Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/6.3
6.3 De fiscale vermogensopstelling en de commerciële jaarrekening in Europees perspectief
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS345525:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
J. Hoogendoorn, Naar een harmonisatie van de fiscale winstbepaling?, MBB nr. 6, juni 1992, blz. 179-184.
Report of the Committee of Independent Experts on Company Taxation/Commission of the European Communities Brussels, Committee of Independent Experts on Company Taxation, Luxembourg: Office for Official Publications of the European Community, 1992.
O.G. van Laar, Onbegrensde harmonisatie van de vennootschapsbelasting of: verschil moet er blijven?, MBB nr. 6, juni 1992, blz. 171-178.
Vergelijk: S. Cnossen/ A.L. Bovenberg, Het rapport-Ruding, ESB 24 juni 1992, 77e jaargang, nr. 3865, p. 617.
Het comité Ruding doet in haar rapport (blz. 212-214) onder meer de volgende aanbevelingen aangaande de 'corporation tax base': Verschil tussen commerciële en fiscale jaarrekening `The Committee recommends the Commission to take appropriate measures to reduce the differences between commercial accounts and the accounts used for tax purposes (Phase Afschrijving op andere activa dan gebouwen `The Committee recommends that the Commission should propose measures by way of a directive on depreciation practices. This should provide for historica) costs as the basis for depreciation. It would allow a free choice for the taxpayer between declining-balance and straight-line depreciation for all depreciable assets other than buildings. Declining-balance depreciation rates should not exceed three times the rates applicable for straight-line depreciation. At the same time all special depreciation rules with an incentive effect should be abolished (Phase I)' Afschrijving op gebouwen `The Committee considers that there should be harmonized rules regarding the depreciation of buildings, and also as regards the minimum life and maximum rates of depreciation that should apply to different categories of assets. The Committee recommends that the Commission present proposals on these issues, by way of directive, after appropriate consultation with the proposed group of technical experts (Phase II).' Afschrijving op goodwill en fiscale aspecten aangaande leasing `The Committee recommends that the Commission should propose measures by way of directive to implement uniform tax treatment for the depreciation of goodwill and other intangible assets. It should also harmonize the basic income tax aspects of leasing (Phase I).' Voorraadwaardering `The Committee recommends the introduction of a free but irrevocable choice for business enter-prise to use the following methods of stock valuation: FIFO, LIFO, average colt or base stock ('stock outil') (Phase I).'
Ook Cnossen/Bovenberg, t.a.p., blz. 620 achten de harmonisatie van de winstbepalingsregels minder urgent.
In gelijke zin Cnossen / Bovenberg, t.a.p., blz. 616.
Taxation in the European Union, Sec(96) 487 final.
Niet alleen op nationaal maar ook op Europees niveau staat het onderscheid tussen fiscale en commerciële jaarrekening in de belangstelling. In 1992 vestigt Hoogendoorni1 de aandacht op een aanbeveling van het comité-Ruding2 om te zijner tijd de verschillen tussen de commerciële jaarrekening en de fiscale winstbepaling te verminderen. Deze aanbeveling is begrijpelijk in het kader van het streven (van één of enkele lid-sta(a)t(en)) om de `Massgeblichkeit' of
Tunicité' in Europees verband te introduceren. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de `Massgeblichkeit' in de Duitse Bondsrepubliek zeker niet onomstreden is, gezien de permanente discussie die dit beginsel aldaar oplevert.
Hoogendoorn daarentegen legt niet de nadruk op de eventuele overeenkomsten maar op het verschil in doelstelling tussen de commerciële jaarrekening enerzijds en de fiscale winstbepaling anderzijds. De fiscale winstbepaling is volgens hem slechts gericht op één (zij het belangrijke) relatie, te weten die met de Staat der Nederlanden. In tegenstelling tot de commerciële jaarrekening (welke een functie heeft in een zogenaamd 'open circuit', dat wil zeggen met veel belanghebbenden) heeft de fiscale winstbepaling een functie in een 'gesloten circuit' (het gaat hierbij om de afdracht van belastingen aan de Staat der Nederlanden).
Omdat goed koopmansgebruik een publiekrechtelijk begrip is en de maatschappelijk aanvaardbare normen daarentegen een privaatrechtelijk begrip vormen, is Hoogendoorn géén voorstander van de Massgeblichkeit. Beide termen zijn autonome rechtsbegrippen die los van elkaar functioneren binnen het Nederlandse rechtssysteem op de onderscheiden terreinen. Zo staat de fiscale winstbepaling de ontwikkeling van het jaarrekeningrecht niet in de weg; evenmin staat het commerciële jaarrekeningrecht de ontwikkeling van het fiscale winstbegrip in de weg. Vanzelfsprekend kan over en weer van elkaar worden geleerd, bijvoorbeeld aangaande de ontwikkeling van de wederzijdse rechtsgebieden. Volgens Hoogendoorn kunnen we van geluk spreken dat dezelfde kamer van de Hoge Raad het belastingrecht én het jaarrekeningrecht behandelt in allerhoogste instantie zodat er op deze wijze toch een zekere vorm van codificatie optreedt.
Ook Van Laar3 reageert op de aanbevelingen van het comité-Ruding inzake de jaarrekening. Hij noemt het geen bijzonder gelukkig voorstel, al kan de vereenvoudigingsgedachte (die naar mag worden aangenomen achter het voorstel schuilt) op zich enige sympathie wekken.
Een complicerende factor bij de bepaling van de fiscale winst is dat deze over het algemeen voorzichtiger wordt berekend dan de commerciële winst. Volgens Van Laar vloeien de thans voorkomende verschillen logisch voort uit de verschillende doelen die de onderscheiden jaarrekeningen dienen. Het Nederlandse bedrijfsleven is volgens hem voorstander van het huidige onderscheid in commerciële en fiscale winstbepaling niet in het minst omdat men fiscaal nu eenmaal — anders dan in commercieel opzicht — lasten naar voren wil halen.
Door het comité is een groot aantal minimumvoorschriften voor de fiscale winstbepaling gedaan om daarmee de verschillen in de berekening van de belastinggrondslag te verkleinen. De voorschriften hebben betrekking op afschrijving, voorraadwaardering, reserveringen, de aftrekbaarheid en toerekening van kosten, en andere zaken.4 Opvallend is dat daarbij het aspect van afwaardering op lagere bedrijfswaarde niet aan de orde komt. Voor de uitwerking zou een technische werkgroep moeten worden ingesteld. 'Fax incentives' moeten volgens het comité mogelijk blijven, maar dienen te worden gegoten in de vorm van belastingaftrekken.5
Trouwens, aan de aanbevelingen van het comité-Ruding is geen uitvoering gegeven6 en op dit moment heerst er op het gebied van de harmonisatie op Europees niveau van de directe belastingen, een grote rust. Het comité heeft weliswaar aanzetten tot een discussie geleverd maar het is evenwel te betreuren dat deze geen vervolg hebben gekregen.
Daarmee zijn de hemelsbrede verschillen — in Europees verband — in winstbepalingsvoorschriften blijven bestaan7.
Overigens kan nog worden opgemerkt dat EU-commissaris Mario Monti met het zogenaamde `Verona-document'8 de discussie over de rol van belastingen in de Europese Unie (met daaraan gekoppeld de wens tot harmonisatie van directe belastingen) weer heeft geopend.