Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.6.9
4.6.9 Sandra Puffer-arrest
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS300773:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
In onderdeel 46 van haar conclusie van 11 december 2008, V-N 2009/5.22, zegt A-G Sharpston het volgende: ‘Ik begrijp waarom de Oostenrijkse autoriteiten in punt 26 van het arrest Lennartz een schijnbare cirkelredenering zien. Het Hof stelt daarin vast dat “een particulier die een goed ten dele voor zijn belaste handelingen en ten dele voor privé-doeleinden gebruikt en die op het ogenblik van de verkrijging van het goed de betaalde voorbelasting geheel of gedeeltelijk heeft teruggekregen, [wordt] geacht het goed volledig te gebruiken voor zijn belaste handelingen in de zin van artikel 17, lid 2. Bijgevolg heeft hij in beginsel recht op volledige en onmiddellijke aftrek van de bij de verkrijging van de goederen verschuldigde voorbelasting.’ Die uitspraak is in die bewoordingen door het Hof echter nooit herhaald. Verwijzingen ernaar worden geparafraseerd als „[i]ndien de belastingplichtige ervoor kiest, de investeringsgoederen die zowel voor bedrijfs- als voor privédoeleinden worden gebruikt, te behandelen als goederen van de onderneming, komt de bij de verkrijging van deze goederen verschuldigde voorbelasting in beginsel voor een algehele en onmiddellijke aftrek in aanmerking’. Dat is alles wat het Hof heeft willen zeggen, ondanks een mogelijk minder geslaagde formulering in het arrest Lennartz.’
Sandra Puffer heeft tussen november 2002 en juni 2004 een huis met zwembad laten bouwen. Een deel van het huis (ongeveer 11%) zal zij als kantoor belast gaan verhuren. Puffer neemt het gehele huis in haar bedrijfsvermogen op en zij verzoekt om aftrek van de volledige voorbelasting die haar voor de bouw in rekening is gebracht. De Oostenrijkse Belastingdienst weigert de aftrek voor de aanleg van het zwembad en staat voor het overige slechts aftrek toe voor de 11% dat het gebouw voor bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt. De Oostenrijkse rechter stelt prejudiciële vragen. Hij wil weten of een ondernemer die volledige en onmiddellijke aftrek geniet van de btw op een gemengd gebruikt goed niet een ongerechtvaardigd voordeel geniet ten opzichte van een normale consument of een ondernemer die zijn woning niet gedeeltelijk (zelfs maar minimaal) bedrijfsmatig gebruikt. Verder wil hij weten of het verlenen van een onmiddellijk recht op aftrek aan belaste ondernemers die het investeringsgoed mede voor privédoeleinden gebruiken kan worden gezien als verboden staatssteun ten nadele van ondernemers die vrijgestelde handelingen verrichten. Ten slotte wil hij weten of de Oostenrijkse aftrekbeperking(en) voor gemengd gebruikte woningen in strijd is met art. 17, lid 6, Zesde richtlijn.
Het Hof van Justitie EU beantwoordt de eerste twee vragen ontkennend. De art. 17, lid 2, letter a, en art. 6, lid 2, letter a, Zesde richtlijn zijn niet in strijd met het algemeen gemeenschapsrechtelijk gelijkheidsbeginsel voor zover deze bepalingen, via de regeling van het recht op volledige en onmiddellijke aftrek van de voorbelasting over de bouw van een onroerend goed voor gemengd gebruik en de latere gespreide heffing van belasting over de toegevoegde waarde over het privégebruik van dit onroerend goed, belastingplichtigen een cashflowvoordeel kunnen verschaffen in vergelijking met niet-belastingplichtigen en belastingplichtigen die hun onroerend goed uitsluitend als privéwoning gebruiken. Ook is er geen sprake van het verlenen van verboden staatssteun. Op de derde vraag antwoordt het Hof van Justitie EU dat de Oostenrijkse regeling zich niet verdraagt met de standstill-bepaling in art. 17, lid 6, Zesde richtlijn.
Het Sandra Puffer-arrest lijkt geen belangrijk en opzienbarend arrest, als men zich beperkt tot de beantwoording van de door de Oostenrijkse rechter gestelde vragen. Daarmee wordt het arrest echter tekort gedaan, want in zijn overwegingen werpt het Hof van Justitie EU licht op de kwestie van de verhouding tussen enerzijds het recht op aftrek en anderzijds de fictieve heffingen: doet de fictieve heffing een aftrekrecht ontstaan of doet de fictieve heffing geen aftrekrecht ontstaan is zij slechts een correctie achteraf op een eerder, op andere gronden ontstaan aftrekrecht? Het hof overweegt:
48 Ten slotte leidt de door de rechtspraak geformuleerde uitlegging van artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn, anders dan de Unabhängiger Finanzsenat en de Oostenrijkse regering stellen, noch tot een cirkelredenering, zoals de advocaat-generaal in punt 46 van haar conclusie heeft opgemerkt, noch tot een gebrek aan samenhang in de systematiek.1
49 Belastingplichtigen die alleen vrijgestelde handelingen verrichten, kunnen overeenkomstig deze bepaling immers geen voorbelasting aftrekken en zij kunnen dus evenmin een recht op aftrek doen gelden voor het privégebruik van goederen voor gemengd gebruik.
50 Voor belastingplichtigen die zowel vrijgestelde als belaste handelingen verrichten, bestaat er evenmin een conflict tussen de verhouding privé-/bedrijfsmatig gebruik en het in artikel 17, lid 5, van de Zesde richtlijn bepaalde pro rata van de aftrek.
51 Uit de algemene opzet van artikel 17 van deze richtlijn volgt immers dat wanneer de belastingplichtige bij de verkrijging van een investeringsgoed ervoor kiest dit goed volledig tot zijn bedrijfsvermogen te bestemmen, de onmiddellijke aftrek van de voorbelasting is toegestaan voor het deel van de btw dat evenredig is aan het bedrag van zijn belaste handelingen. Voor zover dit pro rata naderhand in de tijd kan veranderen, voorziet artikel 20 van de Zesde richtlijn in een herzieningsregeling. Wanneer krachtens de artikelen 17 en 20 van deze richtlijn recht op gedeeltelijke aftrek van de btw is ontstaan, kan de belastingplichtige, evenmin als elke andere belastingplichtige die alleen belaste handelingen verricht, echter niet ontsnappen aan de gespreide heffing van btw over zijn privégebruik van dit goed.
Op basis van deze overwegingen, in samenhang met de beslissing in het VNLTOarrest, is mijn conclusie dat een ondernemer om zijn aftrekrecht te bepalen bij de aanschaf van een investeringsgoed de volgende stappen moet zetten:
hij moet het goed opnemen in zijn bedrijfsvermogen;
hij moet bepalen in welke mate hij het goed gaat gebruiken voor handelingen die buiten de werkingssfeer van de btw vallen (met uitzondering van privégebruik door hemzelf, zijn personeel of derden);
hij moet bepalen in welke mate hij het goed gaat gebruiken voor vrijgestelde handelingen;
het restant aan voorbelasting is toerekenbaar aan belaste handelingen en is aftrekbaar;
als hij het goed gaat gebruiken voor privédoeleinden van hemzelf, zijn personeel of derden, vindt er een fictieve heffing plaats, enkel als correctie van de voorbelasting die na het doorlopen van de eerste 4 stappen aftrekbaar bleek.
Als het niet gaat om de aanschaf van een investeringsgoed maar van een niet-investeringsgoed, valt alleen stap 1 weg: voor het overige moeten dezelfde stappen doorlopen worden.
Deze conclusie kan ook als volgt kort samengevat worden: aftrek is alleen mogelijk voor zover de goederen zijn opgenomen in een bedrijfsvermogen van een belast presterende ondernemer.