Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/6.3.3
6.3.3 Beoordeling van de geschiktheid in het licht van het collectief
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268444:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1.4 van de Beleidsregel en Richtsnoer 152. Zie ook Beoordelingscriterium 4.5 in de ECB-Gids.
Bepaling 32, 142 en 152 van de Richtsnoeren.
http://www.toezicht.dnb.nl/binaries/50-226115.pdf (DNB), http://afm.m13.mailplus.nl/archief/mailing-494045.html (AFM) en Richtsnoer 151 en bijbehorende (overigens niet verplicht gestelde) Annex I.
Toelichting bij de Beleidsregel geschiktheid, p. 19.
In dezelfde zin: Rb. Rotterdam 22 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6755, r.o. 5.4.
Toelichting bij de Beleidsregel geschiktheid, p. 19.
In diezelfde zin: bepaling 191, aanhef en sub d van de Richtsnoeren.
De individuele geschiktheid wordt getoetst met inachtneming van de samenstelling en het functioneren van het collectief.1 Banken dienen bij elke voordracht tevens de collectieve geschiktheid te beoordelen, en de uitkomsten van deze beoordeling worden meegewogen bij de beoordeling van de individuele geschiktheid van de kandidaat.2 In Nederland wordt hiervoor gebruik gemaakt van een zogenoemde ‘Geschiktheidsmatrix’.3 Deze matrix bestaat uit een tabel waarin alle (toekomstige) leden in het collectief gescoord worden op kennis en ervaring met betrekking tot de verschillende expertisegebieden. Zo wordt inzichtelijk welke kennis, vaardigheden en ervaring de kandidaat toevoegt aan het collectief, en op welke punten de kandidaat zal moeten leunen op anderen. Niet iedere bestuurder of commissaris hoeft dus over dezelfde (diepgravende) kennis, vaardigheden en ervaring te beschikken. De leden van het collectief kunnen elkaar op onderdelen aanvullen.4 Zo is er ruimte voor diverse profielen.
Wel dient iedere bestuurder en commissaris steeds ook individueel geschikt te zijn. Dit betekent dat hij of zij dient te voldoen aan de eisen van onafhankelijkheid en tijdsbesteding, en ook aan de ‘basiseisen’ zoals die hiervoor zijn besproken ten aanzien van kennis, vaardigheden en professioneel gedrag. De reeds aanwezige geschiktheid in het collectief, hoe hoog ook, kan hiervoor nimmer een compensatie bieden.5
Interessante vraag is wat de betekenis is van een ‘beoordeling in het licht van het collectief’, wanneer een bestuurder of commissaris aftreedt die over specifieke (essentiële) expertise beschikt die elders in het collectief ontbreekt. Welke gevolgen heeft dit voor de beoordeling van de geschiktheid van zijn of haar opvolger? De Beleidsregel Geschiktheid vermeldt dat het in een dergelijke situatie van belang is dat de ontstane lacune in de collectieve geschiktheid wordt opgelost. Vertrekt bijvoorbeeld net die ene bestuurder die beschikt over gedegen bancaire kennis en ervaring, dan zal zijn of haar opvolger ook over deze expertise dienen te beschikken. Is dat niet het geval, en draagt de bank ook geen andere oplossing aan, dan kan dit ertoe leiden dat de kandidaat niet geschikt wordt bevonden.6 Een dergelijke (negatieve) beoordeling zegt op zichzelf dus niets over de kwaliteiten van de betrokken kandidaat. Deze kan voldoen aan alle individuele geschiktheidseisen en zou in een andere samenstelling van het collectief wél geschikt kunnen worden bevonden, bijvoorbeeld voor een vergelijkbare functie in een andere bank of wanneer tegelijkertijd een tweede kandidaat met de ontbrekende noodzakelijke kennis en ervaring zou worden aangetrokken.7