Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.5.3
2.5.3 SER-advies 1968, no. 13
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS481365:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Bijlage bij SER advies 1968/13.
Respectievelijk met de vraag een oordeel te geven over mogelijke verbeteringen van organisatorische aard en met de vraag wat de taak van de ondernemingsraad zou kunnen of zou moeten zijn bij ‘ingrijpende maatregelen’ als opheffing van de onderneming of het aangaan dan wel verbreken van duurzame samenwerking met andere ondernemingen.
SER-advies 1968/13.
SER-advies 1969/14, p. 3.
P. 7 van het advies. Koning (1975, p. 89) spreekt van een middenweg.
Artikel 6 lid 1 van de door de SER voorgestelde wettekst. De regering heeft deze aanbeveling niet overgenomen, omdat de begrippen voor een belangrijk deel zouden samenvallen dan wel in elkaars verlengde zouden liggen (Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 3, p. 22).
Het kabinet Cals achtte het wenselijk dat ondernemingsraden nader betrokken zouden worden bij de economische gang van zaken binnen de onderneming. Het was daarbij niet de bedoeling afbreuk te doen aan het fundamentele uitgangspunt van de erkenning van de zelfstandige functie van de ondernemer, zo blijkt uit een brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid aan de SER van 16 februari 1965.1 Op basis van een tweetal adviesaanvragen2 bracht de SER op 22 november 1968 een advies uit inzake uitbreiding van de bevoegdheden van ondernemingsraden.3 Het advies werd gegoten in de vorm van een wetsvoorstel met toelichting. Bij de voorbereiding van dit advies was niet alleen de daartoe in het leven geroepen Commissie Uitbreiding Bevoegdheden Ondernemingsraden betrokken, maar ook de Commissie Vennootschapsrecht. Deze was in eerste instantie ingesteld om een advies voor te bereiden inzake de herziening van het ondernemingsrecht. De hoofdstukken VI en VIII van het rapport van de Commissie-Verdam waren aan deze herziening gewijd. De gezamenlijke voorbereiding onderbouwde de SER met de sterke samenhang die hij zag tussen de structuurwijziging van de naamloze vennootschap enerzijds en de wijziging van de bevoegdheden van ondernemingsraden anderzijds. De samenhang kwam onder meer naar voren in de gedeeltelijke samenloop van de doelstellingen van beide voorstellen: het scheppen van meer waarborgen voor een goed bestuur van de onderneming, het bevorderen van meer openheid ten aanzien van het gevoerde ondernemingsbeleid, het regelen van de verantwoordingsplicht van de ondernemingsleiding en het vergroten van de invloed van de werknemers in de onderneming. De SER bracht zijn advies inzake het ondernemingsrecht in bredere zin uit op 10 september 1969.4
De SER verklaarde de onvolkomenheid van de op dat moment geldende wet onder meer uit het feit dat de gedachte van een bedrijfsgemeenschap en harmonie van belangen en samenwerking een te eenzijdig uitgangspunt waren gebleken. Daardoor kwam onvoldoende tot uiting dat de bestuurder en de gekozen leden van de ondernemingsraad vanuit wezenlijk verschillende posities aan het overleg deel namen. Desondanks ging de SER niet zover te adviseren dat de bestuurder geen lid van de ondernemingsraad meer zou moeten zijn. Het bleef bij het advies de gekozen leden in de gelegenheid te stellen bij wijze van vooroverleg vóór de vergadering afzonderlijk te vergaderen.5 De Raad liet ook de expliciete erkenning van de zelfstandige functie van de ondernemer ongemoeid. De kern van zijn advies zag de SER in de aanpassing van artikel 6 lid 1 van de wet, betreffende de taak van de ondernemingsraad. Aan de reeds in de wet vastgelegde taak ‘bij te dragen aan het zo goed mogelijk functioneren der onderneming’ wordt toegevoegd ‘in al haar doelstellingen’. Met deze woorden wordt tot uitdrukking gebracht dat de ondernemingsraad niet alleen heeft bij te dragen aan het streven naar winst, maar ook aan continuïteit van de onderneming, en aan maximale ontwikkeling en ontplooiing van eenieder die in de onderneming werkzaam is. De ondernemingsraad moet een ‘orgaan van overleg, advies, informatie en communicatie’ worden.6