Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/6.5.1
6.5.1 Chartaal geld
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS625825:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 128.
Zie ook Mijnssen 1984, p. 14.
Zie Rank 1996, p. 93: 'Diezelfde munten en bankbiljetten behoren wat hun bepaalbaarheid betreft tot de vervangbare of slechts naar de soort bepaalde zaken. Zij nemen daaronder zelfs in zoverre een bijzondere plaats in dat zij niet alleen, gelijk andere identieke zaken, kunnen worden vervangen door zaken van dezelfde soort en kwaliteit, doch ook door objecten van een geheel andere samenstelling'; Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-II*, nr. 192; Bierens 2009, p. 46.
Zie voor Belgisch recht: Sagaert 2003, p. 334-336.
Hiermee wordt in goederenrechtelijke zin een levering voltooid en is in beginsel sprake van een overdracht. Zie Mijnssen 1984, p. 31-35; Rank 1996, p. 160; Bierens 2009, p. 24-25.
Vgl. HR 12 januari 1968, NJ 1969, 274 (Teixeira de Mattos). Zie ook Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 72; Rank 1996, p. 96; Bierens 2009, p. 25-26.
Het meenemen van een vierde portemonnee voor de Oostenrijkse Schilling ging hen te ver en om die reden werd in Oostenrijk niet gestopt.
Zie over beide wijzen ook Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 93 en 128; Mijnssen 1984, p. 8; Rank 1996, p. 96; Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 171. Bierens (2009, p. 25) merkt daarbij terecht op dat het ongebruikelijk is om chartaal geld gescheiden van andere geldstukken te bewaren.
Het is de vraag of de ontvanger ook verplicht is voor afscheiding van het ontvangene en zijn eigen vermogen te zorgen (vgl. Rank-Berenschot 1997-I, p. 243). Deze vraag wordt hieronder in par. 6.5.2 besproken ten aanzien van giraal geld. Hetgeen daar wordt opgemerkt, is, met uitzondering van een beroep op redelijkheid en billijkheid, ook van toepassing op chartaal geld. De verplichting lijkt niet te bestaan bij toepassing van art. 61 lid 5 Fw, welke bepaling overigens alleen op chartaal geld van toepassing lijkt, zie Wessels 2009, nr. 2215.
211.
Chartaal geld behoort zoals gezegd tot de in paragraaf 6.2.3 besproken oneigenlijke soortzaken.1 Van klassieke soortzaken is geen sprake, nu het bijeenraken van verschillende munten of bankbiljetten niet leidt tot het verlies van hun eigen identiteit en er dus geen vermenging optreedt in de zin van art. 5:15 BW.2 Zij zijn echter ook geen zuivere specieszaken. Als men immers van iemand nog geld krijgt, maakt het niet uit welke specifieke biljetten ter hand worden gesteld, zolang de daarop vermelde hoeveelheid maar overeenstemt met hetgeen verschuldigd was. Chartaal geld onderscheidt zich daarbij nog van de overige oneigenlijke soortzaken, doordat het de verkrijger ook onverschillig is of hem één briefje van € 20 wordt gegeven of dat hem twee zaken in de vorm van twee biljetten van € 10 ter hand worden gesteld.3 Welke gevolgen heeft dit voor de toepassing van zaaksvervanging op deze zaken?4
Nakoming van een vordering tot betaling van een bepaald bedrag gaat gepaard met de vervanging van de vordering (een oorspronkelijk goed bij zaaksvervanging) door muntstukken en bankbiljetten. Deze worden de schuldeiser of een inningsbevoegde derde gewoonlijk ter hand gesteld.5 Hierbij kan zaaksvervanging optreden, nu aan alle hieraan in het vijfde hoofdstuk gestelde eisen is voldaan. Aangezien de ontvanger moeilijk de hele dag met geld in zijn hand kan blijven lopen, volgt hierop meestal het pakken van een portemonnee waarin de ontvangen munten en biljetten worden opgeborgen. Voor het behoud van de door zaaksvervanging verkregen vervangende rechten heeft deze opvolgende handeling vaak grote gevolgen. In het merendeel van de gevallen zal de geldbuidel namelijk niet leeg zijn als hij uit de tas of broekzak wordt gehaald. Dit betekent dat het ontvangen geld, dat men geacht wordt voor een ander (hoofdgerechtigde, pandgever of deelgenoot) te hebben aanvaard en waarop door middel van zaaksvervanging een recht is komen te rusten, samenkomt met het geld van de ontvanger waar geen andere rechten op rusten en dat hemzelf toebehoort. Het vervangende vruchtgebruik, pandrecht of gemeenschappelijke eigendom gaat dan door oneigenlijke vermenging teniet.6
De enige manier om het op deze wijze tenietgaan van de vervangende rechten te voorkomen, is ervoor te zorgen dat het surrogaat niet (oneigenlijk) vermengt. Dit kan bij chartaal geld op twee wijzen worden bereikt. Allereerst is het mogelijk de ontvangen zaken feitelijk afgescheiden van ander geld te bewaren. Een ouderwets beeld doemt op. Bij vakantiereizen naar Italië hadden mijn ouders altijd drie portemonnees bij de hand: één met Nederlandse guldens van thuis, één met Duitse marken voor onderweg en één met Italiaanse lires voor op de bestemming.7 De vruchtgebruiker of pandhouder kan volstaan met twee portemonnees: één met zijn eigen geld en één met geld waarop het beperkte recht rust en waarvan hij houder is. Ten aanzien van bankbiljetten heeft hij een alternatief. De tweede wijze om oneigenlijke vermenging te voorkomen, is dat hij bij ontvangst van het papierengeld de unieke nummers die hierop staan vermeld noteert.8 Vervolgens kan het ontvangene rustig worden opgeborgen samen met zijn eigen geld. Beide mogelijkheden zijn helaas verstoken van enig gebruiksgemak.9 De realiteit is dan ook dat chartaal geld, ondanks de theoretische mogelijkheid, praktisch veelal ongeschikt is om duurzaam te fungeren als surrogaat bij zaaksvervanging.10