Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.8.5:7.8.5 Tussenconclusie
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.8.5
7.8.5 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS299230:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om de kwalitatief aansprakelijke persoon te kunnen aanwijzen moet nagegaan worden wie, gebaseerd op ‘zeggenschap’, voor de door de zaak aangerichte schade ‘hoofd- of eindverantwoordelijk’ kan worden geacht. In het algemeen zal dat iemand zijn die een zekere bestendige band met de desbetreffende zaak heeft. De aansprakelijkheid van art. 6:181 berust als gezegd op een veronderstelde zorgplicht voor de zaak. Incidenteel of kortdurend gebruik van de zaak kan eraan in de weg staan om geacht te worden die zorgplicht – controle van de zaak, het zonodig wegnemen van gebreken en/of het treffen van voorzorgsmaatregelen – waar te maken. Hoewel de aansprakelijkheid ex art. 6:181 zijn achtergrond vindt in de gedachte van de schending van een zorgplicht, is deze geen (echte) ‘foutaansprakelijkheid’. Zodoende kan een persoon dus heel wel ex art. 6:181 aansprakelijk zijn bij gebreke van een bestendige band of duurzame relatie met de schadeveroorzakende zaak. Een voorbeeld hiervan biedt het aan het slot van de vorige paragraaf genoemde bedrijf dat voor een eenmalige klus een slijptol leent, die evenwel direct na aanvang van het gebruik ontploft. Steeds zal aan de hand van alle omstandigheden van het specifieke geval degene moeten worden aangewezen die binnen het stelsel van art. 6:181 jo. 173, 174 en 179 als ‘meest verantwoordelijke’ voor de ontstane schade heeft te gelden. Mede aan de hand van een bespreking van diverse casusposities heb ik getracht hiertoe een aantal concrete gezichtspunten te geven en het kader te schetsen waarbinnen de beoordeling kan worden gemaakt.
Hierbij kan nog in herinnering worden gebracht dat ik reeds heb verdedigd dat zodra in een voorkomend geval gerede twijfel blijft bestaan over een aansprakelijkheid van de bezitter óf bedrijfsmatige gebruiker – zowel de één als de ander heeft een zekere ‘bemoeienis’ met de zaak – bij de te maken keuze betekenis kan toekomen aan het systeem van de wet als ‘afrondingsfactor’: waar mogelijk gaat binnen het stelsel van art. 6:181 jo. 173, 174 en 179 de voorkeur uit naar de ‘professional’ als aansprakelijke.1 Gelet op de ‘absorberende’ werking van art. 6:181 c.q. deze ‘afrondingsgedachte’ sluit ik niet uit dat bij de toepassing van het gebruiksbegrip in grensgevallen tevens betekenis kan toekomen aan het feit op wie de aansprakelijkheid ex art. 6:173, 174 en 179 rust wanneer art. 6:181 niet zou worden toegepast: betreft het ‘vangnet’ een particulier dan zou dat de neiging kunnen opwekken art. 6:181 (toch maar) toepasselijk te achten, terwijl bij ‘teruggevallen’ op een ‘professional’ (eerder) van toepasselijkheid van art. 6:181 afgezien zou kunnen worden.2 Denk bijvoorbeeld aan het dier dat in de kliniek van de dierenarts wordt opgenomen, zij het echter voor een kortdurende behandeling en in continue aanwezigheid van de particuliere bezitter. Wellicht dat in een dergelijke casus eerder geneigd kan worden naar het toepassen van art. 6:181 op de dierenarts dan in het geval waarin niet een ‘consument’ maar een (professionele) veehandelaar als bezitter bij de gang van zaken betrokken is.
Is sprake van twee of meer betrokken bedrijven terwijl het onvoldoende sprekend is/blijft wie van hen de grootste mate van invloed op de aan de betreffende zaak verbonden risico’s heeft, dan zal ingevolge art. 6:181 lid 1 overigens een hoofdelijke aansprakelijkheid van bedrijfsmatige medegebruikers voor de hand liggen.
Tot slot wijs ik er nog op dat, mede gelet op het aspect van de ‘opspoorbaarheid’ van de aansprakelijke persoon en het voorkomen dat de benadeelde van ‘het kastje naar de muur’ wordt gestuurd, in menig geval een ‘verzwaarde stelplicht’ van de op kwalitatieve grondslag aangesprokene aangenomen zal kunnen worden:3 ingeval de – in eerste instantie – aangesprokene (bijvoorbeeld de dierenarts) meent dat op het moment van de schadeveroorzaking niet hij maar een ander (bijvoorbeeld de bezitter van het dier) ‘de grootste mate van zeggenschap’ had, zal de aangesprokene de benadeelde waar mogelijk ook ‘op het spoor’ van die ander moeten zetten en ter zake dienende feitelijke gegevens moeten verstrekken.