Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/4.2.2.3
4.2.2.3 Erfdienstbaarheid van openbaar nut
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS619756:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Sagaert 2004 en Vermeir 2009.
Discussie bestaat of het bij aanleg van nutsleidingen gaat om een publiekrechtelijke eigendomsbeperking (door middel van een openbare erfdienstbaarheid) of dat het gaat om onteigening van de strook grond waarin de leiding gelegen is. Vooralsnog wordt uitgegaan van een publiekrechtelijke eigendomsbeperking; zie verder hierover: Sagaert 2007, p. 19 e.v. De (wettelijke) eigendomsbeperking is geen (gedeeltelijke) overdracht van het eigendomsrecht. Om dezelfde redenen zijn de wettelijke eigendomsbeperkingen geen onteigening, omdat de eigendom niet wordt overgedragen, noch is sprake van eigendomsberoving in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het EVRM. Het wordt beschouwd als een regeling van het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang. Zie Grondwettelijk Hof, nr. 63/69, 7 november 1996 en Vermeir 2009, p. 115.
Volgens Vermeir is dit onjuist omdat de openbare erfdienstbaarheid vervalt op het moment dat de nutsmaatschappij niet langer netbeheerder is of zodra de wettelijke of decretale regelgeving, die aan de basis ligt van die erfdienstbaarheid, wordt opgeheven. Zie: Vermeir 2009, p. 135.
Cass. 27 mei 1983, Arr.Cass. 1982-83, 1185. Volgens Sagaert 2004 (p. 1368) is verdedigbaar dat ook hier de publieke grondeigenaar een vergoeding verschuldigd kan zijn aan de netbeheerder. Hij ziet niet in waarom een verschil gemaakt zou moeten worden tussen de overheid en particulieren op dit punt.
Derine, Van Neste en Vandenberghe 1974, p. 563.
Derine, Van Neste en Vandenberghe 1974, p. 574.
Voor ondergrondse telecomleidingen is dit wettelijk geregeld, zie artikel 97, par. 2 Wet Overheidsbedrijven
In het Belgische recht zijn de wettelijke regelingen op het gebied van nutsleidingen divers en zeer gefragmenteerd.1 Voor elk type nutsleiding geldt specifieke wetgeving en waar deze blanco blijft, moet aansluiting worden gezocht bij het algemene goederenrecht (m.n. natrekkingsregel en zakelijke rechten). Uit al die regelgeving op het gebied van nutsleidingen is wel een gemeenschappelijke noemer af te leiden en dat is dat voor nutsleidingen die worden aangebracht in, op of boven de grond geldt dat de grondeigenaar moet gedogen dat in het algemeen belang nutsleidingen worden aangelegd (en beheerd) op zijn terrein. De nutsbedrijven hebben binnen strakke wettelijke voorwaarden een wettelijk recht om nutsleidingen aan te leggen in andermans grond. De bezwaring van de grond (of voornoemd wettelijk recht) wordt aangeduid als een wettelijke erfdienstbaarheid van openbare nut of kortweg: openbare erfdienstbaarheid in de zin van artikel 649 BBW (De erfdienstbaarheden die door de wet gevestigd zijn, beogen het algemeen of het gemeentelijk nut, of het nut van bijzondere personen) en 650 BBW(Die welke gevestigd zijn tot algemeen of tot gemeentelijk nut, betreffen de voetpaden langs bevaarbare of vlotbare rivieren, het aanleggen of herstellen van de wegen en andere openbare of gemeentelijke werken. Alles wat deze soort van erfdienstbaarheid betreft, wordt door bijzondere wetten of verordeningen geregeld). Openbare erfdienstbaarheden kunnen zowel ten laste van publieke als private gronden worden gevestigd in het kader van het openbaar nut.
Deze openbare erfdienstbaarheden zijn volgens de heersende leer eigendomsbeperkingen op onroerende zaken2 die door of krachtens een wet in het algemeen belang worden opgelegd en waaruit een accessoir opstalrecht ontstaat. De aanlegger van het net is op basis van dit accessoire opstalrecht eigenaar van de leidingen. De duur van het accessoire opstalrecht is gekoppeld aan de duur van de openbare erfdienstbaarheid. Volgens Sagaert3 heeft dit laatste een eeuwigdurend karakter (tenzij het bevoegd gezag anders beslist), waardoor het accessoire opstalrecht in beginsel ook eeuwigdurend is. Wanneer echter toch een einde komt aan de openbare erfdienstbaarheid, dan is de netbeheerder in beginsel verplicht de nutsleiding uit de grond te verwijderen.4
Uit de laatste zin van artikel 650 BBW volgt dat deze soort van erfdienstbaarheden geregeld worden door bijzondere wetten (of verordeningen) hetgeen tot gevolg heeft dat de wijze van tot stand komen en tenietgaan van deze erfdienstbaarheden wezenlijk anders is dan het ontstaan e.d. van privaatrechtelijke erfdienstbaarheden. Zo is bijvoorbeeld voor het ontstaan van de openbare erfdienstbaarheid inschrijving in de openbare registers niet vereist. Ze gelden evenwel ook voor rechtsopvolgers van de (openbare) grond en derhalve hebben de openbare erfdienstbaarheden zakelijke werking. Het verschil tussen openbare erfdienstbaarheden en privaatrechtelijke erfdienstbaarheden bestaat ook uit het feit dat het doel van genoemde erfdienstbaarheden verschillend is. Voor de openbare dienstbaarheid is dit het algemeen nut of belang; voor privaatrechtelijke erfdienstbaarheden is dit de 'goede buurschap' (vestiging ten voordele van een ander naburig erf):5
`Terecht werd in twijfel getrokken of in dit geval van erfdienstbaarheden mag worden gesproken, vooral wanneer het heersend erf ontbreekt. Niettemin blijft men, o.m. wegens de traditie, aan de benaming de voorkeur geven.'
Daarnaast volgen privaatrechtelijke erfdienstbaarheden het algemene recht van het BBW, terwijl de openbare erfdienstbaarheden beheerst worden door het publieke (administratieve) recht. Openbare erfdienstbaarheden kunnen niet door overeenkomst of verjaring tenietgaan. Ze gaan teniet door een uitdrukkelijke beslissing van de bevoegde overheid of doordat het goed ten bate waarvan de openbare erfdienstbaarheid gevestigd is, wordt onttrokken aan zijn (algemene) bestemming.6
Kortom, met betrekking tot de eigendom van leidingen geldt dat de grond in beginsel de leidingen natrekt en derhalve dat de grondeigenaar ook eigenaar is van de leidingen. Indien de grondeigenaar afstand doet van natrekking, komt de eigendom van de leiding bij de aanlegger te berusten op grond van een opstalrecht. In het Belgische recht kan de eigendom van leidingen ook geregeld worden door dit uitdrukkelijk (contractueel) te bepalen waardoor een accessoir opstalrecht ontstaat of doordat dit voortvloeit uit de diverse (publieke) regelgeving op het gebied van nutsleidingen (erfdienstbaarheid van openbaar nut met daaraan een accessoir opstalrecht). De netbeheerder heeft dan het recht om een leiding in andermans grond aan te leggen en op basis van het daaruit voortvloeiende accessoire opstalrecht is de netbeheerder eigenaar7 van de aangelegde leidingen in andermans grond.