Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/2.3.4
2.3.4 Vergelijking met andere postcontractuele rechtsverhoudingen
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687112:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Onder andere HR 5 oktober 1990, NJ 1991/576, m.nt. E.A.A. Luijten (K/B).
HR 28 september 1977, NJ 1978/432, m.nt. E.A.A. Luijten (X/Y).
Onder meer HR 9 februari 2007, NJ 2007/306, m.nt. J. de Boer (M/K).
W.D. Kolkman en F.R. Salomons, Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/142-144.
Kamerstukken II 1987/88, 17896, nr. 7, p. 12 en nr. 8, p. 13. De Toelichting Meijers spreekt over een ‘overblijvende verplichting’: W.H.M. Reehuis en E.E. Slob, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe burgerlijk wetboek, Boek 7, Bijzondere overeenkomsten Titels 1, 7, 9 en 14, Deventer: Kluwer 1991, p. 371-372.
C.J.H. Brunner, ‘De opdracht (Ontwerp boek 7, titel 7)’, WPNR 1974/5285, p. 791.
T.F.E. Tjong Tjin Tai, Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2014, nr. 295.
HR 22 maart 2013, JIN 2013/76, m.nt. P.H. Bossema-De Greef (eiser/verweerder). J. van der Burg, ‘Zorgplicht financieel adviseur buiten een contractuele adviesrelatie’, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2014/9, spreekt hier over buitencontractuele aansprakelijkheid van de adviseur wegens het niet-naleven van de op hem rustende post-contractuele zorgplicht.
In bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 11 juni 2020, JOR 2020/205, m.nt. A.F.J.A. Leijten (A/B c.s.) neemt de OK nawerking van artikel 2:8 BW aan in de relatie tussen een vennootschap en ex-aandeelhouder. J.M.M. Maeijer, Asser/Maeijer 5-V 1995, nr. 266, meent dat na beëindiging van een vennootschapsovereenkomst nog verplichtingen uit de redelijkheid en billijkheid kunnen voortvloeien, zie voor verdere literatuurverwijzingen aldaar. Zie bijvoorbeeld ook F.C. Kollen, De vereniging in de praktijk, Deventer: Kluwer 2007, p. 170, over mogelijke nawerking van verplichtingen jegens de vereniging na het einde van het lidmaatschap op grond van de statuten.
HR 1 juli 1997, NJ 1997/685, TVVS 1997/175, m.nt. F.B.J. Grapperhaus (Kolkman c.s./Cornelisse); voor latere voorbeelden uit de feitenrechtspraak op basis van artikel 6:248 BW, zie Rb. Alkmaar (pres.) 24 september 1998, KG 1998/278 (Marketech/Bergsma c.s.) en Hof ’s-Hertogenbosch 10 november 2009, JOR 2010/121, m.nt. M. Holtzer (BOAC Automotive c.s./Ottevanger c.s.).
Hoewel de postcontractuele verbintenis een algemeen verbintenisrechtelijk fenomeen is, is opvallend dat de problematiek van de postcontractuele rechtsverhouding en de nawerking van het wettelijk systeem met name in het arbeidsrechtlijkt te spelen. Dat valt naar mijn mening enkel te verklaren door de unieke aard van de arbeidsovereenkomst, die wezenlijk anders is dan het hiervoor aangehaalde voorbeeld van de koop van een auto. In karakter valt de arbeidsovereenkomst nog het meest te vergelijken met een huwelijk, dat net als de arbeidsovereenkomst langdurig kan zijn, met zorgplichten over een weer, en die een grote sociale betekenis heeft voor een individu. Echtgenoten zijn verplicht elkaar het nodige te verschaffen, aldus artikel 1:81 BW, wat een soort vangnetbepaling is vergelijkbaar met artikel 7:611 BW. In het verleden oordeelde de Hoge Raad dat artikel 1:81 BW niet nawerkt omdat na een scheiding deze verplichting wordt vervangen door een eventuele uitkering voor levensonderhoud.1 Beide verplichtingen tot levensonderhoud vinden hun grondslag in ‘de levensverhouding zoals die door het huwelijk is geschapen en die haar werking, zij het in beperkter omvang behoudt, ook al wordt de huwelijksband geheel of ten dele gestaakt’.2 De Hoge Raad spreekt hier over een ‘nieuwe rechtstoestand’ die in werking treedt na de scheiding. Daarbij is het overigens vaste rechtspraak dat de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst.3 Ook bij overlijden lijkt artikel 1:81 BW voor de langstlevende echtgenoot geen rol meer te spelen door de invoering van een royale verzorgingsregeling voor de langstlevende echtgenoot in Boek 4 BW.4 De parallel met de postcontractuele rechtsverhouding tussen ex-werknemer en ex-werkgever dringt zich op; een rechtsverhouding die door de arbeidsovereenkomst is geschapen en haar werking in beperkte omvang behoudt, ook al wordt de arbeidsovereenkomst zelf gestaakt. Interessant om te zien is dat voor het huwelijk de wetgever de ‘postcontractuele’ verhouding tussen de voormalige echtgenoten wettelijk heeft geregeld. Door de wettelijke regeling van onder meer de alimentatie doet het er eenvoudigweg niet meer toe of artikel 1:81 BW nawerkt.
Wetstechnisch dichter bij de arbeidsovereenkomst staan de opdrachtovereenkomst en lastgeving. In de wettelijke regeling van deze overeenkomsten staat dat wanneer de opdracht of lastgeving eindigt door de dood van respectievelijk de opdrachtnemer of de lasthebber, er nog een verplichting rust op zijn erfgenamen al datgene te doen wat de omstandigheden in het belang van de wederpartij eisen (artikel 7:409 lid 2 BW en artikel 7:422 lid 4 BW). Volgens de wetgever moeten deze bepalingen worden beschouwd als uit de (inmiddels geëindigde) overeenkomst ‘voortvloeiende restverplichtingen’ of ‘postcontractuele verplichtingen’, waarbij ‘een redelijke uitleg meebrengt dat de bepalingen van deze titel van overeenkomstige toepassing op deze resterende rechtsverhouding zijn’.5 Daarmee nam de wetgever een suggestie van Brunner over, die wijst op het recht op loon en vergoeding van onkosten (artikel 7:405 BW en artikel 7:406 BW), welk rechten strikt genomen alleen toekomen aan de opdrachtnemer of lasthebber.6 Tjong TjinTai wijst later ook op het nawerken van de algemene zorgplicht van de opdrachtnemer of lasthebber (artikel 7:401 BW),7 zoals ook door de Hoge Raad is aangenomen in het kader van een opdrachtovereenkomst met een financieel adviseur.8 Het gemak waarmee de wetgever deze extensieve wetsinterpretatie aannam voor Titel 7.7 BW, kennelijk uit het oogpunt van bescherming van een zwakkere partij, mag van enige, zo niet grotere betekenis zijn voor Titel 7.10 BW.
In het ondernemingsrecht kan bijvoorbeeld een parallel worden getrokken met de ex-aandeelhouder.9 Zo stelt de Hoge Raad dat wanneer een aandeelhouder zijn onderneming verkoopt en daarbij geen concurrentiebeding afspreekt, er geen sprake is van een ‘vrijbrief om in strijd met een overeenkomst of met de in art. 6:248 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid zijn wederpartij concurrentie aan te doen’.10 Annotator Grapperhaus meende dat deze overweging niet moet worden verward met het leerstuk van de postcontractuele redelijkheid en billijkheid; in dit geval vloeit uit de koopovereenkomst zelf voort dat de ex-aandeelhouder zich in zekere mate moet onthouden van het concurreren met wat hij verkocht. Tegelijkertijd kan een koopovereenkomst dus zijn geëindigd (de aandelen zijn verkocht) en kunnen er nog steeds verplichtingen uit voortvloeien. Daarbij merkt de Hoge Raad op dat een ex-aandeelhouder wat bescherming betreft ‘niet op één lijn kan worden gesteld’ met een werknemer. Hier is dus minder reden een zwakkere partij te beschermen.