Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/3.3.1
3.3.1 Inleiding
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS377495:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp 2004 (4-I), nr. 639 en Jongbloed (Vermogensrecht), art. 3:296, aant. 3
Zo is er alleen sprake van een tekortkoming als de schuld opeisbaar is en, bij niet-blijvende onmogelijkheid van nakoming, als de schuldenaar in verzuim is De situatie ligt anders in het kooprecht waar op de koper de bewijslast rust van de (non)conformiteit. De wetgever schiet de consumentkoper echter te hulp met een bewijsvermoeden (art. 7:18 lid 2): indien zich bij een consumentenkoop binnen zes maanden na de aflevering een gebrek openbaart, wordt de zaak vermoed reeds bij aflevering niet aan de overeenkomst te hebben beantwoord, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich tegen dit vermoeden verzet. Zie Asser/Hijma 2007 (5-I), nr. 332a.
Uit de conclusie dat de niet-nakoming geen onderdeel uitmaakt van de stelplichten van een schuldeiser die nakoming vordert,1 volgt dat hij evenmin hoeft te voldoen aan de meeromvattende stelplicht dat zijn wederpartij is tekortgeschoten.2 In deze paragraaf neem ik verschillende onderdelen van het tekortkomingsbegrip onder de loep en bekijk ik welke subonderdelen als stelplichten al dan niet overeenkomstig van toepassing (zouden moeten) zijn op het recht op nakoming. Centraal staat de vraag in hoeverre de stelplichten en bewijslasten voor een schuldeiser die nakoming vordert lichter zijn dan voor een schuldeiser die schadevergoeding of ontbinding vordert.
In par. 3.3.2 schets ik de inhoud van het begrip tekortkoming. In par. 3.3.3 bespreek ik het subonderdeel 'opeisbaarheid' in het tekortkomingsbegrip. In par. 3.3.4 ga ik in op het verzuimvereiste en behandel ik de vraag of een ingebrekestelling een vereiste dient te zijn voor het recht op nakoming. In par. 3.3.5 besteed ik aandacht aan het vereiste van de wezenlijke tekortkoming zoals dat in het Weens Koopverdrag voor de uitoefening van het recht op vervanging geldt. De bespreking van de wezenlijke tekortkoming geeft mij aanleiding om ook enkele opmerkingen te maken over de discussie die Bakels en Hartlief hebben aangezwengeld over de beperking van de bevoegdheid tot ontbinding.