Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.5.2:2.4.5.2 Buitenlandse rechterlijke uitspraak
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.5.2
2.4.5.2 Buitenlandse rechterlijke uitspraak
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859243:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor eveneens par. 2.3.4.2.
Zie hiervoor eveneens par. 2.3.4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de buitenlandse rechterlijke uitspraak in de parlementaire geschiedenis niet aan de orde is gekomen bij de bespreking van de derde onwaardigheidsgrond, ben ik met Asser en Kremer van mening dat een dergelijke uitspraak tot onwaardigheid kan leiden.1 De wetgever heeft bij deze onwaardigheidsgrond een Nederlandse civiele en strafrechtelijke uitspraak op een lijn gesteld. Er bestaat geen goede grond deze weging bij buitenlandse uitspraken anders te laten uitvallen.
Wel neem ik aan dat, op dezelfde gronden als in paragraaf 2.3.4.2 genoemd, geen gevolgen worden verbonden aan een buitenlandse rechterlijke uitspraak inhoudende dat een persoon lasterlijk een beschuldiging heeft ingebracht van een strafbaar feit dat naar Nederlands recht geen misdrijf oplevert waarop een maximale vrijheidsstraf van ten minste vier jaren is gesteld.
Ook hier geldt dat in de spiegelbeeldige situatie dat het strafbare feit waar de beschuldiging op ziet naar buitenlands recht niet met een maximum van ten minste vier jaren vrijheidsstraf is bedreigd, maar in Nederland wel, onwaardigheid niet wordt voorkomen.2
Voorts is bij deze onwaardigheidgrond niet anders dat de buitenlandse kwalificatie en rubricering van het delict niet van betekenis zijn.3