Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.2.2.1
8.2.2.1 Good faith exception
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS619057:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
‘In the ordinary case, an officer cannot be expected to question the magistrate’s probable-cause determination or his judgment that the form of the warrant is technically sufficient. Once the warrant issues, there is literally nothing more the policeman can do in seeking to comply with the law. Penalizing the officer for the magistrate’s error, rather than his own, cannot logically contribute to the deterrence of Fourth Amendment violations’,aldus het Hooggerechtshof in Leon.
468 U.S. 981 (1984).
‘…we refuse to rule that an officer is required to disbelieve a judge who has just advised him, by word and by action, that the warrant he possesses authorizes him to conduct the search he has requested’, en ‘An error of constitutional dimensions may have been committed with respect to the issuance of the warrant, but it was the judge, not the police officers, who made the critical mistake. (…) Suppressing evidence because the judge failed to make all the necessary clerical corrections despite his assurances that such changes would be made will not serve the deterrent function that the exclusionary rule was designed to achieve’, aldus het Hooggerechtshof.
Zie Michigan v. DeFillippo, 443 U.S. 31 (1979) waarin het ging om een ‘search’ op grond van een verdenking van overtreding van wetgeving die later ongrondwettig werd geoordeeld. Bij die ‘search’ werden drugs aangetroffen voor het bezit waarvan de verdachte werd vervolgd. Zie ook Illinois v. Krull, 480 U.S. 340 (1987), in welke zaak het ging om een ‘search’ op grond van een later ongrondwettig verklaard wettelijke regeling die ‘warrantless administrative searches’ toestond. Zie nader in dit verband Kerr 2011.
Arizona v. Evans, 514 U.S. 1 (1995). Zie voor kritiek op deze beslissing Jackson 1996.
555 U.S. 135 (2009).
No. 09-11328 (2011).
In beide citaten liet ik voor de leesbaarheid aanhalingstekens en niet in de lijn van het betoog, maar als bron opgenomen verwijzingen naar eerdere rechtspraak weg.
497 U.S. 177 (1990). Zie in dit verband ook Maryland v. Garrison, 480 U.S. 79 (1987). In die zaak had de ten aanzien van één appartement gegeven ‘warrant’ betrekking op een hele verdieping, die –naar later bleek –verdeeld was in twee appartementen. De ‘search’ van beide (niet duidelijk gescheiden) appartementen werd geldig geoordeeld: ‘the officers’ failure to realize the overbreadth of the warrant was objectively understandable and reasonable’, ‘the objective facts available to the officers at the time suggested no distinction’ tussen de twee appartementen.
Zie Illinois v. Rodriguez, 497 U.S. 177 (1990) en Brinegar v. United States, 338 U.S. 160 (1949).
Stewart 1983, 1399-1403.
Stewart 1983, p. 1386, 1400 en 1403
Whitebread & Slobogin 2008, p. 27-31.
Vande Lanotte & Haeck 2004, p. 87.
Zie bijv. EHRM 18 juli 2006, no. 28867/03 (Keegan v. United Kingdom) betreffende een doorzoeking van een woning in strijd met art. 8 EVRM, waarin het EHRM onder meer overwoog: ‘The fact that the police did not act maliciously is not decisive under the Convention, which aims to protect against abuse of power, however motivated or caused.’
Anders dan in de Nederlandse rechtspraak, waarin de goede trouw van de handelende opsporingsambtenaren sporadisch een bescheiden rol vervult, heeft zich in de Amerikaanse rechtspraak de zogenaamde ‘good faith exception’ ontwikkeld tot een volwaardig leerstuk. Een leerstuk dat een steeds zwaarder stempel drukt op de reikwijdte van de bewijsuitsluitingsregel behorend bij het Vierde Amendement.
Dit verschil in ontwikkeling is verklaarbaar vanuit de doeleinden van de door de zittingsrechter toe te passen reacties op vormfouten en de duidelijke keuzes die het Hooggerechtshof in dit opzicht heeft gemaakt. Het heeft police-deterrence uitdrukkelijk als enige doeleinde van bewijsuitsluiting aanvaard bij schending van het (de privacy beschermende) Vierde Amendement. Compensatie van de verdachte is dus geen doeleinde dat met de toepassing van deze reactie wordt nagestreefd. Daarvoor staan buiten het strafproces wegen open. Omdat police-deterrence –gericht op de beïnvloeding van toekomstig gedrag –niet aan de orde is ten aanzien van ‘objectief beschouwd redelijk handelen te goeder trouw’, komt de toepassing van bewijsuitsluiting in die gevallen niet in aanmerking. Dit verklaart de grote betekenis van deze exceptie in de Amerikaanse rechtspraak.
De arresten van 19 februari 2013 over bewijsuitsluiting kunnen ook aan de Nederlandse rechtspraak over de good faith exceptie een impuls geven. Volgens die arresten is, buiten het geval waarin art. 6 EVRM dit rechtsgevolg vereist, bewijsuitsluiting alleen mogelijk als middel om ambtenaren van politie en OM voortaan rechtmatig te laten handelen. Zijn zij te goeder trouw afgegaan op een achteraf onrechtmatiggeoordeelde machtiging die bijvoorbeeld is verstrekt door de RC, dan is er geen reden om bewijsuitsluiting toe te passen uit het oogpunt van een te bewerkstelligen disciplinerend effect. De Hoge Raad heeft in deze arresten in de beoordeling van het voorliggende geval met zoveel woorden overwogen dat ‘bij het bepalen van de ernst van het verzuim ook van belang kan zijn of de opsporingsambtenaren te goeder trouw erop mochten afgaan dat de hun verstrekte machtiging door een bevoegde hulpOvJ was afgegeven’. Een en ander maakt het extra interessant de Amerikaanse rechtspraak over deze uitzondering op de exclusionary rule onder de loep te nemen.
De good faith exception werd door het Hooggerechtshof in 1984 aanvaard in de zaak United States v. Leon. 38 Bewijsmateriaal dat was verkregen bij een ‘search’ op grond van een, naar later bleek, bij gebreke van ‘probable cause’ ongeldige ‘warrant’, mocht toch tot het bewijs worden gebruikt. Voorwaarden daarvoor zijn dat de politieagenten die de ‘warrant’ uitvoeren objectief beschouwd handelen in ‘good faith ’ten aanzien van de geldigheid daarvan, zowel wat betreft het daaraan ten grondslag liggen van ‘probable cause’ als wat betreft de omstandigheid dat deze is uitgegeven door een onafhankelijke ‘magistrate’. Het Hooggerechtshof plaatste deze zaak in het in eerdere rechtspraak ontwikkelde kader waarbinnen de voor- en nadelen van toepassing van de bewijsuitsluitingsregel tegen elkaar worden afgewogen. Omdat van toepassing van de bewijsuitsluitingsregel op objectief beschouwd redelijk handelen te goeder trouw van een politieagent niet het met deze regel beoogde effect kan worden verwacht,bleef toepassing van deze regel hier achterwege. 1
In de zaak Massachusetts v. Sheppard2 was voor de ‘warrant’ een verkeerd formulier gebruikt. De politieagent die de ‘warrant’ had verzocht wist dit, maar de ‘magistrate ’had hem verzekerd dat hij de nodige aanpassingen zou doen en dat het dan goed zou zijn. Ook in die zaak bracht de ‘good faith ’exceptie mee dat geen bewijsuitsluiting behoefde te volgen van het bewijsmateriaal dat was verkregen op grond van de (achteraf) ongeldig geoordeelde ‘warrant’. 3 Wel blijft bewijsuitsluiting geboden indien de ‘magistrate ’die de ‘warrant’ verleent, is misleid door informatie waarvan de aanvrager van de ‘warrant’ wist of moest weten dat deze vals was, of indien de ‘magistrate wholly abandoned his detached and neutral judicial role’, of indien de ‘warrant’ kennelijk ongeldig is, bijvoorbeeld vanwege een tekortschietende omschrijving van de te doorzoeken plaats of de in beslag te nemen goederen. In deze gevallen kunnen de uitvoerende agenten in redelijkheid niet menen dat de ‘warrant’ geldig is.
In de hiervoor besproken gevallen ging het om handelen in goed vertrouwen op de geldigheid van een ‘warrant’. Daarnaast is de ‘good faith’ exceptie ook van toepassing geacht in gevallen waarin werd gehandeld op grond van nadien ongrondwettig verklaarde wetgeving,4 of op grond van onjuiste informatie in een door een gerecht beheerd computersysteem.5 En in de zaak Herring v. United States,6 in een geval waarin de onjuiste informatie was opgenomen in een door de politie zelf beheerde databank. De zaak Davis v. United States7 vormt de laatste loot aan de stam van beslissingen over de good faith exceptie. In die zaak hadden agenten een auto doorzocht en handelden zij daarbij in overeenstemming met de toen geldende federale rechtspraak in hun ‘circuit’, maar werd deze rechtspraak nadien in een uitspraak van het Hooggerechtshof overruled. Inde meerderheidsopinie van raadsheer Alito is onder meer overwogen:
‘The basic insight of the Leon line of cases is that the deterrence benefits of exclusion vary with the culpability of the law enforcement conduct at issue. When the police exhibit deliberate, reckless, or grossly negligent disregard for Fourth Amendment rights, the deterrent value of exclusion is strong and tends to outweigh the resulting costs. But when the police act with an objectively reasonable good faith belief that their conduct is lawful, or when their conduct involves only simple, isolated negligence, the deterrence rationale loses much of its force, and exclusion cannot pay its way.’
En na de constatering dat ook volgens Davis de agenten in deze zaak geen blaam trof:
‘Under our exclusionary-rule precedents, this acknowledged absence of police culpability dooms Davis’s claim. Police practices trigger the harsh sanction of exclusion only when they are deliberate enough to yield meaningful deterrence, and culpable enough to be worth the price paid by the justice system. The conduct of the officers here was neither of these things. The officers who conducted the search did not violate Davis’s Fourth Amendment rights deliberately, recklessly, or with gross negligence. Nor does this case involve any recurring or systemic negligence onthe part of law enforcement. The police acted in strict compliance with binding precedent, and their behavior was not wrongful. Unless the exclusionaryrule is to become a strict-liability regime, it can have no application in this case.’8
Ook een onjuiste inschatting door depolitieagent op grond van zijn eigen waarneming behoeft niet mee te brengen dat zijn handelen strijdt met het Vierde Amendement. Het Hooggerechtshof wees er in Illinois v. Rodriguez9 op, dat het redelijkheidsvereiste van het Vierde Amendement niet eist dat de in de praktijk noodzakelijke met hetvaststellen van de feiten verweven beoordelingen –bijvoorbeeld van de ‘magistrate’ die de ‘warrant’ uitgeeft of van de politieagent die er uitvoering aan geeft –steeds juist zijn, maar alleen dat zij steeds ‘reasonable’ zijn:
‘Because many situations which confrontofficers in the course of executing their duties are more or less ambiguous, room must be allowed for some mistakes on their part. But the mistakes must be those of reasonable men, acting on facts leading sensibly to their conclusions of probability.’10
Op de ‘good faith’ exceptie is in de Verenigde Staten kritiek geuit die als volgt kan worden samengevat. De exceptie zou een premie stellen op onwetendheid aan politiezijde en de stimulans wegnemen voor de politieorganisatie om hun mensen zodanig op teleiden dat zij handelen in overeenstemming met het Vierde Amendement. Zij staat in de weg aan de ontwikkeling van rechtspraak over de precieze inhoud van het Vierde Amendement. Zodra immers kan worden vastgesteld dat de politie redelijk handelde, hoeft aan de vraag niet te worden toegekomen of dit handelen ook inhoudelijk in overeenstemming was met het Vierde Amendement. Bij twijfel over de grondwettigheid van bepaald handelen bestaat voor de politie geen stimulans meer om aan de voorzichtige kant te handelen, terwijl voor de verdachte de stimulans om te procederen afneemtals geen bewijsuitsluiting meer volgt.11 Daarnaast wijst Stewart erop dat van afkalving van de bewijsuitsluitingsregel het signaal kan uitgaan naar de politie dat de rechter de vereisten van het Vierde Amendement minder strikt zal toepassen en op de mogelijkheid dat de ‘good faith’ exceptie tot gevolg heeft dat politieagenten zich zullen concentreren op de vraag ‘waarmee laat het gerecht mij wegkomen?’, in plaats van op de vraag ‘wat vereist het Vierde Amendement?’.12Whitebread & Slobogin wijzen wat betreft het honoreren van vertrouwen op een ‘warrant’ op het risico dat dit leidt tot ‘forum shopping’, in die zin dat de politie voor hun verzoeken om ‘warrants’ ‘magistrates’ zoekt die bereid zijn te fungeren als ‘rubberstamps’, dat wil zeggen ‘magistrates’ die gemakkelijk ‘warrants’ verstrekken. En voorts dat de door het Hooggerechtshof aangelegde maatstaf in de statelijke gerechten op verschillende wijzen kan worden geïnterpreteerd, afhankelijk van een eigen kosten-baten afweging ten aanzien van de bewijsuitsluitingsregel.13
Naar aanleiding van de zaak Davis is in de Amerikaanse literatuur gewezen op de risico’s die verbonden zijn aan een te grote concentratie op de geestesgesteldheid van de onrechtmatig handelende opsporingsambtenaar. Zie daarvoor paragraaf 8.4.1.2.
Ook het EHRM heeft er in zijn rechtspraak oog voor dat agenten zich bij de uitoefening van hun taken kunnen vergissen. Het EHRM beschouwt het niet als zijn taak om, zoals in het Handboek EVRM onder woorden gebracht ‘terugkijkend van op een afstand, zijneigen mening van de bewuste situatie in de plaats te stellen van deze van een politieman van wie een reactie werd verwacht in het heetste van het moment’. 14 Echter, ook als geen sprake is geweest van kwade trouw aan de zijde van de autoriteiten bij het maken van een onrechtmatige inbreuk op door het EVRM gewaarborgde rechten, moet aan de slachtoffers daarvan door de overheid een effective remedy worden geboden.15