Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/6.2.3:6.2.3 Uitgangspunt 3: Het pleitbare standpunt heeft een passende invloed op de mogelijkheden om te beboeten en te bestraffen
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/6.2.3
6.2.3 Uitgangspunt 3: Het pleitbare standpunt heeft een passende invloed op de mogelijkheden om te beboeten en te bestraffen
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS571171:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het pleitbare standpunt hoeft naar mijn mening echter niet onder alle omstandigheden tot straffeloosheid te leiden. In plaats daarvan zou de invloed van het pleitbare standpunt op de mogelijkheden om te beboeten en te bestraffen zowel in het fiscale boete- als in het fiscale strafrecht niet alleen gerechtvaardigd moeten worden door, maar ook passend moeten zijn bij de principes die aan die invloed ten grondslag liggen.
Van een belastingplichtige die een aangifteplicht opgelegd heeft gekregen, met voor meerderlei uitleg vatbaar recht is geconfronteerd en toch stellig en zonder voorbehoud aangifte heeft moeten doen en daardoor verplicht is geweest een standpunt in te nemen, kan naar mijn mening nog steeds worden verwacht dat hij de aanmerkelijke kans op een onjuiste aangifte niet heeft aanvaard, oftewel dat hij er ten tijde van het doen van de aangifte van uit is gegaan dat hij een juiste aangifte deed. Hetzelfde geldt voor een belastingplichtige die van zijn vrijheid gebruik heeft gemaakt om de eigen interpretatie en toepassing van het recht aan de belastingrechter voor te leggen.
De vrijheid van een belastingplichtige om zijn eigen interpretatie en toepassing van het belastingrecht te volgen lijkt de meest vergaande invloed op de strafwaardigheid te hebben. Een belastingplichtige die van deze vrijheid gebruik heeft gemaakt, kan niet – zoals in het algemene strafrecht – worden verweten dat hij de grenzen van de wet heeft opgezocht. Van de vrijheid om deze weg te kiezen zou immers weinig meer overblijven als, zoals in het algemene strafrecht, het opzoeken van de grenzen van de wet tot bestraffing zou leiden zodra het pleitbare standpunt onjuist blijkt te zijn. Van deze belastingplichtige kan echter wel worden verwacht dat hij binnen de ruimte heeft willen blijven die deze vrijheid hem verschaft. Ik vertaal dit zo, dat hij niet hoeft te hebben verondersteld dat zijn standpunt en daarmee zijn aangifte juist waren, maar dat hij wel moet hebben verondersteld dat zijn standpunt pleitbaar was.1
In de derde plaats ga ik er daarom van uit dat een naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt zowel in het fiscale straf- als in het fiscale boeterecht uitsluitend tot straffeloosheid hoeft te leiden als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte heeft verondersteld dat hij een juiste aangifte deed of in ieder geval heeft verondersteld dat hij een pleitbaar standpunt innam.
Tot nu toe heeft het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt in de jurisprudentie van de belastingkamer van de Hoge Raad steeds zonder meer tot het ontbreken van opzet en daarmee tot straffeloosheid geleid. De belastingkamer heeft echter nooit expliciet geoordeeld dat een belastingplichtige die een onjuiste maar pleitbare aangifte heeft gedaan onder alle omstandigheden ongestraft moet blijven. Er zijn ook wel aanwijzingen dat de belastingkamer van de Hoge Raad niet altijd van straffeloosheid uitgaat.2