Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/4.5.7
4.5.7 De bewijslastverdeling bij artikel 6:74, 6:75 en 6:77 BW
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS367506:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Van den Brink & Valk 2017, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:74 BW; Asser/Sieburgh 6-I 2016/370.
Idem.
Idem.
Van den Brink & Valk 2017, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:75 BW; Asser/Sieburgh 6-I 2016/370.
Idem.
Idem.
De verkeersopvatting als afzonderlijke toerekeningsgrond zal doorgaans niet relevant zijn in geval de tekortkoming het gevolg is van het gebruik van een ongeschikte zaak; de verkeersopvattingen komen expliciet in het kader van artikel 6:77 BW aan de orde.
Zoals in de casus van het Polyclens-arrest.
Waarvan de schuldenaar de bewijslast draagt.
Ter afsluiting van de bespreking van de algemene regels die gelden voor de aansprakelijkheid voor hulpzaken, zal deze paragraaf kort ingaan op de bewijslastverdeling in afdeling 6.1.9 BW. Indien de schuldeiser een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW instelt, rust op de schuldeiser de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan en de inhoud van de verbintenis van de schuldenaar.1 Ook rust op hem de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de tekortkoming in de nakoming van deze verbintenis.2 Daarnaast zal hij moeten stellen dat hij schade heeft geleden en dat er causaal verband bestaat tussen de schade en de tekortkoming.3 Op de schuldeiser die een vordering tot schadevergoeding instelt, rust niet de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de toerekenbaarheid van de tekortkoming. Uit de formulering van artikel 6:74 BW, dat iedere tekortkoming in de nakoming de schuldenaar verplicht tot het betalen van schadevergoeding ‘tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend’, volgt dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de niet-toerekenbaarheid van de tekortkoming op de schuldenaar rust.4 Indien de schuldenaar wil ontkomen aan de verplichting tot het betalen van schadevergoeding aan de schuldeiser, zal hij dienen te stellen en eventueel bewijzen dat de tekortkoming ‘niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt’, aldus artikel 6:75 BW.
Omdat de bewijslast van de tekortkoming en de bewijslast van de niet-toerekenbaarheid op verschillende partijen rusten, is het van belang om het verweer van de schuldenaar correct te kwalificeren; gelden de door de schuldenaar aangevoerde omstandigheden als een betwisting van de door de schuldeiser gestelde tekortkoming of als een beroep op de niet-toerekenbaarheid van de tekortkoming?5 In het eerste geval draagt de schuldenaar ten aanzien van die omstandigheden niet de bewijslast omdat de bewijslast van de tekortkoming immers op de schuldeiser rust. In het tweede geval draagt de schuldenaar wel de bewijslast. Bij de kwalificatie van het verweer van de schuldenaar kan de aard van de gestelde niet-nagekomen verbintenis een rol spelen.6 Indien de schuldeiser de tekortkoming van een resultaatsverbintenis stelt en de schuldenaar verweert zich met de stelling dat het overeengekomen resultaat tot stand is gekomen, dan kan dit gezien worden als een betwisting van de tekortkoming. Gecompliceerder is het indien de schuldeiser de tekortkoming van een inspanningsverbintenis stelt en de schuldeiser zich verweert met de stelling dat hij de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Per geval zal beoordeeld moeten worden of dit een betwisting van de gestelde tekortkoming is of een beroep op de niet-toerekenbaarheid van de tekortkoming vanwege het ontbreken van schuld.
De niet-toerekenbaarheid van een tekortkoming volgt niet alleen uit het ontbreken van schuld. De tekortkoming moet ex artikel 6:75 BW tevens niet krachtens de wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de schuldenaar komen. Een tekortkoming die krachtens de wet voor rekening van de schuldenaar komt, is de tekortkoming die is ontstaan door het gebruik van een ongeschikte hulpzaak. Dit volgt, zoals reeds uitvoerig aan de orde is gekomen, uit artikel 6:77 BW. In het kader van de stelplicht en bewijslast is het van belang om nogmaals te benadrukken dat het bij dit artikel gaat om een invulling van het risicogebied van artikel 6:75 BW. Dit betekent dat op de schuldenaar die bij de uitvoering van de verbintenis gebruik heeft gemaakt van een hulpzaak de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van de niet-toerekenbaarheid van de daardoor ontstane tekortkoming. Krachtens artikel 6:77 BW kan de tekortkoming die is ontstaan door het gebruik van een ongeschikte hulpzaak op grond van de tenzij- formule niet aan de schuldenaar worden toegerekend indien dit op grond van de inhoud en strekking van de rechtshandeling, de verkeersopvattingen en de omstandigheden van het geval onredelijk zou zijn. Bij een vordering tot vergoeding van schade ontstaan door een hulpzaak zal de schuldenaar krachtens artikel 6:75 BW jo. 6:77 BW derhalve dienen te stellen en bewijzen dat (1) de tekortkoming niet aan zijn schuld te wijten is of krachtens rechtshandeling voor zijn rekening komt,7 (2) de tekortkoming het gevolg is van het gebruik van een ongeschikte zaak, en (3) toerekening aan hem onredelijk is vanwege de inhoud en strekking van de rechtshandeling, de verkeersopvattingen of de omstandigheden van het geval.8 Welke omstandigheden in dit kader relevant zijn, kwam reeds in paragraaf 4.5.5 aan bod. Indien hij in dit bewijs slaagt, dan zal de tekortkoming niet krachtens de wet aan hem kunnen worden toegerekend.
Doorgaans zal de ongeschiktheid van de zaak, die zoals gezegd relevant is in het kader van de toerekening, reeds aan de orde komen bij de vaststelling van de tekortkoming. Dit is met name aan de orde indien op de schuldenaar een resultaatsverbintenis rustte tot het gebruik van een geschikte zaak. Zo rust op de schuldenaar die zich ertoe verbindt een fabriekshal van de schuldeiser schoon te maken de verbintenis een daarvoor geschikt schoonmaakmiddel te gebruiken.9 De schuldeiser kan in een dergelijk geval volstaan met te stellen en te bewijzen dat de schuldenaar gebruik heeft gemaakt van een ongeschikt schoonmaakmiddel; daarmee staat de tekortkoming van de schuldenaar vast.10 Het gaat dan niet om bewijs in het kader van artikel 6:77 BW,11 maar om bewijs in het kader van artikel 6:74 BW (ten aanzien waarvan de schuldeiser de bewijslast draagt).