Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.5.4.:2.5.4. Pandgebruik en fiducia
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.5.4.
2.5.4. Pandgebruik en fiducia
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264570:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
PS 2,13,2 Quidquid creditor per fiduciarium servum quaesivit, sortem debiti minuit.
Noordraven 1988, p. 396. Zie voorts de volgende Digestenteksten die oorspronkelijk mogelijk over fiducia gingen: D. 13,7,22,2 (Ulpianus); D. 13,7,22pr (Ulpianus). Waarover Lenel, Palingenesia Iuris Civilis II, p. 618.
D. 13,7,22,2 (Ulpianus); D. 13,7,22pr (Ulpianus); Noordraven 1988, p. 281-282.
Noordraven 1988, p. 216-217. Anders: Erbe 1940, p. 78-79.
Noordraven 1988, p. 280-281.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De regels die de gebruiksopbrengst van een zekerheidsobject bestemden als rentevergoeding of aflossing op de gesecureerde vordering golden niet alleen voor de pandgebruiker of gerechtigde tot zelfstandige antichrese, maar ook voor de zekerheidseigenaar. Wat de zekerheidseigenaar verkreeg door het zekerheidsobject te gebruiken kwam in de plaats van een rentepercentage, of moest de fiduciarius in mindering brengen op de gesecureerde vordering. Paulus gaf het ten aanzien van slaven ondubbelzinnig weer:
“Alles wat een schuldeiser door een hem fiduciair overgedragen slaaf verwerft, strekt tot vermindering van de hoofdsom van de schuld.”1
Deze verplichting tot vermindering van de schuld vloeide voort uit het bona fide karakter van de overeenkomst van fiducia. De zekerheidseigenaar was verplicht om de voordelen die hij met betrekking tot het zekerheidsobject had genoten, in mindering te brengen op de gesecureerde vordering.2 Als hij weigerde om het onderpand te gebruiken of de opbrengst in mindering te brengen op de gesecureerde vordering was hij aansprakelijk met de actio fiduciae.3
Volgens Noordraven was de normale situatie bij een zekerheidsoverdracht als volgt. De schuldeiser kreeg een zaak in eigendom. Vervolgens gaf hij de zaak terug in precarium aan de schuldenaar-zekerheidsgever. Als precarist was het de schuldenaar die dan recht had op de baten van het zekerheidsobject. De gevallen waarin de schuldeiser-zekerheidseigenaar het zekerheidsobject onder zich had (en waarin dus een recht van pandgebruik intrad), waren waarschijnlijk vrij zeldzaam. Op deze gevallen pasten de Romeinse juristen dezelfde regel toe als op het normaaltype. Hieruit volgde dat de zekerheidsgever recht had op de baten van het zekerheidsobject. Als eigenaar-bezitter had de schuldeiser-zekerheidseigenaar echter het eigendomsrecht op genoten vruchten; zodoende had de schuldenaar-zekerheidsgever een vordering tot afgifte van de vruchten op basis van de actio fiduciae. Deze vordering tot afgifte werd verrekend met de schuld van de schuldenaar aan de schuldeiser.4 Een nadere rechtvaardiging voor deze regeling was dat de schuldenaar slechts tijdelijk feitelijk afstand van het zekerheidsobject had gedaan. Voordelen die uit de zaak voortvloeiden behoorden dan ook aan hem toe te komen, en niet aan de zekerheidseigenaar.5
Al met al werkte het recht van pandgebruik bij fiducia op dezelfde manier als het recht van pandgebruik bij het pandrecht. De essentiële rechten en verplichtingen van de zekerheidseigenaar waren gelijk aan die van de pandgebruiker. Hij mocht, en moest, het zekerheidsobject gebruiken en de vruchten ervan trekken. De voordelen die hij hiermee verkreeg kwamen in de plaats van een rentepercentage, of kwamen in mindering op de gesecureerde vordering.