Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/8.6.2:8.6.2 Afgeschermde getuigen
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/8.6.2
8.6.2 Afgeschermde getuigen
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij afgeschermde getuigen moet worden gedacht aan personen werkzaam bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die over staatsgeheime informatie beschikken relevant voor de beoordeling van een strafbaar feit. Het afschermen van personen werkzaam bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan geschieden in het belang van de getuige zelf of in het belang van de staatsveiligheid. De regeling heeft tot doel de bruikbaarheid van ambtsberichten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te vergroten en het wettelijk instrumentarium ter bestrijding van terrorisme te versterken.1 Afscherming geschiedt opdat de identiteit van de getuige of degene van wie de informatie afkomstig is, niet bekend wordt. De wettelijke regeling is primair gecreëerd voor het horen van functionarissen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en niet van hun informanten.2 In de optiek van de wetgever geldt niet de mededeling van de informant als getuigenverklaring, maar alleen de de auditu-verklaring van de functionaris die de verklaringen aan justitie overbrengt.
Ook de afgeschermde getuige wordt in de wet louter formeel gedefinieerd. Immers, in artikel 136d Sv staat dat daaronder wordt verstaan ‘een persoon die door de rechter op grond van artikel 226m als zodanig is aangemerkt’. Hiermee wordt net als bij de bedreigde getuige voorkomen dat op een later moment op inhoudelijke gronden discussie ontstaat over de status van de getuige.3 Eenmaal als zodanig door de rechter aangemerkt, blijft het bijzondere regime van toepassing. Functionarissen werkzaam bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen als zodanig worden aangemerkt indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het belang van de staatsveiligheid dat vereist (art. 226m Sv). De wet biedt twee afschermingsmodaliteiten: het anoniem horen (art. 226n lid 1 Sv) en het horen buiten de aanwezigheid van de verdediging en het Openbaar Ministerie (art. 226p Sv).
Bij het gebruik van afgeschermde verklaringen voor het bewijs is het probleem dat de geloofwaardigheid van afgelegde verklaringen niet volledig kan worden getoetst. De mate waarin toetsing mogelijk is, is afhankelijk van de gebruikte afschermingsmodaliteit. Indien de afgeschermde getuige anoniem (bijvoorbeeld met behulp van een vermomming) wordt gehoord, dan speelt hetzelfde probleem als bij de hiervoor besproken bedreigde getuigen, dat de verdediging slechts in beperkte zin haar ondervragingsrecht kan uitoefenen. Indien de getuige wordt gehoord in afwezigheid van de verdediging en het Openbaar Ministerie, dan kan het ondervragingsrecht in zijn geheel niet (rechtstreeks) worden uitgeoefend en wordt de verdediging ernstig gehinderd in haar mogelijkheden om de geloofwaardigheid van de verklaringen te toetsen. Wel biedt de wet de mogelijkheid om via de rechter-commissaris vragen te doen stellen aan de afgeschermde getuige. Het is de afgeschermde getuige die uiteindelijk bepaalt of het proces-verbaal kan worden verstrekt aan de officier van justitie en de verdediging of dat het belang van de staatsveiligheid zich daartegen verzet. Onthoudt deze zijn instemming dan worden het proces-verbaal van het verhoor en alle andere gegevens met betrekking tot het verhoor vernietigd (art. 226p lid 3 Sv). Als compensatie voor het niet zelfstandig kunnen toetsen van de betrouwbaarheid dient de rechter-commissaris tijdens het verhoor de betrouwbaarheid van de verklaringen van de afgeschermde getuige te onderzoeken en daarover rekenschap af te leggen in het proces-verbaal (art. 226q Sv).
Het bewijsgebruik van de verklaringen van afgeschermde getuigen wier identiteit verborgen is gehouden, is in de wet nader genormeerd. Zij vallen onder dezelfde bewijsminimumregel als de verklaringen van bedreigde getuigen (art. 344a lid 1 Sv), inhoudende dat de bewijsbeslissing niet uitsluitend op dit type anonieme verklaringen mag worden gebaseerd. Er dient dus voldoende aanvullend bewijs voorhanden te zijn uit niet-anonieme bron om tot een bewezenverklaring te komen. Voorts geldt – net als bij de bedreigde getuige – de eis dat de afgeschermde getuige ook daadwerkelijk in die hoedanigheid door de rechter-commissaris is gehoord en het te bewijzen feit een ernstig misdrijf (als beschreven in art. 344a lid 2 sub 2 Sv) betreft. Overigens is de regeling omtrent het horen van afgeschermde getuigen tot dusver van gering belang gebleken. Zij is in 2006 tot stand gekomen, maar onderzoek van het WODC uit 2012 laat zien dat de regeling (in ieder geval tot op dat moment) niet in de praktijk is toegepast.4