De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.11.2:4.2.11.2 Concretisering of aanvulling van materiële bepalingen
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.11.2
4.2.11.2 Concretisering of aanvulling van materiële bepalingen
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399595:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hendriks-de Lange 2009, p. 305-306; Kral 2008, p. 246; Bonnes 1994, p. 56.
Kral 2008, p. 247-248.
Zie hieromtrent Kral 2008, p. 247.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 20 oktober 2009, C-449/08 (Elbertsen), Jur. 2009, p. 1-10241, r.o. 37.
Zie wat de uitvoering van Europese verordeningen in het algemeen betreft Bonnes 1994, p. 95.
Zie wat betreft verordeningen in het algemeen Bonnes 1994, p. 97; Handleiding Wetgeving en Europa, p. 85.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste categorie nationale uitvoeringsmaatregelen dient ter concretisering of aanvulling van materiële bepalingen uit een verordening.1 Gedacht kan worden aan de inhoudelijke voorwaarden om voor een Europese subsidie in aanmerking te komen, de voorwaarden waaronder de door de eindontvanger van de Europese subsidie gemaakte kosten subsidiabel zijn en de subsidieverplichtingen die gelden voor de eindontvanger voor de Europese subsidie. Op deze categorie uitvoeringsmaatregelen zijn het in hoofdstuk 3 besproken beginsel van procedurele autonomie en de daaraan verbonden beperkingen niet van toepassing. Het gaat immers niet om de toepassing van nationale procedureregels. Ook aan materiële nationale uitvoeringsregels worden echter eisen gesteld.2
Allereerst wordt de discretie van de wetgever of het nationale uitvoeringsorgaan begrensd door de desbetreffende bepaling van de Europese verordening.3 Zo is in artikel 13, negende lid, van de Commissieverordening nr. 1122/2009 bepaald dat de door de lidstaat vast te stellen minimumoppervlakte van de percelen landbouwgrond waarvoor een aanvraag kan worden ingediend niet groter mag zijn dan 0,3 ha. Ten tweede dient de nationale uitvoeringsmaatregel in overeenstemming te zijn met het Eu-recht in het algemeen.4 Dit geldt ook indien het bestaande nationale recht wordt toegepast. Ten derde hebben de beginselen van loyale samenwerking en het nuttig effect tot gevolg dat de uitvoering van Europese subsidieverordeningen door nationale uitvoeringsorganen het verwezenlijken van het doel en strekking daarvan en van de overige Europese regelgeving die voor de uitvoering van Europese subsidieregelingen relevant is niet in gevaar mag brengen, belemmeren of bemoeilijken.5 Ten vierde moet de uitvoering van Europese subsidieverordeningen door nationale uitvoeringsorganen in overeenstemming zijn met de algemene rechtsbeginselen en de fundamentele rechten, als besproken in hoofdstuk 3.6