Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/1.1.3.3.3:1.1.3.3.3 Ongerechtvaardigde verrijking
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/1.1.3.3.3
1.1.3.3.3 Ongerechtvaardigde verrijking
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS578682:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De vordering op grond van art. 6:212 BW is niet uitgesloten op de enkele grond dat tussen partijen een contractuele verhouding bestaat. Asser/Hartkamp 4-III (2006), nr. 362.
Zie voor misbruik van omstandigheden de vergelijkbare mogelijkheden in art. 3:54 lid 1 en lid 2 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De gelaedeerde van een mededingingsinbreuk kan naast of in plaats van de vordering uit onrechtmatige daad een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking instellen. Een verrijking die haar grondslag heeft in een rechtshandeling is in beginsel niet ongerechtvaardigd. Denk aan de koopovereenkomst die is gesloten tegen een te lage of juist te hoge prijs. Op het moment dat de overeenkomst nietig is wegens strijd met het kartelverbod van artikel 6 Mw of artikel 81 EG kan sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking. Dit kan ook het geval zijn bij ondernemingen die misbruik maken van een economische machtspositie.
Daarnaast is het denkbaar dat door de gelaedeerde een beroep wordt gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomst wegens een wilsgebrek in de zin van artikel 3:44 BW (bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden) of artikel 6:228 BW (dwaling). Dit is vooral van belang bij verticale overeenkomsten tussen de afnemer of leverancier enerzijds en de partij die deelneemt aan een horizontale kartelovereenkomst met een of meer andere partijen anderzijds. Bij een schending van het mededingingsrecht zijn de meest voor de hand liggende wilsvormingsgebreken bedrog en dwaling. Het is goed voorstelbaar dat alleen het deel van de overeenkomst dat het gevolg is van de schending van het mededingingsrecht wordt vernietigd op grond van dwaling of bedrog. De partiële nietigheid die het gevolg is van door een vernietiging ontstane nietigheid zorgt er dan voor dat alleen het deel van de overeenkomst blijft bestaan dat onder normale marktomstandigheden tot stand zou zijn gekomen. De benadeelde afnemer of opdrachtgever kan — voor wat betreft het deel van de overeenkomst dat het gevolg is van de schending van het mededingingsrecht — een vordering instellen tegen de verkoper of opdracht-nemer op grond van ongerechtvaardigde verrijking.1
Bij de dwaling behoren de buitengerechtelijke wijziging (de wederpartij kan een voorstel doen om de gevolgen van de rechtshandeling zodanig te wijzigen dat het nadeel op afdoende wijze wordt opgeheven ex artikel 6:230 lid 1 BW) en de gerechtelijke wijziging (de rechter kan op verlangen van een der partijen in plaats van de vernietiging uit te spreken, de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van dit nadeel wijzigen ex artikel 6:230 lid 2 BW) ook nog tot de mogelijkheden.2