Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.7.2.c
9.7.2.c Beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid
E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250340:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ten Hove 2004, p. 169, Van Wijngaarden 2006a, p. 619, Verbrugh 2006, p. 53, Verbrugh 2007, p. 103, Zaman, Van Eck & Roelofs 2009, p. 282, Van der Kraan 2012, p. 103 en 120, Snijder-Kuipers & Eliëns 2014, p. 1177-1178 en E.C.A. Nass 2019, p. 167-168.
Zie in vergelijkbare zin § 9.9.1.d met betrekking tot een zuivere splitsing van de 403-maatschappij waarbij haar vermogen onder algemene titel is overgegaan op groepsmaatschappijen. Zie Verbrugh 2006, p. 54, Verbrugh 2007, p. 269-270 en Van der Kraan 2012, p. 153 en 161, die opmerken dat in een dergelijk geval niet is voldaan aan de voorwaarde ex art. 2:404 lid 3 sub a BW.
Van Wijngaarden 2006a, p. 620, Snijder-Kuipers & Eliëns 2014, p. 1177-1178 en Holtman 2019, p. 160. Vgl. Zaman, Van Eck & Roelofs 2009, p. 282 en Van der Kraan 2012, p. 102-103, die opmerken dat naar de letter van de wet de groepsband is verbroken, maar dat naar de strekking van de wet niet is voldaan aan de voorwaarde ex art. 2:404 lid 3 sub a BW.
Zie § 9.4.1.
Beckman 1995a, p. 621, Van der Arend 1999, p. 155, Verbrugh 2006, p. 53 en E.C.A. Nass 2019, p. 163-164.
Verbrugh 2006, p. 53 en Van der Kraan 2012, p. 103.
Als de moedermaatschappij haar 403-verklaring heeft ingetrokken, kan zij de overblijvende aansprakelijkheid beëindigen als zij voldoet aan de voorwaarden van art. 2:404 lid 3 BW. Het is de vraag of door de fusie van de 403-maatschappij met de verkrijgende rechtspersoon is voldaan aan de voorwaarde ex art. 2:404 lid 3 sub a BW dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken.
Als de 403-maatschappij fuseert met een rechtspersoon buiten de groep, lijdt het geen twijfel dat de groepsband met de – voormalige – moedermaatschappij is verbroken.1 Als ook aan de overige voorwaarden van art. 2:404 lid 3 BW wordt voldaan, is de overblijvende aansprakelijkheid van de moedermaatschappij beëindigd.
In de literatuur bestaat echter discussie over het antwoord op de vraag of aan de voorwaarde ex art. 2:404 lid 3 sub a BW is voldaan als de 403-maatschappij is verdwenen door een fusie met een groepsmaatschappij.2 Enkele auteurs leggen deze bepaling strikt uit. Zij zijn van mening dat in een dergelijk geval aan de voorwaarde ex art. 2:404 lid 3 sub a BW is voldaan omdat de 403-maatschappij door de fusie is opgehouden te bestaan.3 Ik ben eerder echter tot de conclusie gekomen dat art. 2:404 lid 3 sub a BW ruimer moet worden uitgelegd.4 Voor het antwoord op de vraag of aan de voorwaarde ex art. 2:404 lid 3 sub a BW is voldaan, moet niet slechts worden beoordeeld of de band is verbroken tussen de moeder- en de 403-maatschappij, zoals beide rechtspersonen bestonden voor de fusie. De mogelijkheid om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, is mijns inziens bedoeld voor de gevallen dat de rechtspersoon op wie deze aansprakelijkheid rust niet tot dezelfde groep behoort als de rechtspersoon van wie de handelingen tot aansprakelijkheid op grond van de ingetrokken 403-verklaring kunnen leiden. Een dergelijke situatie doet zich niet voor als de 403-maatschappij is gefuseerd met een groepsmaatschappij, waarbij haar vermogen onder algemene titel op deze groepsmaatschappij is overgegaan. Ik ben daarom van mening, evenals onder meer Beckman en Verbrugh,5 dat niet aan de voorwaarde ex art. 2:404 lid 3 sub a BW is voldaan als de 403-maatschappij is verdwenen als gevolg van een fusie met een groepsmaatschappij.6 De moedermaatschappij kan de overblijvende aansprakelijkheid dus niet beëindigen. Een andere uitkomst zou er ook toe kunnen leiden dat een fusie van de 403-maatschappij met een groepsmaatschappij wordt misbruikt om aan de voorwaarde van art. 2:404 lid 3 sub a BW te voldoen.7