Einde inhoudsopgave
RvdW 2023/549
Vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38v Sr in eerste aanleg en in hoger beroep. Dadelijke uitvoerbaarheid, maximale duur, vervangende hechtenis en aanbevelingen voor de appelrechtspraak.
HR 09-05-2023, ECLI:NL:HR:2023:637
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
9 mei 2023
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.L.J. van Strien, T. Kooijmans
- Zaaknummer
21/04004
- Conclusie
A-G mr. D.J.M.W. Paridaens
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Sancties
Strafprocesrecht / Tenuitvoerlegging
Jeugdstrafrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:637, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 09‑05‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:297, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 14‑03‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑09‑2022
- Wetingang
Art. 38v, 38w, 285b lid 1 Sr; art. 6:6:6 Sv
Essentie
Belagingszaak. In hoger beroep is opnieuw de vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38v Sr opgelegd, welke maatregel in eerste aanleg dadelijk uitvoerbaar werd verklaard. Maximale duur en vervangende hechtenis. Aanbevelingen voor de appelrechtspraak.
Samenvatting
Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat het hof in hoger beroep een (al dan niet dadelijk uitvoerbaar te verklaren) vrijheidsbeperkende maatregel oplegt, nadat de rechtbank in eerste aanleg ook al een vrijheidsbeperkende maatregel had opgelegd die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. In dat geval moet — mede gelet op de wetsgeschiedenis — bij de berekening van de totale duur van de vrijheidsbeperkende ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.