhanden is, de OK tot de beslissing dient te komen waartoe naar haar oordeel die rechter zou komen, zou hem het geschil worden voorgelegd.” Daarmee “is die vraag niet met gezag van gewijsde beslist.”
Ook deze cursivering is aangebracht in het subonderdeel.
Zie HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465, NJ 2006/173, rov. 4.2.
Zie HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516, NJ 2011/210, rov. 3.2.2-3.2.3.
Het subonderdeel verwijst hier, in essentie, naar nrs. 1.3, 4.1 en 4.3 van het verzoekschrift van [verzoeker] , nrs. 1.2, 3.7, 4.1 en 4.2 van diens spreekaantekeningen en p. 5, tweede alinea, laatste zin van het proces-verbaal.
Onderdeel van een verhandeling over subonderdeel 2.2 onder “Aanvulling, uitwerking en toelichting”.
Zie het subonderdeel (“anders dan [verzoeker] die uitleggen”).
Zie haar verweerschrift in cassatie, nr. 119: “De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan [verzoeker] stellen, heeft de OK niet geoordeeld c.q. vastgesteld dat de afspraken in juni 2024 over de governance van Getir niet opgenomen waren in de Term Sheet”, etc.
Zie productie 6 bij het verzoekschrift van [verzoeker]
Beroepschrift 24‑04‑2025
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE HOGE RAAD
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 |
2511 EK DEN HAAG | |
Datum indiening: | 24 april 2025 |
Partijen en advocaten
Verzoekers tot cassatie
Naam: | [verzoeker 1] |
Woonplaats: | [woonplaats], Turijke |
Naam: | [verzoeker 2] |
Woonplaats: | [woonplaats], Turkije |
Naam: | de rechtspersoon naar buitenlands recht [verzoekster 3] A.S. |
Vestigingsplaats: | [vestigingsplaats], Turkije |
Advocaten bij de Hoge Raad: | mrs. J.W.H. van Wijk en J.W. de Jong, die door verzoekers als zodanig worden aangewezen om hen in het geding in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaten: | Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V. |
Bezuidenhoutseweg 57 | |
2594 AC DEN HAAG |
Verweerster in cassatie en belanghebbenden
Verweerster:
Naam: | de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Getir B.V. |
Adres: | Keizersgracht 572, 1017 EM Amsterdam |
Vestigingsplaats: | Amsterdam |
Advocaten laatste feitelijke instantie: | mrs. B.M.H. Fleuren en B. van Niekerk |
Kantoor en kantooradres advocaten: | Linklaters |
Zuidplein 180 | |
1077 XV AMSTERDAM |
Belanghebbenden:
Naam: | de rechtspersoon naar buitenlands recht MC Management 12 RSC Limited |
Vestigingsplaats: | Abu Dhabi |
Naam: | de rechtspersoon naar buitenlands recht MIC Capital Management 39 RSC Limited |
Vestigingsplaats: | Abu Dhabi |
Naam: | de rechtspersoon naar buitenlands recht MIC Capital Management 68 RSC Limited |
Vestigingsplaats: | Abu Dhabi |
Advocaten laatste feitelijke instantie: | mrs. K. van der Graaf, P.A. Josephus Jitta en S. Boonstra |
Kantoor en kantooradres advocaten: | Buren Legal |
WTC — Tower Seven level 14 | |
Strawinskylaan 1441 | |
1077 XX AMSTERDAM |
Naam: | de rechtspersoon naar buitenlands recht G Squared VI Holdco, LLC |
Vestigingsplaats: | Delaware, Verenigde Staten |
Naam: | de rechtspersoon naar buitenlands recht G Squared B.I.G. LLC |
Vestigingsplaats: | Delaware, Verenigde Staten |
Naam: | de rechtspersoon naar buitenlands recht G Squared Opportunities ICAV |
Vestigingsplaats: | Dublin, Ierland |
Naam: | de rechtspersoon naar buitenlands recht G Squared V, LP |
Vestigingsplaats: | Delaware, Verenigde Staten |
Naam: | de rechtspersoon naar buitenlands recht G Squared V, LP en G Squared V SCSP |
Vestigingsplaats: | Munsbach, Luxemburg |
Advocaten laatste feitelijke instantie: | mrs. J.W. de Groot en T.J.A. Zuijderland |
Kantoor en kantooradres advocaten: | Houthoff |
Gustav Mahlerplein 50 | |
1082 MA AMSTERDAM |
Bestreden uitspraak1.
Instantie: | Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam |
(hierna: ‘OK’) | |
Datum: | 24 januari 2025 |
Zaaknummer: | 200.349.885/01 OK |
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat de OK heeft geoordeeld als vermeld in de bestreden uitspraak, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
Inleiding2.
Deze zaak betreft de materiële liquidatie van een groep vennootschappen waarvan Getir de Nederlandse houdstermaatschappij is. Het cassatieberoep omvat twee kwesties. Ten eerste de vraag of [verzoekers] c.s., op de wijze waarop dit is gebeurd, mochten worden uitgesloten van de besluitvorming in het bestuur van Getir over een overdracht van de dochterondernemingen van Getir aan Mubadala, omdat [verzoekers] c.s. een tegenstrijdig belang zouden hebben, terwijl de op voorstel van Mubadala benoemde uitvoerend bestuurder [betrokkene 1] geen tegenstrijdig belang zou hebben. Ten tweede of de OK de gang van zaken rondom de hierna te noemen Term Sheet van juni 2024 buiten haar beoordeling kon houden, omdat dit in de kern een geschil van vermogensrechtelijke aard zou zijn.
De feitelijke achtergrond van deze kwesties is als volgt.
De groep waarvan Getir aan het hoofd staat, is in Turkije actief in diverse sectoren. Buiten Turkije is zij met name bekend om haar (flits-)bezorgdiensten. [verzoekers] c.s. hebben de groep in 2015 opgericht. Sindsdien is de groep sterk gegroeid, onder meer door grote concurrenten over te nemen. In maart 2022 werd kapitaal opgehaald tegen een waardering van ongeveer USD 12 miljard. Na de Corona-pandemie sloeg het marktsentiment echter om. Bij een financieringsronde in september 2023 bedroeg de waarde van de groep van Getir nog USD 2,5 miljard.
In 2024 besloot Getir verliesgevende activiteiten af te stoten en zich te concentreren op de Turkse markt. Tijdens deze transactie werd geleend van Mubadala, een staatsinvesteringsfonds uit Abu Dhabi en de grootste aandeelhouder van Getir. In april 2024 leende Mubadala (samen met G Squared) Getir USD 70 miljoen (hierna: de April Loan Agreement) en in juni 2024 USD 250 miljoen. Mubadala stelde daarbij strenge eisen. Zo moest de groep al haar activa verpanden en moesten [verzoekers] c.s. hun overwegende zeggenschap in de algemene vergadering van Getir opgeven.
Ook in het bestuur van Getir vonden wijzigingen plaats. Op verzoek van Mubadala werd [betrokkene 1], partner van het herstructureringsbureau Alix Partners, benoemd als uitvoerende bestuurder, in de plaats van [verzoeker 1] die zijn positie als CEO opgaf. Enige tijd later werd, naast [betrokkene 1], [betrokkene 3] de tweede uitvoerende bestuurder. [verzoeker 1], zijn zoon [betrokkene 2] en [verzoeker 2] werden benoemd als niet uitvoerende bestuurders. Op voordracht van onder meer Mubadala werden nog twee andere niet uitvoerende bestuurders benoemd.
In het kader van deze herstructurering zijn partijen, inclusief Getir, in juni 2024 een Term Sheet overeengekomen. Daarin werd, naast de genoemde wijzigingen in de algemene vergadering en het bestuur, afgesproken dat op nader uit te werken voorwaarden een Hive-Out zou plaatsvinden. Dit hield in dat de kern-onderneming van Getir in Turkije, tegen kwijtschelding van de schulden van Getir, werd toebedeeld aan Mubadala. [verzoekers] c.s. zouden de aandelen krijgen in de andere, deels verlieslatende, dochters van Getir. Een van die dochters was Getir Finance, een niet-operationeel bedrijf dat wachtte op een banklicentie, waarin Getir een meerderheidsbelang hield.
Nadat partijen de Term Sheet waren overeengekomen, liet de Turkse toezichthouder op 26 augustus 2024 weten dat zij de licentie had verleend die Getir Finance nodig had om haar activiteiten te beginnen. Dankzij de inspanningen van [verzoekers] c.s. groeide Getir Finance vervolgens zeer snel. In een paar maanden tijd verwierf Getir Finance 300.000 depositohouders en een totaal aan deposito's van USD 130 miljoen, tegenover een kredietportefeuille van USD 26 miljoen bestaande uit 12.000 kredietnemers.
Mubadala is zich vervolgens — nadat op haar aandringen reeds de twee meest verlieslatende dochtervennootschappen van Getir, Fresh Direct en n11, aan [verzoekers] c.s. waren overgedragen — op het standpunt gaan stellen dat de Term Sheet, die [verzoekers] c.s. van hun kant al waren nagekomen door onder meer zeggenschap op te geven, niet bindend zou zijn. Mubadala vond dat zij niet gehouden was om eraan mee te werken dat de resterende dochtervennootschappen van Getir aan [verzoekers] c.s. werden overgedragen, waaronder 55% van het belang van de groep in Getir Finance. [verzoekers] c.s. gaan ervan uit dat deze koerswijziging van Mubadala werd ingegeven doordat Getir Finance, na de Term Sheet, opeens veel succesvoller werd dan eerder verwacht.3.
Op 30 december 2024 stuurde Mubadala [verzoeker 1] een brief waarin hem 24 uur werd gegeven om een ‘final offer’ te accepteren dat inhield dat alle activa van de groep zouden worden overgedragen aan Mubadala. Dit voorstel week uiteraard sterk af van de Term Sheet en de daarin overeengekomen Hive-Out. Dezelfde dag deed Mubadala het bestuur van Getir het dringende verzoek om een schikking (transactie) goed te keuren waarbij onder meer alle activa van Getir, waaronder dus de aandelen in Getir Finance, zouden worden overgedragen aan Mubadala tegen kwijtschelding van de leningen van Mubadala aan Getir. Aldus zou Mubadala zich de verpande activa toe-eigenen tegen kwijting van de leningen, maar zonder waardering van die activa. Als Getir dit voorstel niet zou aanvaarden, zou Mubadala haar zekerheden uitwinnen.
[verzoekers] c.s. hebben zich tegen de door Mubadala voorgestelde transactie verzet. Niet alleen was die in strijd met de Term Sheet, maar ook zouden daarbij de dochtervennootschappen van Getir aan Mubadala worden overgedragen voor een veel te lage waarde. Volgens [verzoekers] c.s. zijn deze dochters aanzienlijk meer waard dan de schulden van USD 532,9 miljoen die Mubadala zou kwijtschelden. [verzoekers] c.s. hebben er in dit verband op gewezen dat in correspondentie van Alix Partners van kort voor het voorstel van Mubadala een waarde tussen de USD 1,35 en 1,975 miljard werd toegedicht aan een deel van de activa van de groep.4. [verzoekers] c.s. hebben bij gelegenheid van de mondelinge behandeling ook een waardering door KPMG overgelegd (die zij op extreem korte termijn hadden moeten laten opstellen), waarin alleen al Getir Finance werd gewaardeerd op USD 500 miljoen.5.
Niettemin heeft het bestuur van Getir met de transactie ingestemd. De desbetreffende besluiten zijn op 7 en 10 januari 2025 genomen door alleen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] (hierna ook: de ‘Executive Directors’ of de ‘uitvoerende bestuurders’). [betrokkene 1] — die [verzoekers] c.s. zien als een verlengstuk van Mubadala — en [betrokkene 3] hebben zich daartoe op het standpunt gesteld dat [verzoekers] c.s. bij de besluitvorming een tegenstrijdig belang hadden (art. 2:239 lid 6 BW), omdat [verzoekers] c.s. belang hadden bij nakoming van de Term Sheet. Bij aanvaarding van de door Mubadala voorgestelde transactie was die nakoming niet meer mogelijk. [betrokkene 1] en [betrokkene 3] hebben [verzoekers] c.s. daarom buiten de besluitvorming gehouden.
De OK heeft de bezwaren van [verzoekers] c.s. tegen deze gang van zaken verworpen. Hierover klaagt onderdeel 1. [verzoekers] c.s. menen ten eerste dat de OK heeft miskend dat het niet aan [betrokkene 1] en [betrokkene 3] — de uitvoerende bestuurders — was om zelfstandig te besluiten dat hun collega-bestuurders [verzoekers] c.s. niet aan de besluitvorming mochten deelnemen. Daarnaast heeft de OK ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd het standpunt van [verzoekers] c.s. verworpen dat juist [betrokkene 1] zelf een tegenstrijdig belang had, omdat hij de wensen uitvoert van Mubadala, die onder meer zijn benoeming heeft geïnitieerd en zijn beloning financiert.
De OK heeft ook de bezwaren van [verzoekers] c.s. ter zake van de Term Sheet verworpen. [verzoekers] c.s. hebben toegelicht dat Mubadala te kwader trouw en op onjuiste gronden heeft geweigerd uitvoering te geven aan de Term Sheet, terwijl zij vervolgens misbruik heeft gemaakt van het feit dat [verzoekers] c.s. de Term Sheet wél zijn nagekomen en afstand hebben gedaan van de overwegende zeggenschap die zij hadden in de algemene vergadering en van hun posities op bestuursniveau. Alleen daardoor zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 3] benoemd en hadden [verzoekers] c.s. niet langer voldoende zeggenschap in de algemene vergadering om hun besluiten over de door Mubadala voorgestelde transactie tegen te houden. Die transactie komt erop neer dat Mubadala zich de dochtervennootschappen van Getir toe-eigent die nu juist mede de tegenprestatie waren voor [verzoekers] c.s. om hun zeggenschap op te geven. [verzoekers] c.s. menen dat de OK ten onrechte heeft geoordeeld dat dit in de kern een geschil van vermogensrechtelijke aard betreft, waarvoor de enquêteprocedure niet bedoeld is. De OK heeft aldus (met miskenning van de Unilever-beschikking van uw Raad) een onjuiste maatstaf gehanteerd en haar oordeel bovendien niet naar behoren gemotiveerd. Hierover klaagt onderdeel 2.
1. Tegenstrijdig belang
1.1
[verzoekers] c.s. hebben aangevoerd dat het niet aan de Executive Directors was om hen buiten de besluitvorming te houden over de door Mubadala voorgestelde transactie.6. Zij hebben gesteld dat het onwenselijk is dat conflicten op bestuursniveau worden beslecht doordat het ene kamp bestuurders van het andere kamp buitensluit en zelf besluiten gaat nemen en dat uitgangspunt is dat bestuurders primair zelf beoordelen of zij een tegenstrijdig belang hebben. In het onderhavige geval betekende dit dat de Executive Directors niet bevoegd waren om een oordeel te vellen. Als zij zich zorgen maakten over een mogelijk tegenstrijdig belang, hadden zij in gesprek moeten gaan met [verzoekers] c.s. of zich tot de rechter moeten wenden, die als enige bindend kan vaststellen of sprake is van een tegenstrijdig belang. De Executive Directors zijn echter, ten onrechte, eigen rechter gaan spelen.7.
In het licht van dit betoog heeft de OK, bij de beoordeling of [verzoekers] c.s. terecht buiten de besluitvorming zijn gehouden (zie p. 8 van het p.v.), blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel haar oordeel onvoldoende gemotiveerd. De OK miskent dat het — bij gebreke van een andersluidende (statutaire) regeling — (in beginsel) aan de bestuurder met een mogelijk tegenstrijdig belang is om te beslissen of hij, gelet op het bepaalde in art. 2:239 lid 6 jo. lid 5 BW, aan de besluitvorming kan deelnemen8. en dat, indien daarover een verschil van inzicht bestaat (zoals in dit geval) dat niet in overleg kan worden opgelost, de rechter, zo nodig in kort geding, dient te beslissen.9. Het ligt daarbij voor de hand dat de bestuurders die, met een beroep op de wettelijke regeling voor tegenstrijdig belang, collega-bestuurders van de besluitvorming willen (doen) uitsluiten, zich tot de rechter wenden.
In ieder geval heeft de OK haar oordeel ontoereikend gemotiveerd door niet uiteen te zetten waarom [betrokkene 1] en [betrokkene 3] deze weg in dit geval niet hoefden te volgen. De enkele omstandigheid dat zij, kort gezegd, hun standpunt op 31 december 2024 met [verzoekers] c.s. hebben besproken (zie de tweede volle alinea op p. 8 van het p.v., slot), maakt dit niet inzichtelijk.
1.2
Op p. 8 en 9 van het p.v. oordeelt de OK dat niet is gebleken dat [betrokkene 1] een tegenstrijdig belang had bij de totstandkoming van de besluiten van 7 en 10 januari 2025. Volgens de OK is weliswaar juist dat [betrokkene 1] op voorstel van Mubadala als bestuurder is benoemd, maar volgt daaruit nog niet dat hij zich bij de uitoefening van zijn functie met name door de belangen van Mubadala heeft laten leiden. [verzoekers] c.s. hebben niet gesteld, zo vervolgt de OK, dat [betrokkene 1] persoonlijk een belang zou hebben bij aanvaarding van de door Mubadala voorgestelde transactie door Getir. De OK overweegt dat [betrokkene 1] als herstructureringsdeskundige werkzaam is voor AlixPartners, een gerenommeerde partij op dat gebied, en in de met AlixPartners gesloten Engagement Letter uitdrukkelijk is opgenomen dat ‘AlixPartners' sole duty of care under this agreement is to the Company as the client of AlixPartners’. [verzoekers] c.s. hebben destijds met de benoeming van [betrokkene 1] als bestuurder van Getir ingestemd en zij hebben zich daar tot voor kort ook niet tegen verzet. [verzoekers] c.s. hebben ook overigens geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat [betrokkene 1] zich desondanks bij zijn taakvervulling niet uitsluitend zou hebben laten leiden door de belangen van Getir en haar onderneming, aldus nog steeds de OK.
Aldus heeft de OK, om de hierna te noemen redenen, een onjuiste, want te beperkte, invulling of toepassing gegeven aan een direct of indirect persoonlijk belang dat tegenstrijdig is met het belang van, kort gezegd, de vennootschap als bedoeld in art. 2:239 lid 6 jo. lid 5 BW, althans haar oordeel ontoereikend gemotiveerd.
1.2.1
In de tweede volle alinea op p. 8 van het p.v. stelt de OK terecht10. in algemene zin voorop dat van een tegenstrijdig belang sprake is indien de betrokken bestuurder, gelet op alle omstandigheden van het geval, te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat ‘in redelijkheid kan worden betwijfeld’ of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming. Vervolgens beperkt de OK zich er bij haar beoordeling of [betrokkene 1] in dit geval een tegenstrijdig belang had bij de totstandkoming van de besluiten van 7 en 10 januari 2025 — zie de eerste alinea van subonderdeel 1.2 — echter toe te beoordelen of [betrokkene 1] zich daadwerkelijk heeft laten leiden door een ander belang dan dat van Getir, in het bijzonder door het belang van Mubadala bij de door haar voorgestelde transactie. Dit blijkt eruit dat de OK overweegt, kort gezegd, dat uit de benoeming van [betrokkene 1] op voorstel van Mubadala nog niet volgt dat [betrokkene 1] zich met name door de belangen van Mubadala ‘heeft laten leiden’ en dat [verzoekers] c.s. ook overigens geen feiten en omstandigheden zouden hebben aangevoerd waaruit zou blijken dat [betrokkene 1] zich niet uitsluitend zou ‘hebben laten leiden’ door de belangen van Getir. Aldus heeft de OK de door haar vooropgestelde maatstaf te beperkt ingevuld of toegepast, door niet te beoordelen of in redelijkheid kan worden betwijfeld of [betrokkene 1] zich uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Getir.11.
1.2.2
Het oordeel van de OK is voorts onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, gelet op de stellingen van [verzoekers] c.s. Zij hebben gesteld dat [betrokkene 1] enkel luistert naar de wensen en instructies van Mubadala, die zijn benoeming heeft geïnitieerd, zijn beloningspakket financiert en heeft aangegeven hem te zullen steunen als hij wordt aangesproken op medewerking aan de plannen van Mubadala, zodat het eerder voor de hand ligt dat [betrokkene 1] in dit geval een tegenstrijdig belang heeft dan [verzoekers] c.s.12. Ter zitting hebben [verzoekers] c.s. dit verder toegelicht en onderbouwd met verwijzing naar de stukken waaruit van de desbetreffende feiten en omstandigheden blijkt, door erop te wijzen dat [betrokkene 1] een tegenstrijdig belang had omdat:
- (i)
uit het besluit van 10 januari 2025 blijkt dat de uitvoerende bestuurders alleen hun bestaande beloning behouden door gehoor te geven aan de wensen van Mubadala. Tot deze wensen behoorde dat Getir de door Mubadala gewenste transactie zou aangaan, zonder welke transactie Mubadala niet langer bereid was om Getir te financieren. [verzoekers] c.s. hebben in dit verband verwezen naar de zaak die leidde tot HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:409 (ME Beheer II);13.
- (ii)
de engagement letter met Alix Partners en de benoeming van [betrokkene 1] opschortende voorwaarden waren van Mubadala in de April Loan Agreement, waarbij Mubadala en G Squared USD 70 miljoen aan Getir leenden;14.
- (iii)
Mubadala partij is bij de engagement letter en de beloning van Alix Partners garandeert, welke beloning is ingeschat op GBP 350.000 per week;15.
- (iv)
bij aansprakelijkstelling van [betrokkene 1] de beloning doorloopt en Mubadala de kosten voor haar rekening neemt;16.
- (v)
Mubadala meer rechten krijgt dan de overige aandeelhouders, onder meer op het gebied van informatie en assistentie;17.
- (vi)
Alix Partners zich committeert het belang van Getir gelijk te stellen aan dat van Mubadala,18. en;
- (vii)
Mubadala op voorhand heeft aangegeven dat zij de uitvoerende bestuurders zal steunen als zij worden aangesproken op de besluiten van 7 en 10 januari 2025.19.
De OK had deze stellingen, die — binnen de context van materiële liquidatie van de groep — ieder voor zich, maar zeker in onderlinge samenhang (kunnen) meebrengen dat [betrokkene 1] een tegenstrijdig belang had bij de besluiten van januari 2025, kenbaar in haar motivering moeten betrekken. Doordat de OK dit niet heeft gedaan, is ontoelaatbaar onduidelijk waarom deze stellingen niet tot een ander oordeel hebben geleid. Gelet op deze — relevante, concrete en ook onderbouwde — stellingen is bovendien onbegrijpelijk dat (i) [verzoekers] c.s. volgens de OK (ook) overigens geen concrete feiten en omstandigheden zouden hebben aangevoerd waaruit zou blijken dat [betrokkene 1], kort gezegd, een tegenstrijdig belang had en (ii) [verzoekers] c.s. niet zouden hebben gesteld dat [betrokkene 1] een persoonlijk belang had bij aanvaarding van de door Mubadala voorgestelde transactie door Getir. Wat het laatste betreft geldt dat de stellingen van [verzoekers] c.s. niet anders kunnen worden begrepen dan dat [betrokkene 1] er, vanwege de door [verzoekers] c.s. concreet genoemde feiten en omstandigheden, een persoonlijk belang bij had gehoor te geven aan de wensen van Mubadala, tot welke wensen behoorde het aangaan van de door Mubadala voorgestelde transactie.
2. Geschil over weigering uitvoering Term Sheet niet louter vermogensrechtelijk, maar raakt positie en functioneren (organen) vennootschap
Inleiding
[verzoekers] c.s. hebben aan hun standpunt dat sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken van Getir te twijfelen (hierna ook: ‘gegronde redenen tot twijfel’) onder meer het volgende ten grondslag gelegd over de onterechte weigering van Mubadala (en Getir) om uitvoering te geven aan de Term Sheet:
- i.
Mubadala weet dat de [verzoekers] c.s. niet instemmen met het op 19 januari 2025 aan de algemene vergadering ter goedkeuring voor te leggen besluit van 10 januari 2025 van de uitvoerende bestuurders tot materiële liquidatie van Getir (de door Mubadala voorgestelde transactie20.). Mubadala hoopt echter te profiteren van het feit dat [verzoekers] c.s. in juni 2024 zeggenschap binnen de algemene vergadering hebben ingeleverd op basis van afspraken die Mubadala zelf niet volledig heeft uitgevoerd en die volgens haar niet meer gelden. Doordat [verzoekers] c.s. hun afspraken wel zijn nagekomen, hebben zij nu op algemene vergadering-niveau onvoldoende stemmen om een materiële liquidatie te blokkeren.21.
- ii.
Het buitenspel zetten van [verzoekers] c.s. (als bestuurders bij de besluitvorming over de transactie in januari 2025) is des te laakbaarder omdat zij in juni 2024 een groot deel van hun zeggenschap op bestuurs- en aandeelhoudersniveau hebben opgegeven ter uitvoering van de Term Sheet, terwijl de Term Sheet van de zijde van Getir en Mubadala niet is uitgevoerd. Zij beweren de Term Sheet als ‘niet-bindend’ of ‘verworpen’ te beschouwen, maar proberen wel te profiteren van de uitvoering daarvan door [verzoekers] c.s. Als [verzoekers] c.s. de Term Sheet (ook) niet hadden uitgevoerd, zouden de Executive Directors (de uitvoerende bestuurders) niet zijn benoemd en zouden [verzoekers] c.s. in de algemene vergadering nog voldoende zeggenschap hebben gehad om de voorgestelde besluiten te blokkeren. Die omstandigheid maakt dat Getir extra zorgvuldig zou moeten omgaan met de belangen van [verzoekers] c.s., maar dat gebeurt niet.22.
- iii.
Het beleid van Getir is in bredere zin ondeugdelijk, gelet op het feit dat de Executive Directors en Mubadala gebruik proberen te maken van het feit dat [verzoekers] c.s. een groot deel van hun zeggenschap hebben afgestaan, terwijl Mubadala en de Executive Directors de Term Sheet nu als ‘niet-bindend’ of ‘verworpen’ duiden. Als zij dat zo zien, dienen zij [verzoekers] c.s. terug te brengen in de zeggenschapspositie die zij voor de uitvoering van de Term Sheet hadden. Op grond daarvan konden [verzoekers] c.s. alle belangrijke besluiten blokkeren, waaronder de besluiten die op 19 januari 2025 aan de algemene vergadering worden voorgelegd.23.
- iv.
De gang van zaken rond de besluiten van 7 en 10 januari 2025 (‘de Besluiten’) is ook onzorgvuldig, onder meer omdat Mubadala probeert terug te komen op eerdere afspraken. Saillant detail is dat algemene vergadering-goedkeuring voor de Besluiten alleen kon worden verkregen omdat [verzoekers] c.s. veel van hun zeggenschap hebben ingeleverd ter uitvoering van de Term Sheet, terwijl Mubadala en Getir nu stellen dat zij de Term Sheet onverbindend achten en die zelf niet meer zullen uitvoeren.24.
- v.
Het gaat niet primair om de vraag in hoeverre de Term Sheet bindend is naar Engels recht. Waar het voor de toepassing van art. 2:8 BW om gaat, is dat er afspraken zijn gemaakt, die door de algemene vergadering zijn goedgekeurd en die deels al zijn uitgevoerd. Het is niet gepast dat Getir en Mubadala nu, terwijl de Hive-Out bijna is afgerond, tegen verzoekers zeggen:
‘dank dat u de afspraak heeft uitgevoerd, wij doen dat zelf niet, maar houden wel uw prestatie en drukken nu een ander plan door met de zeggenschap die u heeft opgeven ter uitvoering van de oude afspraak.’
Dat is wat hier feitelijk dreigt te gebeuren.25.
- vi.
De gang van zaken rondom de Besluiten levert voldoende gegronde redenen op om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Getir. De Besluiten deugen ook materieel bezien niet. Getir hoort niet mee te werken aan de eis van Mubadala dat eerdere, deels al uitgevoerde afspraken (de Term Sheet) worden vervangen door afspraken (de transactie) die voor Getir materieel gelijk uitpakken, maar voor Mubadala extreem veel voordeliger. Dat voordeel wordt bereikt ten koste van [verzoekers] c.s., die te goeder trouw uitvoering hebben gegeven aan de Term Sheet en daarvoor nu de rekening krijgen gepresenteerd.26.
- vii.
In die situatie is er alle reden een onderzoek bij Getir te gelasten, zowel naar de specifieke gang van zaken die tot de Besluiten heeft geleid, als naar de bredere gang van zaken. Tot dat laatste moeten ook worden gerekend de zeggenschapsverhoudingen die zijn ontstaan doordat [verzoekers] c.s. de Term Sheet hebben uitgevoerd.27.
Onderaan p. 7 en bovenaan p. 8 van de bestreden uitspraak heeft de OK overwogen dat het verzoek van [verzoekers] c.s. onder meer berust op de volgende grond (onder 3):
de Governance van Getir is gebrekkig is omdat;
- a.
Mubadala de aandeelhoudersvergadering en het bestuur Getir domineert;
- b.
ten onrechte weigert om uitvoering te geven aan de Term Sheet; en
- c.
ten koste van de andere aandeelhouders haar wensen aan Getir oplegt en uitsluitend eigen belangen dient.
In de tweede alinea op p. 12 van de bestreden uitspraak heeft de OK over deze grond en subgronden als volgt geoordeeld:
- A.
[verzoekers] c.s. hebben onder 3, betoogd dat Mubadala in juni 2024 ten onrechte overwegende zeggenschap zou hebben gekregen in het bestuur en de algemene vergadering van Getir. Dit is onjuist. Partijen zijn in juni 2024 overeengekomen dat [betrokkene 1] en later [betrokkene 3] als onafhankelijk uitvoerende bestuurders zouden worden benoemd en dat zij daarnaast ieder ook niet uitvoerende bestuurders zouden kunnen benoemen. Geen van partijen heeft daarmee een doorslaggevende stem in het bestuur van Getir gekregen. Dat [betrokkene 1] zich uitsluitend zou laten leiden door de belangen van Mubadala is als gezegd niet gebleken. Mubadala heeft verder met circa 29% van de aandelen geen overwegende zeggenschap in de algemene vergadering van (preferente) aandeelhouders van Getir.
- B.
Bij die stand van zaken kan evenmin worden aangenomen dat Mubadala haar positie misbruikt om aan Getir haar wensen op te leggen.
- C.
Voor zover [verzoekers] c.s. menen dat zij worden benadeeld omdat Mubadala te kwader trouw en op onjuiste gronden geen uitvoering heeft gegeven aan de in de Term Sheet van juni 2024 neergelegde afspraken, geldt dat dit in de kern een geschil van vermogensrechtelijke aard betreft waarvoor de enquêteprocedure niet bedoeld is; [verzoekers] c.s. zullen dit geschil aan de bevoegde Engelse rechter moeten voorleggen.
Met de achter A. en B. vermelde oordelen heeft de OK kennelijk willen responderen op de door haar achter a. en c. samengevatte subgronden. Met het achter B. vermelde oordeel heeft de OK kennelijk willen responderen op de door haar achter b. samengevatte subgrond.
Klachten
2.1
Met haar achter C. vermelde oordeel heeft de OK de maatstaf miskend die geldt bij de beantwoording van de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, het in de art. 2:344-359 BW geregelde onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een vennootschap (in casu Getir) mag worden gelast indien aannemelijk is dat tussen enerzijds verzoekers (aandeelhouders van de vennootschap, in casu [verzoekers] c.s.) en anderzijds (andere) aandeelhouders van die vennootschap (in casu Mubadala) en/of de vennootschap zelf, (mede) een vermogensrechtelijk geschil bestaat. Die maatstaf houdt in dat wanneer het gaat om een geschil van louter (niet slechts: mede) vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, een enquêteverzoek niet kan worden toegewezen. Wanneer echter (volgens de stellingen van verzoekers) het vermogensrechtelijke geschil ook de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen en/of (groepen van) individuele aandeelhouders (in hun hoedanigheid van aandeelhouder) raakt, moet (onder meer) het verkrijgen van opening van zaken (door het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van een dergelijk geschil) worden beschouwd als een van de doeleinden van een enquêteprocedure die verwezenlijkt kunnen worden, zodat het enquêteverzoek wel kan worden toegewezen (toewijsbaar is). Met haar oordeel dat hetgeen [verzoekers] c.s. hebben gesteld ‘in de kern een geschil van vermogensrechtelijke aard betreft waarvoor de enquêteprocedure niet bedoeld is’, en haar daarop voortbouwende oordeel dat [verzoekers] c.s. dit geschil aan de bevoegde Engelse rechter zullen moeten voorleggen, heeft de OK dus een onjuiste maatstaf gehanteerd.
2.2
Indien en voor zover de OK het in subonderdeel 2.1 gestelde niet heeft miskend, heeft de OK haar achter C. vermelde oordeel niet naar behoren gemotiveerd. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt immers niet in te zien dat het door [verzoekers] c.s. gestelde geschil over (kort gezegd) de onterechte weigering van Mubadala (en Getir) om uitvoering te geven aan de Term Sheet, een geschil is van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden. De OK heeft niet, althans onvoldoende, gemotiveerd waarom uit hetgeen [verzoekers] c.s. hebben gesteld (zoals hiervoor in de inleiding van onderdeel 2 achter i-vii weergegeven) niet volgt of kan volgen dat het bedoelde geschil ook de positie van Getir en het functioneren van haar organen (zoals het bestuur en/of de algemene vergadering van Getir) en/of (groepen van) individuele aandeelhouders (zoals Mubadala en/of [verzoekers] c.s.) in hun hoedanigheid van aandeelhouder raakt. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dat niet begrijpelijk.
2.3
De OK heeft met haar achter C. vermelde oordeel in ieder geval onvoldoende gerespondeerd op het hiervoor (in de inleiding van onderdeel 2) achter i-vii weergegeven betoog van [verzoekers] c.s., dat een essentiële grondslag vormde van hun
standpunt dat sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken van Getir te twijfelen.
2.4
Het achter C. vermelde oordeel, en de door de OK op p. 7–8 van de bestreden uitspraak gegeven korte samenvatting van de derde grond van het verzoek van [verzoekers] c.s. (zie de inleiding van onderdeel 2), zijn ook om de volgende reden onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. De OK heeft over het hoofd gezien dat [verzoekers] c.s. aan hun verzoek niet alleen ten grondslag hebben gelegd dat Mubadala ten onrechte heeft geweigerd om uitvoering te geven aan de Term Sheet, maar ook dat (kort samengevat) Getir (die mede partij was bij de Term Sheet) dat ten onrechte heeft geweigerd en/of in het licht van de weigering van Mubadala onvoldoende zorgvuldig is omgegaan met de belangen van [verzoekers] c.s. en/of ten onrechte heeft meegewerkt aan de vervanging van afspraken in de Term Sheet door afspraken (de transactie) die voor Mubadala extreem veel voordeliger en voor [verzoekers] c.s. onevenredig nadelig uitpakken.28. In ieder geval heeft de OK niet kenbaar en gemotiveerd op dat betoog gerespondeerd.
2.5
De achter A. en B. vermelde oordelen van de OK, gelezen in samenhang met de op p. 7–8 van de bestreden uitspraak kort samengevatte derde grond van het verzoek van [verzoekers] c.s. (zie de inleiding van onderdeel 2), zijn niet naar behoren gemotiveerd.
Anders dan de OK kennelijk tot uitgangspunt neemt, hebben [verzoekers] c.s. niet (slechts) aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat Mubadala in juni 2024 ten onrechte overwegende zeggenschap (in juridische zin) heeft gekregen in het bestuur en de algemene vergadering van Getir en daardoor de algemene vergadering en het bestuur van Getir domineert en ten koste van de andere aandeelhouders (in het bijzonder [verzoekers] c.s.) haar wensen aan Getir oplegt en uitsluitend eigen belangen dient (dus haar positie misbruikt). [verzoekers] c.s. hebben aan hun verzoek (ook) ten grondslag gelegd dat zij van hun zijde uitvoering hebben gegeven aan de Term Sheet van juni 2024 door afstand te doen van de overwegende zeggenschap (in juridische zin) die zij tot dan toe in het bestuur en de algemene vergadering hadden, maar dat Mubadala van haar zijde te kwader trouw en op onjuiste gronden geen uitvoering heeft gegeven aan de Term Sheet en dat Mubadala daardoor ten onrechte feitelijk en effectief controle in de algemene vergadering en op bestuursniveau heeft verkregen en (kort gezegd) haar aldus ontstane positie heeft misbruikt door de besluiten van 7 en 10 januari 2025 tot het aangaan van de door Mubadala voorgestelde transactie 'door te drukken'.29. Korter gezegd: essentieel is dat Mubadala misbruik heeft gemaakt van het feit dat [verzoekers] c.s. — in tegenstelling tot Mubadala — de Term Sheet wél hebben uitgevoerd en hun overwegende zeggenschap hebben afgestaan en niet zozeer dat Mubadala overwegende zeggenschap (in juridische zin) zou hebben verkregen. Gelet op het voorgaande vormen de achter A. en B. vermelde oordelen van de OK geen begrijpelijke en voldoende gemotiveerde respons op hetgeen [verzoekers] c.s. aan hun verzoek ten grondslag hebben gelegd.
Het oordeel van de OK dat ‘als gezegd’ niet is gebleken dat [betrokkene 1] zich uitsluitend zou laten leiden door de belangen van Mubadala, bouwt voort op de door onderdeel 1 bestreden oordelen van de OK, zodat de in onderdeel 1 opgenomen klachten ook dit oordeel vitiëren.
Aanvulling, uitwerking en toelichting
2.6
In de Unilever-beschikking30. van uw Raad was de vraag aan de orde of, en zo ja onder welke voorwaarden, het in de art. 2:344-359 BW geregelde onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon mag worden gelast indien aannemelijk is dat tussen verzoeker en de rechtspersoon die voorwerp is van het gevraagde onderzoek, een vermogensrechtelijk geschil bestaat.31.
2.7
Na, onder verwijzing naar de Ogem-beschikking,32. de doeleinden van het enquêterecht te hebben weergegeven, overwoog uw Raad dat tot de doeleinden van het enquêterecht, zoals deze de wetgever voor ogen stonden, niet behoort de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard, noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. Uw Raad oordeelde vervolgens:
‘Wanneer het gaat om een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, kan een enquêteverzoek niet worden toegewezen.’33.
2.8
Volgens uw Raad had de OK in de bestreden beschikking het vorenstaande niet miskend. Dit bleek uit de overweging van de OK34. dat ‘het verzochte onderzoek – mede – het tussen de preferente aandeelhouders en Unilever gerezen vermogensrechtelijke conflict betreft en dat een dergelijk conflict op zichzelf en zonder meer niet kan leiden tot gegronde twijfel aan een juist beleid van de vennootschap zulks te minder nu geen sprake lijkt te zijn van verstoring van de dagelijkse gang van zaken in de onderneming van de vennootschap’. Uw Raad overwoog dat de OK echter had geoordeeld dat in een geval als het onderhavige, waarin35.
‘het vermogensrechtelijke conflict ook de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen raakt, het verkrijgen van opening van zaken als door hen bedoeld, moet worden beschouwd als een van de doeleinden van een mogelijk onderzoek’.36.
2.9
In de KPNQwest I-beschikking heeft uw Raad herhaald dat een enquêteverzoek niet toewijsbaar is, indien sprake is van een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquête niet verwezenlijkt kunnen worden.37.
2.10
De Unilever-beschikking wordt in de literatuur in het algemeen zo uitgelegd dat geen sprake is van een geschil van louter vermogensrechtelijke aard in de door uw Raad bedoelde zin, als het vermogensrechtelijke geschil ook de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen raakt. Het verkrijgen van opening van zaken in verband met dit laatste (door het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van een dergelijk geschil) behoort dan wél tot de doeleinden van het enquêterecht.38. Gezegd wordt wel dat het erom gaat of het geschil van vermogensrechtelijke aard doorwerkt binnen de vennootschapsrechtelijke verhoudingen (in vennootschapsrechtelijke zin doorwerkt).39.
2.11
Er is dan sprake van een zogenaamd gemengd geschil, waarbij de doeleinden van het enquêterecht wél verwezenlijkt kunnen worden en het enquêteverzoek mag worden toegewezen.40. De grenzen die uw Raad met de maatstaf in de (Unilever-beschikking aan de reikwijdte van het enquêterecht heeft gesteld, zijn ruim getrokken.41. In de praktijk (in de ‘economische werkelijkheid’)42. raken geschillen van vermogensrechtelijke aard tussen aandeelhouders en (organen van) de vennootschap in veel gevallen immers ook de positie van de vennootschap en haar organen.43. Om die reden wordt niet snel aangenomen dat een vermogensrechtelijk geschil buiten het bestek van de enquêteprocedure valt.44.
2.12
In de Unilever-beschikking ging het om een vermogensrechtelijk geschil tussen de verzoekers (preferente aandeelhouders van Unilever) en de vennootschap die voorwerp was van het gevraagde onderzoek (Unilever). Aangenomen moet worden dat de maatstaf uit de Unilever-beschikking ook geldt indien de verzoekers-aandeelhouders een vermogensrechtelijk geschil hebben met andere (individuele of groepen) aandeelhouders of met zowel de vennootschap als andere aandeelhouders (zoals in casu). Tevens moet worden aangenomen dat onder het raken van ‘de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen’ mede valt het raken van het functioneren van (groepen van) individuele aandeelhouders. Het gedrag van individuele aandeelhouders (binnen en buiten de algemene vergadering) kan immers enquêterechtelijk aan de vennootschap worden ‘toegerekend’ en worden gekwalificeerd als ‘beleid’ van de vennootschap. Om discussie daarover te voorkomen zijn bij de wetswijziging in 2013 aan de tekst van art. 2:350 lid 1 BW de woorden ‘gang van zaken’ toegevoegd.45. Inmiddels volgt het voorgaande ook uit de NVM/funda-beschikking van uw Raad.46.
2.13
Bij vermogensrechtelijke geschillen die ook de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen (kunnen) raken, kan blijkens de literatuur47. en jurisprudentie48. onder meer worden gedacht aan geschillen over overeenkomsten tussen aandeelhouders en/of tussen aandeelhouders en de vennootschap. Zo wordt in de literatuur — als voorbeeld van een geval dat gegronde redenen tot twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken kan opleveren wegens een gebrekkige corporate governance — genoemd het niet tot stand komen van een door partijen vooraf overeengekomen samenwerking en regels daarover.49.
2.14
Met haar oordeel dat, voor zover [verzoekers] c.s. menen dat zij worden benadeeld omdat Mubadala te kwader trouw (dus: in ieder geval in strijd met de redelijkheid en billijkheid)50. en op onjuiste gronden geen uitvoering heeft gegeven aan de in de Term Sheet van juni 2024 neergelegde afspraken, dit ‘in de kern een geschil van vermogensrechtelijke aard betreft waarvoor de enquêteprocedure niet bedoeld is’, heeft de OK het voorgaande miskend. Daarover klaagt subonderdeel 2.1.
2.15
Het gaat er immers niet om of sprake is van een geschil dat in de kern van vermogensrechtelijke aard is waarvoor de enquêteprocedure niet bedoeld is, maar of sprake is van een geschil dat louter van vermogensrechtelijke aard is waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden. Van dat laatste is geen sprake als het vermogensrechtelijke geschil ook de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen en/of (groepen van) individuele aandeelhouders raakt. Ook bij een geschil dat in de kern van vermogensrechtelijke aard is, kan onder omstandigheden van een dergelijk ‘raken’ (doorwerken in de vennootschapsrechtelijke verhoudingen) sprake zijn. Er is dan sprake van een zogenaamd gemengd geschil, waarbij de doeleinden van het enquêterecht (zoals het verkrijgen van opening van zaken) wél verwezenlijkt kunnen worden en het enquêteverzoek mag worden toegewezen.
2.16
Als de OK het voorgaande niet heeft miskend, heeft de OK haar oordeel niet naar behoren gemotiveerd. Daarover klaagt subonderdeel 2.2.
2.17
Vooropgesteld moet worden dat de Term Sheet51. van 15 juni 2024 niet alleen vermogensrechtelijke afspraken bevat over het verstrekken van leningen en zekerheden, en het overdragen/toebedelen van (aandelen in) dochterondernemingen van Getir (‘Hive-Out’). De Term Sheet bevat ook afspraken die zien op de vennootschapsrechtelijke verhoudingen binnen Getir en dus raken aan de positie van de vennootschap Getir en het functioneren van haar organen (zoals het bestuur en de algemene vergadering) en (groepen van) individuele aandeelhouders. Anders gezegd: in de Term Sheet zijn ook afspraken opgenomen over de corporate governance van Getir.52.
2.18
Er zijn immers afspraken gemaakt over wijziging van de zeggenschapsverhoudingen in de algemene vergadering en wijzigingen in het bestuur van Getir. Kort gezegd is afgesproken dat [verzoekers] c.s. afstand zouden doen van hun overwegende zeggenschap in de algemene vergadering van Getir en van hun posities in het bestuur van Getir. [verzoeker 1] zou zijn functie als CEO neerleggen, terwijl [betrokkene 1] en een Nederlands ingezetene53. zouden worden benoemd tot uitvoerende bestuurders. [verzoekers] c.s. zouden drie niet uitvoerende bestuurders kunnen benoemen (dat werden [verzoeker 1], zijn zoon [betrokkene 2] en [verzoeker 2]), evenals Mubadala en G Squared. Die afspraken over (kort gezegd) de governance van Getir hingen samen met de afspraken over de voorziene vermogensrechtelijke transacties (leningen, zekerheden, Hive-Out).54. Het ging om een met elkaar samenhangend samenstel van afspraken. De algemene vergadering van Getir heeft op 23 juni 2024 dit in de Term Sheet vastgelegde samenstel van afspraken en voorziene transacties goedgekeurd, inclusief het afstaan van de overwegende zeggenschap in de algemene vergadering, het ontslag van [verzoeker 1] als CEO en de wijzigingen op bestuursniveau.
Zie over de inhoud van de Term Sheet en de goedkeuring door de algemene vergadering onder meer: verzoekschrift, § 3.8 en 3.10.
Zie voor de in juni 2024 gemaakte afspraken ook p. 4 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 januari 2025. De OK vermeldt dat partijen een Term Sheet zijn overeengekomen waarin zij ‘onder meer’ hebben opgenomen dat op nader uit te werken voorwaarden een Hive-Out zou plaatsvinden, waarbij de kern-onderneming van Getir in Turkije tegen kwijtschelding van de schulden aan Mubadala zou worden toebedeeld en [verzoekers] c.s. de aandelen zouden verkrijgen in de andere — deels verlieslatende — dochterondernemingen van Getir, waaronder Getir Finance. Opmerking verdient dat hetgeen de OK in de daaraan voorafgaande volzinnen vermeldt over de in juni 2024 gemaakte afspraken (vanaf ‘In juni 2024 heeft Mubadala (…)’) ook onderdeel was van de in de Term Sheet gemaakte afspraken. Dat is ook door [verzoekers] c.s. gesteld (zie onder meer verzoekschrift, § 3.8 en vgl. ook de hiervoor in de inleiding van onderdeel 2 achter i-vii weergegeven stellingen) en door Getir, Mubadala en G Squared niet betwist. Vgl. onder meer de verwijzingen in voetnoot 55 hiervoor. Indien en voor zover (i) p. 4 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 januari 2025 onderdeel vormt van de weergave van de mondelinge uitspraak van de OK ([verzoekers] c.s. menen van niet, omdat die weergave pas begint op p. 7) en (ii) p. 4 (anders dan [verzoekers] c.s. die uitleggen) zo zou moeten worden uitgelegd dat de afspraken in juni 2024 over (kort gezegd) de governance van Getir niet (ook) waren opgenomen in de Term Sheet, voeren [verzoekers] c.s. hierbij zekerheidshalve de aanvullende klacht aan dat het oordeel van de OK — in het licht van het voorgaande (§ 2.17–2.18 met daarbij behorende voetnoten) — zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.
2.19
Reeds gelet op het voorgaande ligt het in de rede dat een geschil over de weigering van een (of meerdere) van de partijen bij de Term Sheet, aandeelhouder Mubadala (en Getir), om uitvoering te geven aan de in de Term Sheet neergelegde afspraken, geen geschil van louter vermogensrechtelijke aard is, maar ook de positie van Getir en het functioneren van haar organen (en/of — groepen van — individuele aandeelhouders) raakt. Dat geldt te meer nu Mubadala niet alleen weigerde de vermogensrechtelijke afspraken uit de Term Sheet na te leven, maar in plaats daarvan een ‘Final Offer’ deed dat sterk afweek van de Term Sheet, en bij het niet accepteren daarvan door [verzoekers] c.s. met Getir tot een Settlement (de ‘transactie’) wenste te komen waarbij, kort gezegd, alle door Getir gehouden aandelen in Getir Turkije en haar (andere) dochterondernemingen werden overgedragen aan Mubadala tegen kwijtschelding van schulden en een aanvullend krediet (wat naar het standpunt van [verzoekers] c.s. neerkwam op de materiële liquidatie van Getir).55. Doordat [verzoekers] c.s. de afspraken over de wijziging van de governance van Getir — het afstaan van hun overwegende zeggenschap in de algemene vergadering en van hun bepalende posities op bestuursniveau — al waren nagekomen, konden de besluiten van 7 januari en 10 januari 2025 tot (onder meer) het instemmen met de door Mubadala voorgestelde transactie tegen de wil van [verzoekers] c.s. door de uitvoerende bestuurders worden genomen.56. Ook konden [verzoekers] c.s. daardoor niet voorkomen dat die besluiten in de algemene vergadering van 19 januari 2025 werden goedgekeurd.
2.20
Tegen de achtergrond van het voorgaande hebben [verzoekers] c.s. gesteld dat zij zijn benadeeld, omdat Mubadala te kwader trouw en op onjuiste gronden geen uitvoering heeft gegeven aan haar deel van de in de Term Sheet neergelegde afspraken (de vermogensrechtelijke afspraken, waaronder de Hive-Out), terwijl [verzoekers] c.s. wél uitvoering hebben gegeven aan hun deel van de afspraken (de afspraken over de governance). Als gevolg daarvan hebben [verzoekers] c.s. op het niveau van de algemene vergadering en op bestuursniveau niet kunnen voorkomen dat in plaats van de vermogensrechtelijke afspraken uit de Term Sheet werd besloten tot instemming met de sterk daarvan afwijkende transactie (de materiële liquidatie van Getir), die extreem voordelig was voor Mubadala en onevenredig nadelig voor [verzoekers] c.s.
2.21
[verzoekers] c.s. hebben de hiervoor (in de inleiding van onderdeel 2) achter i-vii weergegeven stellingen over de weigering van Mubadala (en Getir) om uitvoering te geven aan de Term Sheet ten grondslag gelegd aan hun standpunt dat sprake was van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Zij hebben daartoe onder meer aangevoerd dat (de uitvoerende bestuurders van) Getir gezien het voorgaande extra zorgvuldig moest(en) omgaan met de belangen van [verzoekers] c.s., maar dat niet heeft (hebben) gedaan. In dit verband hebben zij ook gesteld dat het buitenspel zetten van [verzoekers] c.s. (als bestuurders bij de besluitvorming over de transactie in januari 2025) des te laakbaarder is, omdat zij in juni 2024 een groot deel van hun zeggenschap op bestuurs- en aandeelhoudersniveau hebben opgegeven ter uitvoering van de Term Sheet, terwijl de Term Sheet van de zijde van Getir en Mubadala niet is uitgevoerd. Ook hebben zij aangevoerd dat als Mubadala en (de uitvoerende bestuurders van) Getir meenden dat de Term Sheet niet-bindend was of (op juiste gronden) door hen was ‘verworpen’, zij [verzoekers] c.s. dienden terug te brengen in de zeggenschapspositie die zij voor de uitvoering van de Term Sheet hadden. Zij hebben betoogd dat Mubadala en Getir hebben gehandeld in strijd met art. 2:8 BW door een deel van de afspraken uit de Term Sheet niet uit te voeren, maar in plaats daarvan een ander plan (de transactie) door te drukken met de zeggenschap die [verzoekers] c.s. hebben opgegeven ter uitvoering van diezelfde Term Sheet. Volgens [verzoekers] c.s. is er daarom alle reden een onderzoek te gelasten, zowel naar de hiervoor beschreven specifieke gang van zaken die tot de besluiten van 7 januari en 10 januari 2025 heeft geleid, als naar de bredere gang van zaken, waaronder de zeggenschapsverhoudingen die zijn ontstaan doordat [verzoekers] c.s. de Term Sheet hebben uitgevoerd. Zie verder de hiervoor (in de inleiding van onderdeel 2) achter i-vii weergegeven stellingen van [verzoekers] c.s.
2.22
In het licht van het voorgaande en de hiervoor achter i-vii weergegeven stellingen van [verzoekers] c.s. valt zonder nader motivering, die ontbreekt, niet in te zien dat het geschil over de weigering van Mubadala (en Getir) om uitvoering te geven aan de in de Term Sheet gemaakte afspraken, de positie van Getir en het functioneren van haar organen (zoals het bestuur en de algemene vergadering van Getir) en/of (groepen van) individuele aandeelhouders (zoals Mubadala en/of [verzoekers] c.s.) niet zou raken. Onbegrijpelijk is dus ook dat sprake zou zijn van een louter vermogensrechtelijk geschil waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure (zoals de opening van zaken) niet verwezenlijkt zouden kunnen worden.
2.23
Hoe dan ook had de OK inhoudelijk en kenbaar moeten ingaan op het hiervoor (in de inleiding van onderdeel 2) achter i-vii weergegeven betoog van [verzoekers] c.s., dat immers een essentiële grondslag vormde van hun standpunt dat sprake was van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken van Getir te twijfelen. Daarover klaagt subonderdeel 2.3.
2.24
De subonderdelen 2.4 en 2.5 behoeven geen (nadere) toelichting.
Op grond van dit middel verzoeken [verzoekers] c.s. vernietiging van de bestreden uitspraak met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend acht, met hoofdelijke veroordeling van verweerster en belanghebbenden in de kosten van het geding, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van de te dezen te wijzen beschikking.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 24‑04‑2025
De uitspraak is mondeling gedaan tijdens de mondelinge behandeling van 24 januari 2025. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Op p. 7–12 van het proces-verbaal is de mondelinge uitspraak weergegeven. Bij verwijzingen in deze procesinleiding naar de uitspraak wordt verwezen naar de ‘bestreden uitspraak’ of gemakshalve naar het ‘p-v’.
In deze procesinleiding worden dezelfde afkortingen/definities gebruikt als in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 april 2025, tenzij hierna anders vermeld.
[verzoekers] c.s. hebben er op gewezen dat Mubadala kort voor de zitting ook een bod van USD 60 miljoen heeft gedaan op nog eens 20% van de aandelen in Getir Finance, die werden gehouden door een derde.
Zie verzoekschrift § 4.1 onder verwijzing naar productie 20.
[verzoekers] c.s. klagen in cassatie niet tegen de oordelen van de OK over, kort gezegd, de waarde van (de activa van) Getir, omdat zij zich realiseren dat die oordelen wegens hun feitelijke aard niet goed in cassatie kunnen worden aangevochten.
Zie spreekaantekeningen zijdens [verzoekers] c.s., § 1.2
Zie spreekaantekeningen zijdens [verzoekers] c.s., § 2.2.
Vgl. R.G.J. Nowak en A.F.J.A. Leijten, ‘De nieuwe wettelijke tegenstrijdigbelangregeling’, Ondernemingsrecht 2012/92, § 4 en 7.
Zie HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, NJ 2007/420 m.nt. Maeijer (Bruil/Kombex), rov. 3.4; HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4887, NJ 2007/612 m.nt. Maeijer (Versatel), rov. 4.3; HR 29 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2199, NJ 2008/144 (Café Bar Carribean), rov. 3.5; HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7120, NJ 2009/596 m.nt. Van Schilfgaarde, rov. 3.4.2; HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0119, NJ 2012/110 m.nt. Van Schilfgaarde (ME Beheer I), rov. 3.5.2; HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:409 (ME Beheer II), rov. 4.3.
Vgl. de in vorige voetnoot genoemde rechtspraak, die tevens inhoudt dat voor het aannemen van een tegenstrijdig belang dus niet is vereist dat zeker is dat de betrokken rechtshandeling daadwerkelijk tot benadeling van de vennootschap zal leiden.
Zie verzoekschrift, § 4.1, 4.6.
Zie spreekaantekeningen zijdens [verzoekers] c.s. § 2.10 en 2.11. Zie voor de wens van Mubadala om de transactie aan te gaan, zonder inwilliging waarvan Mubadala niet langer bereid was om Getir te blijven financieren: verzoekschrift § 3.19, 4.13; proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 5.
Zie spreekaantekeningen zijdens [verzoekers] c.s., § 2.11.
Zie spreekaantekeningen zijdens [verzoekers] c.s., § 2.11.
Zie spreekaantekeningen zijdens [verzoekers] c.s., § 2.11.
Zie spreekaantekeningen zijdens [verzoekers] c.s., § 2.11.
Zie spreekaantekeningen zijdens [verzoekers] c.s., § 2.11.
Zie spreekaantekeningen zijdens [verzoekers] c.s., § 2.11.
Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 5, tweede alinea, laatste volzin.
Zie verzoekschrift, § 1.3.
Zie verzoekschrift, § 4.1.
Zie verzoekschrift, § 4.3.
Zie spreekaantekeningen zijdens [verzoekers] c.s., § 1.2.
Zie spreekaantekeningen zijdens [verzoekers] c.s., § 3.7.
Zie spreekaantekeningen zijdens [verzoekers] c.s., § 4.1.
Zie spreekaantekeningen zijdens [verzoekers] c.s., § 4.2.
Zie de in de inleiding van onderdeel 2 achter ii-vi weergegeven stellingen en de daar vermelde vindplaatsen.
Zie de in de inleiding van onderdeel 2 achter i-vii weergegeven stellingen en de daar vermelde vindplaatsen. Zie verder: verzoekschrift, § 1.2, 1.3, 3.10, 4.2, 4.16.
Zie HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465 (Unilever), NJ 2006/173 m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/295, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2006/10 m.nt. P.G.F.A. Geerts.
Zie rov. 4.1 van de Unilever-beschikking.
Zie HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990, 466.
Zie rov. 4.2 van de Unilever-beschikking. Uw Raad werkte dit vervolgens nog als volgt uit. Indien het verzoek niets inhoudt dat op die doeleinden betrekking heeft, zal dat verzoek niet-ontvankelijk zijn. Indien het wel op die doeleinden gerichte stellingen inhoudt, maar deze stellingen niet aannemelijk zijn, zal het verzoek weliswaar — indien ook overigens is voldaan aan hetgeen daartoe vereist is — ontvankelijk zijn, maar moeten worden afgewezen.
Rov. 3.3 van de beschikking van de OK in die zaak.
Volgens de in rov. 3.3 van de beschikking van de OK weergegeven stellingen van de verzoekers van de enquête omtrent hetgeen zij met de verzochte enquête wilden bereiken.
Zie rov. 4.3 van de Unilever-beschikking.
Zie HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516 (KPNQwest I), rov. 3.2.3.
Zie W.J. Slagter & B.F. Assink, Compendium Ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013, Deel 2, § 90, p. 1581.
Zie: de noot van Geerts, § 8, onder de Unilever-beschikking in Ondernemingsrecht; F. Veenstra, GS Rechtspersonen, afdeling 2:2 BW, aant. 1.4.4, 1.11.1. Bij de vennootschapsrechtelijke verhoudingen gaat het om de verhoudingen tussen de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken in de zin van art. 2:8 lid 1 BW. Dat moet blijkens HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283 (NVM/Funda), rov. 3.7, ruim worden uitgelegd.
Zie: de noot van Maeijer, § 2, onder de Unilever-beschikking in de NJ,; de noot van Geerts, § 5, onder die beschikking in de Ondernemingsrecht (Geerts spreekt van een ‘gemengde situatie’); Bulten e.a., Handboek Enquêterecht (VDHI nr. 175) 2022/19.2.3. Vgl. W.J. Slagter & B.F. Assink, Compendium Ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013, Deel 2, § 90, p. 1581.
Vgl.: Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 728; Bulten e.a., Handboek Enquêterecht (VDHI nr. 175) 2022/18.2.1; J.H. Lemstra, ‘Enquête sans frontières’, in: K.M. van Hassel en M.P. Nieuwe Weme (red.), Willems' wegen (VDHI nr. 102), Deventer: Kluwer 2010, p. 272, 273. Vgl. ook J. de Bie Leuveling Tjeenk, ‘Vermogensrechtelijke geschillen in het enquêterecht’, in: Marius geannoteerd (VDHI nr. 133), Deventer: Kluwer 2016, p. 29, 30 met verwijzing naar een minderheid van schrijvers die meent dat uw Raad ‘wel degelijk serieus te nemen beperkingen heeft gesteld’.
Waarop het bij de toepassing van het enquêterecht uiteindelijk vooral aankomt. Zie HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283 (NVM/Funda), rov. 3.4.
Of omgekeerd gezegd: geschillen tussen aandeelhouders die een enquêteverzoek doen en de vennootschap hebben veelal mede een vermogensrechtelijk karakter. Zie rov. 4.4.3 van de Unilever-beschikking.
Zie: Bulten e.a., Handboek Enquêterecht (VDHI nr. 175) 2022/18.2.1, 19.2; R.M. Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/1.2.1.
Zie hierover, met verwijzing naar de wetsgeschiedenis: Bulten e.a., Handboek Enquêterecht (VDHI nr. 175) 2022/18.2.2. Overigens wordt hierin opgemerkt dat de term ‘gang van zaken’ in de praktijk geen zelfstandige betekenis toekomt. Er wordt in de rechtspraak geen consistent onderscheid gemaakt tussen ‘beleid’ en ‘gang van zaken’. Ook in de onderhavige zaak hebben partijen en de OK dat onderscheid niet gemaakt.
Zie HR 22 september 2023, ECLI: NL:HR:2023:1283 (NVM/Funda), rov. 3.4: ‘Met het voorgaande strookt dat ook het handelen van een organisatorisch met de rechtspersoon verbonden andere rechtspersoon, bijvoorbeeld een middellijk aandeelhouder, onder omstandigheden kan vallen onder het bereik van het beleid en de gang van zaken van die eerstbedoelde rechtspersoon, en aldus van hetgeen in het kader van art. 2:350 lid 1 BW onderwerp kan zijn van een enquêteprocedure ten aanzien van die eerstbedoelde rechtspersoon. Daaruit volgt dat dit handelen eveneens onderwerp kan zijn van een eventueel daarop volgend onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van die eerstbedoelde rechtspersoon. (…)’. Wat geldt voor een middellijk aandeelhouder, geldt uiteraard te meer voor een rechtstreekse aandeelhouder.
Zie onder meer R.M. Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.5.3, die (onder verwijzing naar jurisprudentie van de OK) opmerkt dat de OK kan beoordelen of de aandeelhouders zich ten opzichte van elkaar hebben gedragen overeenkomstig hetgeen naar redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd als bedoeld in art. 2:8 BW. De inhoud van de zorgvuldigheidseis kan mede worden bepaald door de inhoud van de aandeelhoudersovereenkomst. Daardoor kan het volgens Hermans ‘onvermijdelijk zijn dat de OK zich moet uitlaten over de inhoud van de aandeelhoudersovereenkomst en de vraag of de partijen daarbij de bepalingen uit die overeenkomst zijn nagekomen’. Dat gebeurt volgens hem ook in de praktijk.
Zie voor wat betreft de jurisprudentie van uw Raad: HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:804 (Cancun), rov. 4.2.1–4.2.2, waaruit volgt dat ‘de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking’ mede het belang van de (joint venture-) ven nootschap bepalen en invloed kunnen hebben op de verplichting van bestuurders van een joint venture-vennootschap om jegens de aandeelhouders de nodige zorgvuldigheid te betrachten, die op haar beurt een bijzondere zorgplicht kan meebrengen met betrekking tot de positie van een aandeelhouder wiens belang is verwaterd of (verder) dreigt te verwateren. Uit deze beschikking volgt ook dat het bestuur rekening moet houden met afspraken tussen aandeelhouders en dat contractueel bepaalde verhoudingen tussen aandeelhouders niet zomaar mogen worden verstoord. Zie in dezelfde zin HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199 (Bab/Cordial III), rov. 3.4.2–3.4.4. Vgl. overigens ook rov. 3.2.1–3.2.3 van die beschikking over het geschilpunt met betrekking tot het al dan niet bestaan van een lening van een van de aandeelhouders (Bab) aan een groepsvennootschap (PVG-9) van de vennootschappen die voorwerp waren van het onderzoek (Cordial en Turnham). Het oordeel van het hof kwam erop neer dat het bestaan van de lening van Bab niet was komen vast te staan en dat het op de weg van Bab had gelegen om het bestaan van deze omstreden lening door de (internationaal) bevoegde rechter te doen vaststellen. Het door de onderzoeker geconstateerde verzuim van bestuurder Intertrust om nader onderzoek naar de betrokken lening te doen, was daarom, naar het oordeel van het hof, niet voldoende om wanbeleid te kunnen aannemen. De hiertegen gerichte cassatieklacht slaagde. De omstandigheden dat de lening van Bab niet is komen vast te staan en dat het op de weg van Bab had gelegen om het bestaan van deze lening door de bevoegde rechter te doen vaststellen, konden het oordeel dat het verzuim van Intertrust om zelf onderzoek te doen naar de lening van Bab daarom geen wanbeleid oplevert, volgens uw Raad niet dragen. Juist de ontstane onzekerheid over de lening van Bab zou, in het licht van de stellingen van Bab, voor de bestuurder aanleiding hebben moeten zijn een dergelijk onderzoek te verrichten. Het oordeel van het hof was om die reden onvoldoende gemotiveerd.
Zie M.H.J. van Rest, R.P.M.G. van den Boorn, Enquêterecht, Nijmegen: Aers Aequi Libri 2024. P. 70, 71.
Uit de NVM/Funda-beschikking volgt overigens dat uw Raad weinig verschil ziet tussen de redelijkheid en billijkheid in het vermogensrecht en die in het vennootschapsrecht. Het is — oneerbiedig gezegd — kennelijk één pot nat. Zie HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283 (NVM/Funda), rov. 3.8.
Het gaat om productie 6 bij het verzoekschrift van [verzoekers] c.s. In de processtukken van [verzoekers] c.s. bij de OK wordt de Term Sheet aangeduid als de ‘June Term Sheet’. In de processtukken van Getir bij de OK wordt de Term Sheet aangeduid als het ‘Juni 2024 Voorstel’ (zie verweerschrift van Getir, § 15). In de processtukken van Mubadala bij de OK wordt de Term Sheet ook aangeduid als de ‘June Term Sheet’ (zie verweerschrift van Mubadala, § 1.4).
Zie over het begrip corporate governance: M.H.J. van Rest, R.P.M.G. van den Boorn, Enquêterecht, Nijmegen: Aers Aequi Libri 2024. P. 52, 70.
Dit werd [betrokkene 3], die in juli 2024 is benoemd.
Vgl. bijvoorbeeld ook: pleitnotities zijdens Mubadala, § 4.3; verweerschrift Getir, § 35, 36.
Zie onder meer verzoekschrift, § 3.19–3.23. Zie ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 5.
Bovendien konden zij — anders dan de uitvoerende bestuurders — ook geen invloed uitoefenen in de bestuursvergadering en niet stemmen over die besluiten, omdat zij daarvan waren uitgesloten wegens een beweerdelijk tegenstrijdig belang. Zie ook onderdeel 1 van het cassatiemiddel.