Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.2.1
3.2.1 Totstandkoming van de richtlijn
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955467:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
PBC 251 van 15.8.1997, p. 15.
COM(1998)569 (hierna: Groenboek).
Groenboek, p. 5. De Commissie wees daarnaast op de potentiële gevaren die de politieke ineenstorting van Midden- en Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie zou kunnen meebrengen; zie Hugenholtz, IER 2004, afl. 4, p. 247.
Op communautair vlak kende men enkel Verordening (EG) 3295/94 van 22 december 1994, thans Verordening EU 608/2013 van 12 juni 2013 (Anti-Piraterij Verordening).
Groenboek, p. 19.
Zie ook Maas 2021, p. 36.
Resolutie van het Europees Parlement over het Groenboek van de Commissie – bestrijding van namaak en piraterij in de interne markt 4 mei 2000.
COM(2000)789.
Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de maatregelen en procedures om de handhaving van intellectuele eigendomsrechten te waarborgen, COM(2003)46, p. 3.
Zo bepaalt art. 2 dat de werkingssfeer van de voorgestelde richtlijn betrekking heeft op elke inbreuk op een intellectueel-eigendomsecht ‘‘wanneer een dergelijke inbreuk met commerciële bedoelingen wordt gepleegd of wanneer de inbreuk de rechthebbende aanzienlijke schade berokkent’’.
Blijkens het voorstel moest worden gedacht aan hologrammen, optische middelen, chipkaarten, magnetische systemen, speciale inkten en microscopische etiketten; zie COM(2003)46.
COM(2003)46, p. 41-42.
Zie ook ov. 28 Handhavingsrichtlijn: “Naast de in deze richtlijn vastgelegde civiel- en bestuursrechtelijke maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, zijn in bepaalde gevallen ook strafrechtelijke sancties een middel om intellectuele-eigendomsrechten te handhaven”. Een latere poging van de Commissie om alsnog te komen tot een strafrechtelijke harmonisatie strandde; zie COM(2006) 168.
Zie ook Wilman 2017, p. 512. Het standpunt van het Europees Parlement luidde dat octrooien ‘gezien hun specifieke aard’ buiten de werkingssfeer van de richtlijn dienden te vallen. Zie Verslag, A5_0468/2003, p. 6.
Deze verruiming werd door sommige auteurs al voorzien: Massa & Strowel, EIPR 2004, afl. 6, p. 244. Zie ook Europees Parlement, Verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de maatregelen en procedures om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen (COM(2003) 46 – C5‑0055/2003 – 2003/0024(COD)), A5_0468/2003, p. 6.
Zie Huydecoper, AMI 2004, afl. 4, p. 123 (betogend dat een ongedifferentieerde toepassing van het volledige arsenaal van rechtsmiddelen tegen particulieren in strijd is met het beginsel van equality of arms). Opmerking verdient dat de werkingssfeer van een aantal bepalingen beperkt is tot commerciële activiteiten, zodat zij geen betrekking hebben op handelingen van bonafide eindgebruikers; zie art. 6 lid 2 (overlegging van bancaire, financiële of handelsdocumenten), 8 lid 1 (informatie omtrent de inbreuk) en 9 lid 2 Handhavingsrichtlijn (conservatoir beslag op roerende en onroerende goederen). Zie ook ov. 14 Handhavingsrichtlijn.
Actieplan en Groenboek. De vroege wortels van de Handhavingsrichtlijn zijn te ontwaren in een Actieplan uit 1997, waarin de Europese Raad opriep tot het instellen van gemeenschappelijke bepalingen ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit.1 Naar aanleiding van dit plan publiceerde de Europese Commissie op 15 oktober 1998 een Groenboek over de bestrijding van namaak en piraterij in de interne markt.2 In het Groenboek valt te lezen dat namaak en piraterij zich als gevolg van de opkomst van moderne communicatiemiddelen en de globalisering van de wereldeconomie hadden ontwikkeld tot een fenomeen van internationale omvang. Deze ontwikkelingen betekenden in de ogen van de Commissie een bedreiging voor de goede werking van de interne markt.3 De Commissie achtte de reeds bestaande regelgeving op dit gebied bovendien ontoereikend en overwoog dat nader ingrijpen wenselijk zou kunnen zijn.4 Zij droeg daarbij verschillende oplossingen aan, waaronder de introductie van een geharmoniseerd systeem van sancties en middelen voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.5
Ontwerpvoorstel. Naar aanleiding van het Groenboek organiseerde de Commissie op 2 en 3 maart 1999 een hoorzitting voor alle betrokkenen en op 3 november 1999 een vergadering tussen deskundigen en lidstaten. Hieruit kwam naar voren dat een brede consensus bestond voor een geharmoniseerde aanpak van namaak en piraterij.6 Dit leidde ertoe dat het Europees Parlement op 4 mei 2000 een resolutie aannam waarin het de Commissie verzocht nadere regelgeving vast te stellen.7 Daarop publiceerde de Commissie op 30 november 2000 een plan van aanpak waarin zij aankondigde een voorstel voor een richtlijn te zullen indienen om de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te harmoniseren en te waarborgen dat zij overal in de interne markt een gelijkwaardige bescherming zouden genieten.8 Vervolgens werd op 30 januari 2003 een eerste richtlijnvoorstel ingediend.9 Dit initiële voorstel richtte zich conform de conclusies uit het Groenboek primair op de bestrijding van namaak en piraterij.10 Het toepassingsbereik van de voorgestelde richtlijn was daarmee beperkter dan dat van de TRIPs-overeenkomst, die betrekking heeft op alle gevallen van inbreuk.11 Op inhoudelijk vlak bood het ontwerpvoorstel daarentegen een aanmerkelijk uitvoerigere regeling. Zo waren in het voorstel vergaande bepalingen opgenomen op het gebied van bewijsvergaring, waaronder een verplicht informatieverzoek en een bepaling over het gebruik van technische beveiligingsmiddelen.12 Daarnaast bevatte het voorstel een strafrechtelijke bepaling die onder meer voorzag in oplegging van vrijheidsstraffen, een verbod op uitoefening van commerciële activiteiten, plaatsing onder gerechtelijk toezicht en een verbod op toegang tot bijstand en subsidies van de overheid.13
Definitieve richtlijn. De definitieve tekst van de richtlijn bevat enkele wijzigingen ten opzichte van het initiële voorstel. De meest in het oog springende aanpassing is dat zij niet op het strafrecht ziet. Art. 16 Handhavingsrichtlijn bepaalt slechts dat het lidstaten vrijstaat om naast de in de richtlijn vastgestelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen passende sancties vast te stellen.14 Noemenswaardig is verder dat de reikwijdte van de richtlijn is uitgebreid ten opzichte van het initiële voorstel. Allereerst strekt zij zich tevens uit tot inbreuken op zuiver nationaal geregelde rechten zoals handelsnamen en octrooirechten.15 Daarnaast bevat zij niet langer de beperking dat de betrokken inbreuk met commerciële bedoelingen wordt gepleegd of de inbreuk de rechthebbende aanzienlijke schade berokkent.16 Als gevolg van deze verruiming is de richtlijn ook van toepassing op ‘reguliere’ inbreukprocedures.17