Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/6.2.2
6.2.2 Overzicht diversiteitsregelgeving
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268497:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:8, derde lid, Wft en art. 91, tiende lid CRD IV. Zie ook bepaling 104 van de Richtsnoeren. Nederlandse banken maken gebruik van een dualistisch bestuursmodel, bestaande uit een afzonderlijke raad van bestuur en raad van commissarissen, zie ook art. 3:19 Wft.
Best practice-bepaling 2.1.5 CGC.
Zie voor de precieze reikwijdte de preambule van de CGC.
De CGC is een vorm van zelfregulering, maar kent een wettelijke verankering in die zin dat beursgenoteerde ondernemingen in hun governance-verklaring bij het jaarverslag over de naleving van de bepalingen dienen te rapporteren. Deze verantwoording vindt plaats op basis van het ‘pas toe of leg uit’-principe. Zie Besluit van 29 augustus 2017 tot wijziging van het Besluit van 23 december 2004 tot vaststelling van nadere voorschriften omtrent de inhoud van het jaarverslag (Stb. 747), waarbij de CGC is aangewezen als gedragscode als bedoeld in art. 2:391, vijfde lid, BW.
Bepaling 15 van de Richtsnoeren. Vergelijk ook art. 91, eerste lid, CRD IV. De CRD V verplaatst deze bepaling naar art. 91, zevende lid van de richtlijn.
Art. 3:8, derde lid, Wft en art 91, tiende en twaalfde lid CRD IV. Zie ook bepaling 104 van de Richtsnoeren.
Best practice-bepaling 2.1.5 van de CGC. De Code Banken spreekt slechts in zijn algemeenheid van diversiteit als voorwaarde voor een goede taakvervulling door de raad van bestuur en de raad van commissarissen (2.1.1 en 3.1.1 van de Code Banken).
Bepaling 15 van de Richtsnoeren.
Bepaling 105 van de Richtsnoeren.
Ook in de consultatieversie voor aanpassing van de Richtsnoeren wordt dit onderdeel uit het diversiteitsbeleid benadrukt. Voorgesteld wordt in de Richtsnoeren de volgende bepaling toe te voegen: “De instellingen dienen te streven naar een passende vertegenwoordiging van alle genders in het leidinggevend orgaan en ervoor te zorgen dat het beginsel van gelijke kansen wordt geëerbiedigd bij de selectie van leden van het leidinggevend orgaan.” Zie EBA en ESMA, Consultation Paper on Draft joint ESMA and EBA Guidelines on the assessment of the suitability of members of the management body and key function holders under Directive 2013/36/EU and Directive 2014/65/EU, EBA/GL/2020/19-ESMA35-43-2464 en de voorgestelde aanpassingen in hoofdstuk 12.
Zie overweging (60) bij de CRD IV en bepaling 44 van de Richtsnoeren, die ook naar andere Europese initiatieven verwijst om gender-diversiteit te stimuleren (http://ec.europa.eu/justice/gender-equality/).
Gender staat voor de gedrags- en identiteitsaspecten van sekse, ter onderscheiding van lichamelijke en biologische aspecten.
Zie AFM, Evenwichtige besluitvorming: omgaan met blinde vlekken. Onderzoek binnen directies van kleine en middelgrote banken, december 2017 (https://www.afm.nl/nl-nl/nieuws/2017/dec/rapport-blinde-vlekken).
Het gevraagde SER-advies ziet zowel op genderdiversiteit als culturele diversiteit. Zie voorts bijvoorbeeld ‘Bestuursvoorzitters bijeen voor meer kleur in de boardroom’, FD, 29 januari 2019.
Zie bijvoorbeeld de consultatiereacties bij de EBA-Richtsnoeren inzake interne governance (GL 44), 27 september 2011, paragraaf 52/53 en 54/55: EBA Report on the benchmarking of diversity practices, 8 juli 2016, EBA-Op-2016-10, p. 9 (EBA-rapport) en Commissie-Ottow, Externe evaluatie toetsingsproces AFM en DNB, Utrecht, 30 november 2016, p. 51 en 52.
Grote vennootschappen voldoen, kort gezegd, aan minimaal twee van de drie volgende criteria: balanswaarde minimaal €20.000.000 , omzet minimaal €40.000.000 en 250 of meer werknemers Zie art. 2:397(1) BW. In 2018 voldeed zo’n 65% van de Nederlandse banken aan deze criteria (op basis van eigen onderzoek, zie paragraaf 5).
Art. 2:166 BW en 2:276 BW bepaalden dat grote NV’s en BV’s de zetels in de RvB en de RvC zodanig dienden verdelen, althans daarbij zo veel mogelijk rekening mee dienden te houden, dat zij ten minste voor 30% werden bezet door vrouwen en ten minste voor 30% door mannen. Het streefcijfer werd op 1 januari 2013 van kracht met invoering van de Wet bestuur en toezicht (Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van de regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen, Stb. 2011, 275). De regeling verviel op 1 januari 2016, en is in 2017 verlengd tot 1 januari 2020. Zie Kamerstukken II, 2015/16, 34 435, nr. 3 en H. Koster, ‘Voortzetting van de streefcijfers diversiteit’, Ondernemingsrecht 2017/75, afl. 9, p. 438 ev.
Kamerstukken II, 2009/10, 31 763, 14, p. 3.
Kamerstukken II, 2019/20, 29 544, nr. 999, p. 3. Op 7 februari 2020 heeft het Nederlandse kabinet aangekondigd om, in vervolg op het SER-advies van 20 september 2019, een quotum verplicht te zullen stellen voor de RvC’s van beursgenoteerde bedrijven. Een nieuwe benoeming die niet bijdraagt aan een verdeling van zetels van ten minste 30% m/v zal nietig zijn. Voor grote vennootschappen zal het streefcijfer van 30% niet terugkomen. Zij zullen worden verplicht om passende en ambitieuze streefcijfers op te stellen voor de diversiteit m/v in het RvB, de RvC en de subtop. Grote vennootschappen zullen voorts worden verplicht om een plan te maken waarin wordt aangegeven hoe het streefcijfer gerealiseerd wordt, en dienen transparant te zijn over het proces, de inzet en de resultaten.
Het begrip ‘significant’ in de zin van art. 88, tweede lid, CRD IV doelt op banken die op individuele basis voldoen aan de criteria neergelegd in art. 6 van Verordening (EU)1024/2013 (SSM-Verordening) en op banken die, gelet op hun omvang, interne organisatie en aard, reikwijdte en complexiteit van de activiteiten, door DNB als significant zijn aangemerkt (zie art. 17d Bpr Wft), Van deze laatste bevoegdheid heeft DNB vooralsnog geen gebruik gemaakt. Het betreft hier dus een andere, beperktere groep banken dan de banken die op basis van de SSM-Verordening en de Verordening (EU) 468/2014 (SSM-Kaderverordening) als significant worden beschouwd (zie Stb. 2015, 296, p. 5).
Art. 88, tweede lid onder a CRD IV, geïmplementeerd in art. 17c, tweede lid, Bpr Wft. Zie ook de Nota van toelichting Implementatiebesluit richtlijn en verordening kapitaalvereisten (Stb. 2014/303), en bepaling 105 van de Richtsnoeren.
Richtlijnvoorstel van de Europese Commissie ter bevordering van genderevenwicht bij niet-uitvoerende bestuurders in beursgenoteerde ondernemingen, COM/2012/0614 final-2012/0299 (COD). Hoewel het Parlement eind 2013 reeds met ruime meerderheid voor het voorstel heeft gestemd, ligt het voorstel nu al jaren bij de Raad en lijkt er weinig schot in te zitten in een definitieve richtlijntekst. Zie ook: Gender balance on corporate boards, Europe is cracking the glass ceiling, Factsheet Europese Commissie, juli 2016.
Bepaling 105 en 115 sub c van de Richtsnoeren.
Bepaling 108 van de Richtsnoeren.
Bepaling 131 van de Richtsnoeren. Zie ook best practice-bepaling 2.2.1 CGC: In de voorbereidingsprocedure voor de benoeming van een bestuurder dienen de doelstellingen ten aanzien van diversiteit in overweging te worden genomen.
Bepaling 110 van de Richtsnoeren.
Bepaling 111 van de Richtsnoeren.
Bepaling 115 onder a en 134 van de Richtsnoeren. De CGC bevat vergelijkbare bepalingen, zie Principe 2.2 en best practice-bepaling 2.2.4 CGC. Bij het opstellen van het plan van opvolging dient ook de profielschets voor de RvC in acht te worden genomen (best practice-bepaling 2.2.4 CGC). In deze profielschets dient te worden ingegaan op het diversiteitsbeleid (best practice-bepaling 2.1.1 CGC).
Bepaling 94 van de Richtsnoeren.
Bepaling 214 van de EBA-Richtsnoeren inzake interne governance. De consultatieversie van EBA en ESMA voor aanpassing van de Richtsnoeren van 31 juli 2020 bevatten enkele aanvullende bepalingen ter stimulering van de diversiteit in managementposities en management training voor medewerkers onder het bestuur/RvC.
Bepaling 109 van de Richtsnoeren.
Art. 435, tweede lid, onder c CRR. Verordening (EU) nr. 876/ 2019 van 20 mei 2019 past deze bepaling zodanig aan dat vanaf 28 juni 2021 “kleine en niet complexe instellingen” deze informatie minder frequent zullen hoeven te rapporteren (zie het aangepaste art 435 en art. 433ter van de verordening).
Art. 134b Bpr Wft, welk artikel een implementatie is van art. 96 CRD IV. Het betreft de diversiteitsbepalingen neergelegd in art. 88, tweede lid en art. 91, tiende lid van de CRD IV.
Besluit van 22 december 2016, Stb. 2016, 559. Op grond van het besluit dienen de betrokken vennootschappen met ingang van boekjaar 2017 in het jaarverslag te rapporteren over hun diversiteitsbeleid voor de samenstelling van de RvB en de RvC. Uit onderzoek van de AFM komt overigens naar voren dat de kwaliteit van de rapportages over 2017 nog onvoldoende was. Ondernemingen dienen, volgens de AFM, meer en breder over diversiteit te rapporteren. Zie AFM, In Balans 2018 – deel A, Themaonderzoek niet-financiële informatie in bestuursverslagen 2017, 13 december 2018, p. 15 en 16.
Besluit van 14 maart 2017, Stb. 2017, 100.
Richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen.
Overweging (18) bij de richtlijn.
Art. 2:391, zevende lid, BW.
Best practice-bepaling 2.1.6 van de CGC. Daarnaast bepaalt best practice-bepaling 2.1.2 van de CGC dat voor elk individueel lid van de raad van bestuur en de raad van commissarissen gerapporteerd wordt over geslacht, leeftijd en nationaliteit.
Overigens hebben de bepalingen uit het BW en de CGC een zeker uitstralingseffect naar ondernemingen die niet vallen onder het toepassingsbereik van deze bepalingen. In veel gevallen wordt aan de in het BW en de CGC neergelegde normen gerefereerd als algemeen in de maat schappij aanvaarde standaarden, waar ondernemingen zich ook onverplicht aan willen houden (reflexwerking).
Kamerstukken I, 31 763, 2010/11, C, p. 25 en rapport Evaluatie Wet Bestuur en Toezicht –samenvatting-, Bijlage bij Kamerstukken I, 2017/18, 31763, E, p. 15.
Zie art. 6, vierde lid SSM-Verordening en art. 39 e.v. SSM-Kaderverordening. De bancaire dochters die deel uitmaken van een significante groep worden eveneens aangemerkt als significant en staan onder rechtstreeks toezicht van de ECB (zie art. 40, tweede lid, SSM-Kaderverordening). Deze dochters worden echter niet beschouwd als significant in de zin van art. 88 CRD IV en hoeven niet aan de in dit artikel neergelegde verzwaarde governance-vereisten te voldoen, welke onder meer zien op diversiteit.
Art. 6, zesde lid en art. 6, vierde lid SSM-Verordening.
Art. 3:8 derde lid Wft, art. 91, tiende lid CRD IV, art. 1:81, tweede lid Wft en art. 10 Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Ook zou bijvoorbeeld een last onder dwangsom kunnen worden opgelegd (1:79 Wft en bijbehorende bijlage) of een aanwijzing (art. 1:75 Wft). Het (structureel) niet-naleven van het diversiteitsbeleid zou voorts kunnen kwalificeren als een overtreding van de eisen ten aanzien van de beheerste en integere bedrijfsvoering (art. 3:10 en 3:17 Wft).
Art. 435c CRR, art. 1:81 Wft en art. 5 Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten en bijbehorende Bijlage 2. Ook zou een last onder dwangsom kunnen worden opgelegd (zie art. 4 en bijbehorende Bijlage 3), en zijn ook andere handhavingsinstrumenten mogelijk zoals bijvoorbeeld een aanwijzing (art. 1:3a en 1:75 Wft).
Genoemde wet- en regelgeving komt, samengenomen, op het volgende neer.
Verplicht diversiteitsbeleid RvB en RvC
In de eerste plaats zijn alle Nederlandse banken wettelijk verplicht om te beschikken over een beleid ter bevordering van de diversiteit in zowel de raad van bestuur (RvB) als de raad van commissarissen (RvC).1 De CGC bevat een vergelijkbare bepaling,2 maar deze geldt slechts voor beursgenoteerde vennootschappen3 en op basis van het ‘pas toe of leg uit-principe’.4 Dit principe biedt ondernemingen de ruimte om, anders dan bij wetgeving, af te wijken van de in de CGC neergelegde principes en best practice-bepalingen.
De Richtsnoeren geven als definitie van diversiteit dat de kenmerken van de bestuurders en commissarissen zodanig van elkaar verschillen dat “een waaier aan gezichtspunten” vertegenwoordigd is.5 Waar het om gaat, is dat bij de werving en selectie van nieuwe leden gestreefd wordt naar een breed scala van kenmerken en vaardigheden, zodat een variëteit aan standpunten en ervaringen, onafhankelijke oordeelsvorming en een gezonde wijze van besluitvorming in de raad kan worden bereikt. Het diversiteitsbeleid moet hierop zijn gericht.6
Diversiteit in leeftijd, geslacht, nationaliteit en opleiding en ervaring
Volgens de Richtsnoeren dient het beleid op zijn minst in te gaan op de vier hiervoor genoemde aspecten van diversiteit: leeftijd, geslacht, ‘geografische herkomst’ (nationaliteit) en opleiding en ervaring.7 Ook de CGC noemt deze vier aspecten.8 De Richtsnoeren definiëren het begrip ‘geografische herkomst’ als de regio waar de kandidaat zijn of haar culturele of professionele vorming of opleiding heeft opgedaan.9 Dit aspect van diversiteit is met name van belang voor banken die internationaal actief zijn.10 Van de vier aspecten worden diversiteit in geslacht en evenwichtige man/vrouw-verhoudingen in het bijzonder van belang geacht.11 Daarbij spelen overwegingen mee zoals het belang van een representatieve afspiegeling van personeel en maatschappij in de top van de bank, en overwegingen van sociaal-maatschappelijke aard.12
Het staat banken uiteraard vrij om diversiteit breder te interpreteren, en bijvoorbeeld ook zaken als ras (in de VS niet ongebruikelijk), arbeidsbe perking, gender,13 personeelsvertegenwoordiging (in sommige lidstaten is dit zelfs verplicht) en/of zittingsduur in het beleid te betrekken. Dit laatste kan van belang zijn, omdat een situatie waarin directieleden langere tijd met elkaar samenwerken (en ook voortkomen uit de eigen organisatie of zeer vergelijkbare organisaties), kan leiden tot een gedeeld referentiekader en een vorm van tunnelvisie. Dit bleek althans uit een AFM-onderzoek uit 2017.14 Enkele banken houden ook rekening met culturele diversiteit en onderscheid tussen westerse/niet-westerse achtergrond, tegenwoordig eveneens een ‘hot topic’.15 Verplicht is dit echter niet. In de praktijk lijken banken vooral belang te hechten aan diversiteit in opleiding en ervaring.16
Streefcijfers
Meer dan de helft van de Nederlandse banken kwalificeert, op basis van balanswaarde, omzet en/of aantal werknemers, als ‘grote’ vennootschap.17 Voor deze ‘grote banken’ gold ten tijde van het onderzoek een wettelijk streefcijfer van ten minste 30% vrouwen in zowel de RvB als de RvC (zie het – inmiddels vervallen – art. 2:166/2:276 BW).18 Grote banken dienden rekening te houden met deze wettelijke streefcijfers bij het benoemen en voordragen van bestuurders, bij het opstellen van de profielschets voor de omvang en samenstelling van de RvC en bij het aanwijzen, benoemen, aanbevelen en voordragen van individuele commissarissen. Doel van het streefcijfer was om het aantal vrouwen in bestuurlijke functies te laten toenemen, omdat onvoldoende vaart zou zitten in een ‘natuurlijke’ groei terwijl een eenzijdige samenstelling van RvB’s en RvC’s tot slechtere financiële resultaten leidt en tot problemen in het arbeidsmarktbeleid.19 Het streefcijfer is per 1 januari 2020 vervallen.20 In dit hoofdstuk is uitgegaan van de situatie per 1 juli 2019.
Er zijn, tot op heden, (nog) geen Europese streefnormen of percentages van toepassing. De CRD IV verplicht weliswaar alle significante banken in de zin van art. 88 CRD IV21 om een streefcijfer vast stellen voor het aantal vrouwen22 in de RvB en de RvC, en ook om een beleid uit te stippelen om het aantal vrouwen in deze organen te vergroten en het streefcijfer te bereiken,23 maar verplichte (minimum)percentages bevat de richtlijn niet. Zo kon het gebeuren dat een groot aantal banken in andere lidstaten dan Nederland het streefcijfer voor het aantal vrouwen bleek te hebben gesteld op – jawel – 0%.24 Een voorstel voor een EU- richtlijn om te komen tot een percentage van 40% vrouwen in de RvC’s van beursgenoteerde ondernemingen (of 33% in zowel de RvB als de RvC), staat al jaren “on hold”.25
De Richtsnoeren bepalen dat het beleid bij significante banken (in de zin van art. 88 CRD IV) een tijdlijn dient te bevatten waarbinnen het gestelde streefcijfer ten aanzien van de man/vrouw verhoudingen gerealiseerd dient te zijn. Ook dienen deze banken (intern) vast te leggen hoe zij dit streefcijfer willen gaan bereiken en hoe zij het diversiteitsbeleid en het streefcijfer meewegen in het selectieproces.26 De significante banken dienen voorts, als onderdeel van hun jaarlijkse zelfevaluatie, intern vast te leggen in hoeverre de doelstellingen en het gestelde streefcijfer zijn behaald. Is het niet gelukt om deze (streef)doelen te bereiken, dan dienen de achterliggende oorzaken te worden verkend en dient een set maatregelen te worden vastgesteld om de doelstellingen, binnen een bepaalde periode, alsnog te bereiken.27
Voor de overige doelstellingen in het diversiteitsbeleid geldt dat deze kwalitatief van aard mogen zijn. In de praktijk zegt men bijvoorbeeld te streven naar “een redelijke spreiding in leeftijd”, of “een goede balans in diversiteit in onder meer nationaliteit, geslacht en expertise”. Kleinere banken hoeven in het geheel niet aan streefcijfers te voldoen.
Proces van werving en selectie
Banken dienen transparante en open procedures te hanteren voor het selecteren, benoemen en herbenoemen van bestuurders en commissarissen en voor de opvolging.28 De Richtsnoeren bepalen dat de RvC, of de benoemingscommissie, als onderdeel van het selectieproces bij elke vacature een individueel functieprofiel dient op te stellen, het evenwicht in de gaten dient te houden in kennis, vaardigheden en ervaring in het collectief, én rekening dient te houden met de doelstellingen van het diversiteitsbeleid.29
Banken dienen te beschikken over beleid waarin is neergelegd hoe zij kandidaten toetsen aan de eisen van geschiktheid en betrouwbaarheid.30 Het diversiteitsbeleid dient in dat beleid te zijn geïncorporeerd, dan wel dient hiernaar te worden verwezen. Dit is nodig om te verzekeren dat diversiteit in het selectieproces wordt meegewogen.31 Waar mogelijk dient de benoemingsbeslissing te worden genomen op basis van een shortlist van geschikte kandidaten. Bij het samenstellen van een dergelijke shortlist dient rekening te zijn gehouden met het diversiteitsbeleid en de daarin opgenomen doelstellingen.32 In de praktijk komt het bijvoorbeeld voor dat banken hun executive-search bureaus opdracht geven om tot een shortlist te komen die voor minimaal de helft uit vrouwen bestaat.
Plan van opvolging
Alle banken dienen voorts te beschikken over een plan van opvolging voor zowel de RvB als de RvC. In dit plan dient rekening te zijn gehouden met het diversiteitsbeleid.33
Training en bewustwording
De Richtsnoeren bepalen voorts dat bestuurders en commissarissen zich bewust dienen te zijn van de voordelen van diversiteit, zowel in de RvB en de RvC als in de bank als geheel. Dit dient door middel van training en als onderdeel het introductie- en opleidingsprogramma te worden bevorderd.34 Mogelijk kan hierbij gedacht worden aan specifieke trainingen gericht op het herkennen van onbewuste biases, zoals het gegeven dat mensen graag kiezen voor kandidaten die op hen lijken. In de praktijk melden diverse banken dat zij dergelijke trainingen inderdaad (organisatie-breed) verzorgen.
Diversiteitsbeleid voor het gehele personeel
Naast een verplicht diversiteitsbeleid voor de samenstelling van de RvB en de RvC, bepalen de Richtsnoeren dat banken een diversiteitsbeleid dienen te hebben voor de gehele organisatie. Dit beleid dient in ieder geval in te gaan op aspecten rondom loopbaanplanning en dient maatregelen te bevatten om een gelijke behandeling te waarborgen van mannen en vrouwen, waarbij beide seksen gelijke kansen krijgen. Het beleid moet worden uitgedragen binnen de bank en aan het relevante personeel beschikbaar worden gesteld.35 Het organisatie-brede diversiteitsbeleid moet vooral bevorderen dat er een diverse pool van kandidaten beschikbaar is voor vrijkomende posities in de RvB en de RvC.36 Een organisatie-breed diversiteitsbeleid kan echter uiteraard ook om andere redenen zijn vruchten afwerpen. Ook lager in de organisatie kunnen (te) homogeen samengestelde teams immers met tunnelvisie kampen en/of een gebrek aan tegenspraak.
Rapportageverplichtingen
Tot slot dienen alle banken te rapporteren over hun diversiteitsbeleid voor de RvB en de RvC. Daarbij dienen de banken zowel het diversiteitsbeleid en de in dat beleid vastgestelde doelstellingen en streefdoelen openbaar te maken, als de mate waarin deze doelstellingen en streefdoelen zijn verwezenlijkt.37 De informatie dient ten minste jaarlijks te worden geactualiseerd. Deze verplichtingen volgen rechtstreeks uit de CRR.38
Daarnaast bepaalt het Bpr Wft dat banken die over een website beschikken, op deze site uitleg dienen te geven over de wijze waarop zij aan de diversiteitsregelgeving uit de CRD IV voldoen.39
Het Besluit bekendmaking diversiteitsbeleid bevat met de CRR vergelijkbare bepalingen voor grote, beursgenoteerde vennootschappen en voegt hier aan toe dat eveneens gerapporteerd dient te worden over de wijze waarop het beleid is uitgevoerd.40 Het besluit vormt samen met het Besluit bekendmaking niet-financiële informatie41 de implementatie van de Europese richtlijn over de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit uit 2014.42 Ratio van de bepalingen is, volgens de Europese wetgever, dat diversiteit bestuurders en commissarissen in staat stelt om beslissingen op constructieve wijze ter discussie te stellen en meer open te staan voor vernieuwende ideeën. Hierdoor wordt het al eerder genoemde fenomeen van “eenheidsdenken” aangepakt.43 Voor grote banken gelden specifieke rapportageverplichtingen ten aanzien van het wettelijke streefcijfer. Wanneer een bank deze streefcijfers niet heeft bereikt, moet zij in het jaarverslag uiteenzetten waarom de zetels niet evenwichtig zijn verdeeld, op welke wijze de bank heeft getracht tot een evenwichtige verdeling te komen en op welke wijze zij beoogt om in de toekomst een evenwichtige verdeling van de zetels te realiseren.44
Genoemde rapportageverplichtingen zijn wettelijke vereisten. De in de CGC neergelegde best practices komen overeen met de verplichtingen die voortvloeien uit de CRR en het Besluit bekendmaking diversiteitsbeleid. In aanvulling hierop bepaalt de CGC dat wanneer doelstellingen of streefcijfers niet zijn gehaald, de vennootschap bekend dient te maken welke maatregelen worden genomen om de nagestreefde situatie wel te bereiken en op welke termijn.45
Extern toezicht
Samenvattend geldt dat op Nederlandse banken een reeks aan bepalingen van toepassing is die beoogt de diversiteit te vergroten. Deze bepalingen vormen op vele onderdelen een aanvulling op en/of een wettelijke verankering van de bepalingen uit het BW en de CGC. Ook zijn verschillende diversiteitsbepalingen van toepassing op alle banken, ook wanneer deze niet beursgenoteerd zijn of als grote vennootschap kwalificeren.46
Aanvullend is ook dat sprake is van extern toezicht op de naleving van deze bepalingen. In geval van niet-nakoming van de bepalingen uit de CGC en/of het BW is het aan de eigen aandeelhouders om de door de onderneming gegeven uitleg al dan niet te accepteren.47 Banken staan echter ook onder extern toezicht. Bij de uitoefening van het toezicht op Nederlandse banken zijn drie verschillende toezichthouders betrokken: de ECB, de Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Nederland telt op dit moment zes significante banken(groepen) in de zin van de SSM-Verordening en de SSM-Kaderverordening: ING Groep N.V, ABN AMRO Group N.V., Coöperatieve Rabobank U.A., De Volksholding N.V., de Nederlandse Waterschapsbank N.V. en N.V. Bank Nederlandse Gemeenten. Deze entiteiten inclusief hun bancaire dochters staan onder direct toezicht van de ECB.48 Het toezicht op deze banken wordt uitgeoefend door medewerkers van de ECB en DNB in gezamenlijke toezichtteams. Het toezicht op de overige, minder significante (‘nationale’) banken wordt uitgeoefend door DNB die hiervoor op onderdelen intensief samenwerkt met de AFM.49 De AFM is verantwoordelijk voor het gedragstoezicht op de banken, en is daarnaast de bevoegde toezichthouder als het gaat om genoemde rapportageverplichtingen en het toezicht op financiële verslaggeving.
Alle drie genoemde toezichthouders beschikken over een wettelijk handhavingsinstrumentarium om, mocht dit noodzakelijk zijn, naleving van genoemde bepalingen af te dwingen. Zo zou de afwezigheid van een diversiteitsbeleid kunnen worden beboet (boete met basisbedrag €2,5 miljoen),50 net als het verzuimen te rapporteren over het diversiteitsbeleid, in strijd met de CRR (basisbedrag €500.000).51 Andere mogelijkheden zijn bijvoorbeeld het opleggen van een last onder dwangsom of een aanwijzing om alsnog aan de verplichtingen te voldoen.