Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.11.5
6.11.5 Uitstel publicatieplicht voor kerkgenootschappen
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633695:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel III van Wijziging van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 van 12 juli 2013, Stcrt. 2013, 20451, p. 6.
Kamerstukken II 2012/13, 32740, nr. 15, p. 2, 3.
Kamerstukken II 2012/13, 32740, nr. 15, p. 2, 3.
Kamerstukken II 2013/14, Aanhangsel van de Handelingen nr. 2498, antwoord op vraag 1, 2 en 3.
Kamerstukken II 2013/14, Aanhangsel van de Handelingen nr. 2489, antwoord op vraag 1, 2 en 3.
Zie de bijlage bij Mei 2019, Augustus 2019 en November 2019.
https://www.kvk.nl/producten-bestellen/, laatst geraadpleegd op 29 november 2021.
De publicatieplicht is sinds 1 januari 2014 in werking getreden, maar voor kerkgenootschappen – met inbegrip van hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd – die door middel van een groepsbeschikking als anbi waren aangemerkt, gold een uitstel. Zij hoefden pas met ingang van uiterlijk 1 januari 2016 aan de publicatieplicht te voldoen.1 De staatssecretaris motiveerde deze speciale behandeling als volgt.2 Kerkgenootschappen genieten binnen de Nederlandse rechtsorde een bijzondere positie. Zij hoeven bijvoorbeeld niet te voldoen aan veel verplichtingen die voor andere privaatrechtelijke rechtspersonen gelden en hebben de vrijheid te voorzien in hun eigen inrichting. Zij oefenen op de naleving van hun regelgeving toezicht uit op een eigen manier, volgens hun kerkorde of statuut. Anders dan de andere privaatrechtelijke rechtspersonen zijn de tot een kerkgenootschap behorende zelfstandige onderdelen niet verplicht zich individueel in te schrijven in het Handelsregister. Kerkgenootschappen kunnen volstaan met een inschrijving op een door henzelf gekozen aggregatieniveau, zodat zij niet beschikken over een door de Kamer van Koophandel toegekend uniek registratienummer (RSIN) bij de inschrijving in het Handelsregister voor alle tot het kerkgenootschap of het lichaam waarin ze verenigd zijn behorende onderdelen. Bij de aanmerking van kerkgenootschappen en hun onderdelen als anbi door de Belastingdienst is van eenzelfde systematiek gebruik gemaakt. Het voldoen aan de gewenste transparantie via internet zou volgens de staatssecretaris daarom de nodige tijd kosten en een ingrijpende aanpassing van de administratieve organisatie vergen, ook binnen de kerkgenootschappen zelf. Het ontbreken van een RSIN vind ik een begrijpelijke reden om kerkgenootschappen uitstel te verlenen, zij het dat een uitstel van twee jaar wel aan de ruime kant was. Kerkgenootschappen moesten in de uitstelperiode wel maatregelen nemen om aan de eis van een uniek administratief nummer te voldoen en hun organisatie op orde te brengen om per 1 januari 2016 volledig te kunnen voldoen aan de publicatieplicht, aldus de staatssecretaris.3
Naar aanleiding van Kamervragen over deze bijzondere behandeling herhaalde de staatssecretaris dat individuele kerkgenootschappen in veel gevallen niet over een eigen RSIN beschikten dat voor de publicatieplicht noodzakelijk is.4 De keuze voor de overgangsregeling was bedoeld om hen in de gelegenheid te stellen een eigen RSIN aan te vragen en hun administratie daaraan aan te passen. Hij voegde daar echter aan toe dat omdat de meeste kerkgenootschappen bij groepsbeschikking zijn aangewezen, de Belastingdienst de uitstelperiode in de praktijk toepaste op alle religieuze instellingen, ongeacht de geloofsrichting en dat bijvoorbeeld ook moskeeën tot 1 januari 2016 de tijd kregen om aan de publicatieplicht te voldoen.5 Dit is een wonderlijke redenering van de staatssecretaris. Allereerst is het wellicht zo dat de meeste kerkgenootschappen bij groepsbeschikking zijn aangewezen, maar de vraag is of dit ook voor religieuze organisaties met een andere rechtsvorm geldt. Zoals hiervoor bleek zijn er ook groepsbeschikkingen afgegeven voor geloofsgemeenschappen met de rechtsvormen stichting en vereniging, maar het anbi-team kan geen cijfers leveren van het aantal groepsbeschikkingen per rechtsvorm.6 Voor levensbeschouwelijke instellingen zijn maar zes groepsbeschikkingen afgegeven en voor spirituele instellingen geen. Daarnaast gold op grond van de tekst van de bepaling de uitstelperiode alleen voor kerkgenootschappen. Moskeeën hanteren echter doorgaans niet de rechtsvorm kerkgenootschap. Zo levert op 28 april 2021 de zoekterm ‘moskee + kerkgenootschap’ in het Handelsregister slechts 3 hits op – waarvan er bij een daarvan de vermelding staat: uitgeschreven – van de 274 hits bij de zoekterm ‘moskee’.7 De zoekterm ‘moskee + stichting’ heeft 195 hits en ‘moskee + vereniging’ 65 hits. Al bij al leverde de uitstelbepaling naar mijn mening een verschil in behandeling op, met name tussen kerkgenootschappen aan de ene kant en andere rsli’s en overige anbi’s aan de andere kant, waarvoor de staatssecretaris maar een zwakke onderbouwing geeft.