Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.2.2.2
VII.2.2.2 Verantwoordingsplicht
mr. N. Kreileman , datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242920:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 3.4, p. 97; en Honée 2006, p. 221. Hoewel Honée deze opvatting reeds was toegedaan vóór de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht op 1 januari 2013, meen ik dat zijn opvatting ook onder het thans vigerende recht relevant is. De wetgever heeft immers niet aan het uitgangspunt van collectieve verantwoordelijkheid getornd.
Idem, zij het niet specifiek met betrekking tot de one tier board, onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/238; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 3.4, p. 98-99; en Handboek 2013/258, p. 565. Het bestuur van een beursvennootschap behoort daarnaast in het bezoldigingsverslag verantwoording af te leggen over de bezoldiging van de bestuurders, zie (art 2:187 jo.) art. 2:135b BW.
Idem Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/238; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.2, p. 699; en Handboek 2013/258, p. 565.
Het bestuur van een beursvennootschap moet de weigering om inlichtingen te verstrekken gemotiveerd toelichten, zie best practice bepaling 4.2.1 van de Code.
HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2010/228 m.nt. Van Ginneken (ASMI).
HR 4 december 1992, NJ 1993, 271 m.nt. Maeijer (Meijers/Mast Holding). Hoewel het in deze zaak niet ging over een vennootschap met een monistisch bestuursmodel, meen ik dat deze plicht niet alleen rust op de uitvoerende bestuurders, maar ook op de niet-uitvoerende bestuurders. Laatstgenoemden maken immers deel uit van het bestuursorgaan. Bovendien wordt algemeen aangenomen dat deze plicht ook op iedere commissaris rust, zie in deze zin bijvoorbeeld Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 3.4, p. 99.
Volgens Verdam, Ondernemingsrecht 2018/117, miskent deze bepaling dat de niet-uitvoerende bestuurders volle verantwoordelijkheid dragen voor de strategie. Ik begrijp best practice bepaling 1.5.1 jo. 1.1.3 van de Code echter zo dat de verantwoording enkel ziet op het door de niet-uitvoerende bestuurders uitgeoefende toezicht op de uitvoering van de strategie. Zoals ik in § VI.2.2 al schreef, is het uitvoeren van de strategie mijns inziens een uitvoerende taak bij uitstek. Volgens mij kunnen de niet-uitvoerende bestuurders daar dan ook wel degelijk toezicht op houden.
Zie de toelichting op best practice bepaling 5.1.5 van de Code. Het remuneratierapport kan onderdeel zijn van het verslag van de niet-uitvoerende bestuurders, maar verplicht is dat niet.
Zie Altice Europe NV Annual Report 2019, p. 127-132; en Amsterdam Commodities NV Annual Report 2019, p. 46-47.
Zijn in de onderneming in de regel ten minste honderd personen werkzaam, dan behoort de ‘ondernemer’ op grond van art. 23 lid 2 WOR ten minste eenmaal per jaar in de overlegvergadering verantwoording af te leggen over de hoogte en inhoud van de bezoldiging van het bestuur. Zie ook § IV.5.1. Ook moeten de hoogte en de inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken en de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen ten opzichte van het voorgaande jaar per verschillende groep van de in de onderneming werkzame personen worden besproken.
Zie § IV.5.4
Idem onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/238; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 3.4, p. 97; en Handboek 2013/258, p. 566.
Idem Bulten 2012, p. 13; en Honée 2006, p. 221. Zie hierover § VI.4.3.
Aldus ook Honée 2006, p. 221.
In gelijke zin onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/238; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 3.4, p. 97; en Handboek 2013/258, p. 566.
Zie principe 2.4 van de Code. Dit principe is verder uitgewerkt in best practice bepaling 2.4.7.
Honée 2006, p. 221. Zie § VI.4.3.2.
Zie § VI.4.3.3.
Zie § V.7.1.
Zie § VI.4.3.2. Evenzo onder anderen Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91; en Strik, Ondernemingsrecht 2012/91.
Bij het leerstuk ‘decharge’ sta ik stil in § VII.6.
Zie art. 2:134/244 lid 1 jo. 2:132/242 lid 1 BW. Zie hierover § IV.4.2.
Zie art. 2:346 lid 1 sub a en b BW. Zie ook HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 m.nt. Maeijer (Ogem II). In dezelfde zin, zij het niet specifiek met betrekking tot de niet-uitvoerende bestuurder, onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/238; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 3.4, p. 101; en Handboek 2013/258, p. 566.
Vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/238; en Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 3.4, p. 101. Zie over ‘vaandelvlucht’ met betrekking tot commissarissen Van Solinge, Ondernemingsrecht 2006/76.
In dezelfde zin onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/238; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 3.4, p. 101; Borrius 2012, p. 107; Verdam 2011, p. 23; en Wezeman 2009, p. 96.
Idem Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 3.4, p. 101.
Zie in deze zin ook Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8 (MvT); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 5-6 en 15 (MvA).
Uit de collectieve verantwoordelijkheid voor de vervulling van de bestuurstaak vloeit de plicht voort verantwoording af te leggen over de invulling van die taak. De vraag rijst hoe deze verantwoordingsplicht zich vertaalt indien de vennootschap het monistische bestuursmodel hanteert.
In de eerste plaats moet het bestuur zich verantwoorden aan de algemene vergadering.1 Deze verantwoording is in ieder geval te vinden in de jaarrekening en het bestuursverslag.2 Het bestuur behoort het bestuursverslag op de voet van art. 2:101/210 lid 1 BW ter inzage te leggen voor de aandeelhouders. Ten aanzien van de door het bestuur opgemaakte – en door iedere bestuurder ondertekende – jaarrekening volstaat dit niet. De jaarrekening moet op grond van art. 2:101/210 lid 3 BW ter vaststelling worden aangeboden aan de algemene vergadering.3 Met de verantwoordingsplicht van het bestuur hangt voorts de regel van art. 2:107/217 lid 2 BW samen.4 Op grond van deze bepaling moet het bestuur de algemene vergadering alle gewenste inlichtingen verschaffen, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet.5 Aan individuele aandeelhouders komt het recht op informatie slechts ter vergadering toe. De Hoge Raad bepaalde in ASMI dat het bestuur buiten de vergadering niet gehouden is inlichtingen aan een individuele aandeelhouder te verstrekken.6
Niet alleen het college van gezamenlijke bestuurders is verantwoording schuldig aan de algemene vergadering. De bestuurders dienen ook ieder afzonderlijk verantwoording af te leggen over hun aandeel in het bestuur, zo bepaalde de Hoge Raad in Meijers/Mast Holding.7
Tot slot bevat de Code enkele voorschriften voor de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders van beursvennootschappen. Zo schrijft principe 4.3 voor dat de niet-uitvoerende bestuurders op inzichtelijke wijze verantwoording afleggen over de uitvoering van het beloningsbeleid in het remuneratierapport. Verder behoren zij op grond van best practice bepaling 5.1.5 verantwoording af te leggen over het door hen uitgeoefende toezicht op onder meer de uitvoering van de strategie.8 De niet-uitvoerende bestuurders zijn vrij in de wijze waarop zij zich verantwoorden. Dit kan zowel in een apart verslag van de niet-uitvoerende bestuurders als in het bestuursverslag.9
Bij het gros van de beursvennootschappen wordt de verantwoording door de niet-uitvoerende bestuurders afgelegd in het bestuursverslag. Enkel bij Altice Europe NV en Amsterdam Commodities NV verantwoorden de niet-uitvoerende bestuurders zich in een afzonderlijk verslag.10
Is in de onderneming van de vennootschap een ondernemingsraad ingesteld, dan is de ‘ondernemer’ voorts verantwoording schuldig aan de ondernemingsraad.11 Zo behoort hij op grond van art. 23 WOR verantwoording af te leggen tijdens de overlegvergaderingen met de ondernemingsraad.12 Rust deze verantwoordingsplicht ook op de niet-uitvoerende bestuurder? Ik beantwoord deze vraag in beginsel ontkennend. Het overleg wordt namens de vennootschap gevoerd door een ‘bestuurder’ in de zin van de WOR.13 Ik breng in herinnering dat de niet-uitvoerende bestuurder normaliter buiten het bereik van het begrip ‘bestuurder’ ex art. 1 lid 1 sub e WOR valt.14 Dit betekent dat de niet-uitvoerende bestuurder in beginsel niet bij deze vergaderingen aanwezig behoeft te zijn. Dit is anders indien tijdens de overlegvergadering de algemene gang van zaken van de onderneming als bedoeld in art. 24 lid 1 WOR wordt besproken. Zoals in § VI.5.7 vermeld, behoren de niet-uitvoerende bestuurders in dat geval wél van de partij te zijn.
Daarnaast dienen de bestuurders zich tegenover elkaar te verantwoorden.15 Deze plicht vloeit voort uit het beginsel van collegiaal bestuur. Zoals eerder vermeld, zijn de bestuurders gezamenlijk verantwoordelijk voor het besturen van de vennootschap. Ook wanneer de bestuurstaken zijn verdeeld. Dit brengt mee dat de bestuurders elkaar moeten informeren over hun taakuitoefening.16 In een monistisch bestuur rust deze verantwoordingsplicht zowel op de individuele uitvoerende als de individuele niet-uitvoerende bestuurders. Hier doemt een verschil op tussen het monistische en het dualistische bestuursmodel. De toezichthouders in het dualistische bestuursmodel zijn immers niet gehouden zich te verantwoorden tegenover het bestuur.17
In een two tier board moet het bestuur voorts verantwoording afleggen aan de raad van commissarissen, zo die is ingesteld. Deze verantwoordingsplicht houdt verband met de toezichthoudende taak van de raad van commissarissen.18 Art. 2:141/251 BW bepaalt dat het bestuur hem tijdig de nodige gegevens verschaft, opdat laatstgenoemde zijn toezichtstaak behoorlijk kan uitoefenen. De Code bevat een soortgelijk principe.19 Nu in een one tier board de niet-uitvoerende bestuurders zijn belast met het houden van toezicht, komt de vraag op of de groep van uitvoerende bestuurders verantwoording schuldig is aan de groep van niet-uitvoerende bestuurders.
Honée meent van wel. Volgens hem doet het ontbreken van een wettelijke regeling omtrent het verschaffen van informatie door de uitvoerende bestuurders aan de niet-uitvoerende bestuurders afbreuk aan de verantwoordingsplicht van de uitvoerende bestuurders.20 Ik kan mij tot op zekere hoogte in zijn zienswijze vinden. Zoals ik in § V.7.2 al schreef, kan op grond van art. 2:129a/239a lid 3 BW bij of krachtens de statuten worden bepaald dat de gezamenlijke uitvoerende bestuurders rechtsgeldig kunnen besluiten omtrent zaken die tot hun taak behoren. Over aldus genomen zaak-taakbesluiten zijn de uitvoerende bestuurders inderdaad verantwoording schuldig aan de niet-uitvoerende bestuurders.21 Het uitgangspunt is echter dat bestuursbesluiten door de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders tezamen worden genomen.22 De uitvoerende bestuurder tot wiens takenpakket de aangelegenheid behoort waarover uiteindelijk collectieve besluitvorming plaatsvindt, legt in dat geval reeds vóórdat het besluit wordt genomen verantwoording af aan zijn collega-bestuurders, onder wie de niet-uitvoerende bestuurders. Op grond van art. 2:8 BW behoort hij hen immers tijdig voor de besluitvorming van de noodzakelijke informatie te voorzien.23
Het niet of niet voldoende afleggen van verantwoording kan verstrekkende gevolgen hebben voor de niet-uitvoerende bestuurder. Is de algemene vergadering niet tevreden met de wijze waarop het bestuur of de niet-uitvoerende bestuurder zich verantwoordt, dan kan zij weigeren de niet-uitvoerende bestuurder te dechargeren.24 Ook is de algemene vergadering bevoegd de niet-uitvoerende bestuurder te schorsen of zelfs te ontslaan.25 Voor de algemene vergadering staat daarnaast de weg open het bestuur en/of de niet-uitvoerende bestuurder ter verantwoording te roepen in een enquêteprocedure.26
Bevredigt de wijze waarop de niet-uitvoerende bestuurder verantwoording aflegt aan zijn medebestuurders niet, dan zullen laatstgenoemden de informatie zelf moeten halen. De reden is dat het bestuur collectief verantwoordelijk is voor het besturen van de vennootschap.
De niet-uitvoerende bestuurder behoort zich tot slot tegenover de rechter te kunnen verantwoorden in eventuele aansprakelijkheidsprocedures.27 Anders dan naar Frans recht, waar de term ‘responsabilité’ zowel voor verantwoordelijkheid als aansprakelijkheid wordt gebruikt,28 moet naar Nederlands recht een onderscheid worden gemaakt tussen beide termen.29 Voor aansprakelijkheid geldt een verhoogde drempel. Het gaat daarbij tenslotte mede om het gehouden zijn tot vergoeding van de schade van een of meer partijen.30 Niettemin wordt verantwoordelijkheid wel als een opmaat voor aansprakelijkheid beschouwd.31