Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/2.3.2
2.3.2 De rechtsverhouding
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687104:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk H.B. Krans, ‘De verbintenis in het algemeen’, in: C.J.H. Brunner e.a. (red.), Verbintenissenrecht algemeen, Deventer: Kluwer 2011, p. 5-6; J.M. Smits, Bronnen van verbintenissen, Monografieën Nieuw BW, Deventer: Kluwer 2003, p. 5-6; J.M. van Dunné, Verbintenissenrecht, deel 2, Onrechtmatige daad. Overige verbintenissen, Deventer: Kluwer 2004, p. 3-28. R.P.J.L. Tjittes, Rechtsverwerking en klachtplichten, Monografieën BW, Deventer: Kluwer 2013, p. 32, noemt het concurrentiebeding als voorbeeld van een dergelijke postcontractuele rechtsverhouding.
C.H. Sieburgh en A.S. Hartkamp, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I 2012, nr. 6.
Bijvoorbeeld B.T.M. van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen, Deventer: Kluwer 2004, p. 3; J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht, Artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Kluwer 2010, p. 169.
Bijvoorbeeld uitdrukkelijk HR 30 januari 2015, JAR 2015/55, TRA 2015/40, m.nt. M.D. Ruizeveld, PJ 2015/79, m.nt. T. Huijg (ex-werknemers/ABN AMRO), r.o. 3.3.1.
Onder meer G.H.A. Schut, Rechtshandeling, overeenkomst en verbintenis volgens BW en NBW, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1987, p. 97-98; B.T.M. van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen, Deventer: Kluwer 2004, p. 3; J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht, Artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Kluwer 2010, p. 169; R.A.C.M. Langemeijer, Pensioenovereenkomstenrecht, Den Haag: Bju 2008, p. 18.
J.H.M. van Erp, Contract als rechtsbetrekking, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1990, p. 284-285.
C.E. du Perron, Overeenkomst en derden: een analyse van de relativiteit van de contractswerking, Deventer: Kluwer 1999, p. 85. Kritisch op Van Erp om heel andere redenen is ook F.B.J. Grapperhaus, Werknemersconcurrentie, beperkingen aan concurrerende activiteiten van de ex-werknemer ten opzichte van zijn voormalig werkgever, Deventer: Kluwer 1995, p. 28-30, 34 en 42. Zijn kritiek hangt samen met de problematiek van paragraaf 2.4.
H.C.F. Schoordijk, ‘Het gebruik van open normen naar Belgisch en Nederlands privaatrecht’, in: E. Dirix, Liber Amicorum Jacques Herbots, Kluwer: Deurne 2002, p. 332.
P. Abas, ‘Postcontractuele verplichtingen’ (I), WPNR 1972/5177, p. 265.
Zo ook: P. ’t Hart, Het concurrentiebeding, concurrentie door de werknemer en de ex-werknemer, Deventer: Kluwer 1977, p. 68.
Hof Leeuwarden 31 maart 1971, NJ 1971/423 (Friteko/Span). Instemmend: N.T. Dempsey, ‘Concurrentiebeding’, in: A.R. Houweling, P.G. Vestering en W.A. Zondag (red.), Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Deel I, Den Haag: Sdu 2015, p. 939; J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase en S.F.H. Jellinghaus, Individueel arbeidsrecht, deel 2, Zutphen: Paris 2020, p. 57.
Ook Rb. Dordrecht (pres.) 7 januari 1959, NJ 1959/483 (Van Boven/Cremer) meent dat het schriftelijkheidsvereiste niet geldt wanneer het beding is aangegaan na einde arbeidsovereenkomst. De (ex-)werknemer hoeft namelijk niet meer te worden beschermd ‘wanneer een mindere vrijheid, en een daaruit voortvloeiende onafhankelijkheid, geen enkele [rol] meer spelen mocht zelfs spelen kunnen, n.l. na het beëindigen der arbeidsovereenkomst’. Vergelijk Ktr. Amsterdam 25 oktober 1969, NJ 1969/296 (Verwaal/Englander), concurrentiebeding gesloten drie dagen na einde arbeidsovereenkomst is gemaakt in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. J. Rosendahl en S. Theunissen, ‘Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst’, ArbeidsRecht 2017/22, wijzen op de situatie van een op staande voet ontslagen werknemer met wie afspraken worden gemaakt. Volgens hen vallen die afspraken buiten artikel 7:653 BW.
C.J. Loonstra, Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst, Den Haag: Elsevier Bedrijfsinformatie 1999, p. 22.
Hof ’s-Hertogenbosch 14 juni 2022, JAR 2022/192 (ex-werknemer/Synthegra Archeologie).
Indien tussen de ex-werkgever en ex-werknemer een postcontractuele verbintenis bestaat, duurt de vermogensrechtelijke rechtsverhouding tussen deze partijen voort, op grond van welke een van de twee partijen een prestatie verschuldigd is aan een andere partij, die deze van haar te vorderen heeft.1 Hartkamp en Sieburgh2 spreken over de rechtsverhouding als een door het recht erkende en geregelde verhouding – dit ter onderscheid van bijvoorbeeld fatsoensplichten, die buiten het verbintenissenrecht vallen. In de literatuur3 wordt de ‘rechtsverhouding’ ook wel gedefinieerd als een samenstel van tussen rechtssubjecten bestaande, onderling samenhangende rechten en verplichtingen. Bij een ex-werkgever en ex-werknemer is er dus sprake van een postcontractuele rechtsverhouding,4 of zo je wil een postcontractuele ‘rechtsbetrekking’, wat een synoniem begrip is.5 Anderen maken een onderscheid tussen de twee begrippen.6 De rechtsverhouding zou zien op een bepaalde toestand tussen rechtssubjecten op enig moment, de rechtsbetrekking daarentegen zou zien op een relatie waaruit juridische gehoudenheden voortvloeien. Du Perron constateert dat dit onderscheid niet heel zinvol lijkt.7 Als de overeenkomst eindigt, brengt dat immers een einde van de overeenkomst als rechtsverhouding met zich, maar de rechtsbetrekking tussen partijen blijft voortbestaan. In lijn hiermee pleit Schoordijk ervoor het woord ‘post’ weg te denken; in zijn visie blijft het contract als rechtsbetrekking eenvoudigweg voortbestaan ‘ter fine van liquidatie’.8
Ik meen dat op de arbeidsverhouding de definitie die Abas hanteert het beste toepasbaar is, die spreekt over ‘de verhouding tussen ex-contractanten, d.w.z. tussen partijen, die een door hen gesloten overeenkomst ten uitvoer gelegd hebben’.9 Abas maakt daarbij, als ik hem goed begrijp, een onderscheid tussen een postcontractuele verhouding en een postcontractuele rechtsverhouding. Een postcontractuele verhouding zal volgens hem doorgaans slechts feitelijk van aard zijn; hij noemt als voorbeeld de verhouding tussen twee personen die ooit een auto van elkaar kochten. Juridisch komt die verhouding geen betekenis toe. Anders wordt het als er een postcontractuele verplichting is, die bestaat ondanks het feit dat de contractsband tussen de partijen is verbroken. In dat geval is er een postcontractuele rechtsverhouding:
Als je de arbeidsovereenkomst beziet als een verzameling verbintenissen en het einde van die overeenkomst niet leidt tot het einde van alle verbintenissen, wordt de waarde van het einde van de arbeidsovereenkomst relatief. Partijen hebben immers een doorlopende rechtsverhouding. Het einde kenmerkt, kort gezegd, enkel dat de hoofdverplichting van de arbeidsovereenkomst is uitgevoerd en beëindigd: de arbeid.
Als de waarde van het einde van de arbeidsovereenkomst relatief is, verklaart dat ook waarom er ondanks het einde behoefte kan zijn aan ongelijkheidscompensatie en dus aan een arbeids- in plaats van vermogensrechtelijke visie. Die ongelijkheidscompensatie in de rechtsverhouding lijkt mij slechts dan niet meer nodig wanneer postcontractuele verbintenissen pas na het einde van de arbeidsovereenkomst worden aangegaan; dan is sprake van een nieuwe overeenkomst en kan worden teruggevallen op Boek 3 en Boek 6 BW.10 Interessant in dat verband is een al wat ouder arrest van een hof,11 waar tussen partijen ten tijde van de duur van de arbeidsovereenkomst nooit een arbeidsovereenkomst op schrift was gesteld; dat gebeurde pas enkele maanden ná het einde. De vraag was toen of het daarin opgenomen concurrentiebeding werd beheerst door artikel 7:653 BW. Het hof stelt dat artikel 7:653 BW niet ziet op een beding dat wordt aangegaan na het einde van de arbeidsovereenkomst, omdat het dan niet meer kan worden gezien als te zijn aangegaan tussen werkgever en werknemer. De ratio van het hof daarvoor is dat in ‘zodanig geval geen grond – meer – aanwezig is voor de beschermingen die genoemde bepaling de werknemer op grond van diens – door de wetgever als mogelijk veronderstelde – afhankelijkheid van de werkgever, wanneer hij zich een betrekking wil zoeken, toekent’. Anders ligt het volgens het hof als het beding werd aangegaan niet uit vrije wil, maar vanwege een verplichting die haar grond vindt in de arbeidsovereenkomst.12 Doorslaggevend is daarmee of er (nog) sprake is van een afhankelijke relatie.13 Een vergelijkbare redenering hanteert een ander hof, waar het artikel 7:661 BW van toepassing acht op werkzaamheden die door een ex-werknemer na afloop van de arbeidsovereenkomst worden verricht, aangezien deze ‘toezegging is gedaan lopende de arbeidsovereenkomst en daarmee binnen een gezagsverhouding’.14 Een bijzondere regeling van het arbeidsrechtkrijgt daarmee terecht voorrang boven het algemeen vermogensrecht als de verbintenis tijdens de arbeidsovereenkomst is aangegaan, in lijn met de arbeidsrechtelijke visie op de postcontractuele rechtsverhouding.