Verrekening door de fiscus
Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/6.6:6.6 Afrondende opmerkingen naar aanleiding van de behandelde casusposities
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/6.6
6.6 Afrondende opmerkingen naar aanleiding van de behandelde casusposities
Documentgegevens:
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS606006:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in de vorige paragraaf behandelde casusposities laten zien dat zich bij een faillissement van de belastingplichtige zeer uiteenlopende fiscale verrekeningssituaties voor kunnen doen. De verruimde verrekeningsregels van artikel 53 lid 1, tweede deel, Fw spelen daarbij een belangrijke rol. Deze regels zullen veelal gunstiger zijn voor de fiscus dan de verrekeningsregels van artikel 24 Iw 1990. Wel verliest de ontvanger bij faillissement de bevoegdheid de aan hem ter invordering opgedragen vorderingen van andere overheden in een verrekening te betrekken.
Artikel 53 Fw geldt niet indien de fiscale schuld een boedelschuld betreft. In dat geval zou normaal gesproken verrekening moeten plaatsvinden volgens de BW-regels. Het echter onduidelijk of bij de fiscale verrekening dan moet worden teruggevallen op artikel 24 Iw 1990. Het is weliswaar de bedoeling van de wetgever de BW-regels bij verrekening door de fiscus buiten toepassing te laten, maar de wetgever heeft ook de verrekeningsregels van de Fw laten prevaleren boven de verrekeningsbepalingen van artikel 24 Iw 1990. Het lijkt daarom goed verdedigbaar dat tijdens faillissement de civielrechtelijke verrekeningsregels, zoals opgenomen in de Fw en - als vangnet - in het BW, die van artikel 24 Iw 1990 integraal opzij (dienen te) zetten. Uit de behandelde casusposities, met name casus VII, valt naar mijn mening op te maken dat een dergelijk uitgangspunt billijk uitwerkt. In dit verband is het voorschrift van de vijfde volzin van artikel 24 lid 1 Iw 1990, dat de verrekeningsmogelijkheid bij een fiscale eenheid bij faillissement van één of meer onderdelen van de fiscale eenheid in stand blijft, inconsistent en niet billijk.
Er bestaat voorts enige onduidelijkheid over de vraag of een fiscale boedelvordering van de curator voor verrekening door de fiscus op de voet van artikel 53 lid 1 Fw in aanmerking kan komen. Naar mijn mening is dit, anders dan bij een fiscale boedelschuld, wel degelijk het geval, mits overigens aan de voorwaarden van artikel 53 lid 1 Fw is voldaan.
De curator dient zich bij de faillissementsafwikkeling derhalve goed bewust te zijn van de mogelijke complicaties die verrekening van fiscale schulden en vorderingen kunnen opleveren.