Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/514
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Tegenstrijdig belang (art. 2:239 BW); is het aan desbetreffende bestuurder zelf of aan overige bestuurders om te beslissen of zich tegenstrijdig belang voordoet dat in weg staat aan deelname aan beraadslaging en besluitvorming?
HR 10-04-2026, ECLI:NL:HR:2026:592
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10 april 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, C.E. du Perron, F.R. Salomons, G.C. Makkink, K. Teuben
- Zaaknummer
25/01580
- Conclusie
A-G mr. B.F. Assink
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:592, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑04‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1334, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑12‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑04‑2025
- Wetingang
Art. 2:239, 2:344 e.v. BW
Essentie
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Tegenstrijdig belang (art. 2:239 BW); is het aan desbetreffende bestuurder zelf of aan overige bestuurders om te beslissen of zich tegenstrijdig belang voordoet dat in weg staat aan deelname aan beraadslaging en besluitvorming?
Samenvatting
Een bestuurder heeft een tegenstrijdig belang in de zin van art. 2:239 lid 6 BW indien hij te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (HR 29 juni 2007, NJ ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.