Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.5.2.3.5
2.5.2.3.5 Inspraak van procespartijen en de door de Ondernemingskamer aangebrachte correcties
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652523:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Leidraad, bepaling 4.1. Zie ook Hermans 2017, p. 166-167 en p. 438, die ter vergelijking wijst op EHRM 21 september 1994 (par. 79), NJ 1995/463 (Fayed t. Verenigd Koninkrijk).
In bijv. OK 7 november 2018 (r.o. 2.1-2.3), ARO 2019/28 (SNS) gebeurde dat wel. Vgl. verder OK 12 juli 2019 (r.o. 2.2-2.3), ARO 2019/149 (L’Étoile).
Zie bijv. OK 26 november 2019 (r.o. 2.1-2.2), ARO 2020/12 (Stichting Residentie Buitenzorg), waarin de begroting van de onderzoeker sloot op € 71.500 tot € 96.250 exclusief 5% kantoorkosten en de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget vaststelde op € 75.000 exclusief 5% kantoorkosten; OK 22 april 2020 (r.o. 2.1-2.3), ARO 2020/100 (Marrobel).
Zo ook Blanco Fernández (onder 4) in zijn annotatie bij OK 1 juni 2015, JOR 2015/233 (Energie Concurrent). Zie ook art. 2:350 lid 4 BW: de raadsheer-commissaris kan de onderzoeker aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.
Zie ook Kamerstukken II 1991/92, 22400, 3, p. 7, onder verwijzing naar art. 222 Rv (oud), het huidige art. 194 lid 4 Rv; Leidraad, bepalingen 1.3 en 1.4. Volgens OK 1 juni 2015 (r.o. 2.3), JOR 2015/233 (Energie Concurrent), wortelt deze bevoegdheid in ‘de aard van het enquêterecht’, waarover ook Blanco Fernández (onder 4) in zijn annotatie.
Ook hier vormt de grondslag art. 284 lid 1 Rv jo. art. 194 lid 4 Rv; de onderzoeker is dan ‘de meest gerede partij’. Zie ook OK 1 juni 2015 (r.o. 2.3), JOR 2015/233, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Energie Concurrent); Hermans 2017, p. 141-142.
Vgl. bijv. OK 17 december 2008 (r.o. 2.1), ARO 2009/2 (Delascos Holding): ‘Reeds om de reden dat [de onderzoeker, PB] (…) zulks heeft verzocht, zal de Ondernemingskamer hem ontheffen uit de functie van onderzoeker van het beleid en de gang van zaken van de vennootschap.’
OK 6 maart 2020 (r.o. 2), ARO 2020/79 (Estro).
OK 14 januari 2021 (r.o. 2), ARO 2021/47 (PGH Autogroep).
OK 12 juli 2019 (r.o. 2.2-2.3), ARO 2019/149 (L’Étoile).
Partijen bij de enquêteprocedure hebben ten minste tweemaal de gelegenheid zich uit te laten over de door de onderzoeker opgestelde begroting. Allereerst dient de onderzoeker partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de concept begroting.1 De onderzoeker zendt de al dan niet naar aanleiding daarvan aangepaste begroting aan de Ondernemingskamer. Vervolgens stelt de Ondernemingskamer partijen opnieuw in de gelegenheid zich uit te laten over de begroting, waarna zij het onderzoeksbudget vaststelt, zo volgt uit bepaling 4.2 van de Leidraad. Dat gebeurt enkel schriftelijk. Partijen formuleren dan zelden nog bezwaren tegen de begroting.2 Formuleren partijen wel bezwaren of reageren zij niet, dan gelast de Ondernemingskamer geen mondelinge behandeling. Mijns inziens zou de Ondernemingskamer dit wel moeten doen, en partijen op dezelfde wijze moeten horen als bij een verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget, waarover par. 2.6.3.3. Mijns inziens moet de Ondernemingskamer verder allen die (vermoedelijk) belang hebben bij de vaststelling van het onderzoeksbudget in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de begroting. Dat zijn zij die ook bij een verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget moeten worden gehoord, waarover par. 2.6.3.2.
Op deze manier wordt procespartijen inspraak geboden voorafgaand aan de vaststelling van het onderzoeksbudget. Dat was voorheen niet het geval; de Ondernemingskamer stelde dan een onderzoeksbudget vast zonder bij de enquêteprocedure betrokken partijen daarin vooraf te kennen. De vraag is welke gevolgen de inspraak van procespartijen kan hebben. Denkbaar is dat de Ondernemingskamer, mede naar aanleiding van commentaar van procespartijen, de onderzoeker vraagt om een tweede begroting of het onderzoeksbudget vaststelt op een lager bedrag dan de onderzoeker heeft begroot, waarbij de Ondernemingskamer er goed aan zou doen te motiveren waarom het door haar vastgestelde onderzoeksbudget afwijkt van de begroting. Hiervoor kan bijvoorbeeld aanleiding bestaan als het door de onderzoeker gehanteerde uurtarief de Ondernemingskamer te hoog voorkomt, als de onderzoeker de reikwijdte van het onderzoek breder uitlegt dan de Ondernemingskamer, of als de onderzoeker de te verrichten onderzoekswerkzaamheden te ruim schat. Ik verwacht niet dat de Ondernemingskamer daar spoedig toe zal overgaan, omdat zij de onderzoeker in de regel veel vrijheid laat bij de inrichting van het onderzoek. Wanneer de rechtspersoon echter failliet is of op de rand van faillissement balanceert, kan de financiering van een volledig onderzoek lastig blijken. Denkbaar is dat de Ondernemingskamer dan een in omvang beperkt onderzoek met een beperkt onderzoeksbudget gelast. Het komt ook wel voor dat de Ondernemingskamer de begroting van de onderzoeker ruim voorkomt, maar deze niet onredelijk acht, en geen correctie aanbrengt.3
Als de Ondernemingskamer de onderzoeker hier evenwel bijstuurt, kan dit gevolgen hebben voor de omvang van de kosten van het onderzoek. Stel bijvoorbeeld dat de Ondernemingskamer een lager onderzoeksbudget vaststelt dan begroot door de onderzoeker, omdat naar de opvatting van de Ondernemingskamer de onderzoeker de te verrichten onderzoekswerkzaamheden te ruim schat. De onderzoeker stelt bijvoorbeeld de (kostbare) inschakeling van een forensisch deskundige voor, om grote hoeveelheden data te achterhalen, ordenen en analyseren, terwijl daaraan volgens de Ondernemingskamer geen behoefte bestaat. De aard van het enquêterecht verzet zich er mijns inziens tegen dat de onderzoeker de inzet van forensische opsporingstechnieken dan toch doorzet: de onderzoeker bepaalt hoe het onderzoek moet worden ingericht, maar steeds onder toezicht van de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer heeft het laatste woord.4 Als de Ondernemingskamer twijfelt aan de rechtgeaardheid van de onderzoeker, dan doet zij er verstandig aan hem een periodieke verantwoordingsplicht op te leggen of, bij ernstigere twijfel, hem te vervangen op grond van art. 284 lid 1 Rv jo. art. 194 lid 4 Rv.5 Vervangt de Ondernemingskamer de onderzoeker, en stelt zij de kosten van het onderzoek vast, dan kan zij de onderzoeker ook korten op zijn honorarium.
Als de onderzoeker nu een lager onderzoeksbudget krijgt voorgeschreven door de Ondernemingskamer, kan hij dan weigeren voor dit voorgeschreven onderzoeksbudget het onderzoek te verrichten en de onderzoeksopdracht teruggeven aan de Ondernemingskamer? De onderzoeker kan de Ondernemingskamer daar mijns inziens om verzoeken6 en de Ondernemingskamer zal dit verzoek naar mijn verwachting ook wel toewijzen.7 Een andere onderzoeker, die wel bereid is tegen een lager onderzoeksbudget het onderzoek te verrichten, kan dan worden benoemd. De vervanging van de onderzoeker kan gevolgen hebben voor de begroting. Afhankelijk van de achtergrond van het verschil van inzicht tussen de Ondernemingskamer en de eerste onderzoeker, kan behoefte bestaan aan een nieuwe begroting, op te stellen door de tweede onderzoeker.
Denkbaar is verder dat de Ondernemingskamer, al dan niet mede naar aanleiding van commentaar van procespartijen, het onderzoeksbudget vaststelt op een hoger bedrag dan de onderzoeker heeft begroot of de onderzoeker vraagt een tweede begroting op te stellen, omdat de onderzoeker zijn taak te beperkt uitlegt of te verrichten onderzoekswerkzaamheden te krap begroot of over het hoofd ziet. Mogelijk is ook dat procespartijen het onderzoek wensen aan te wenden voor een latere aansprakelijkheidsprocedure, hierom graag een zo breed mogelijk onderzoek zien en daartoe suggesties aan de Ondernemingskamer doen, die hier vervolgens gehoor aan geeft.
Zo begrootte de onderzoeker in Estro geen pro memoriekosten zoals kantoorkosten en kosten voor eventuele aanvullende ondersteuning. Evenmin begrootte de onderzoeker kosten voor het verwerken van commentaar van partijen op het concept onderzoeksverslag. De begroting van de onderzoeker sloot op € 181.500; de Ondernemingskamer stelde het onderzoeksbudget vast op € 225.000.8 In PGH Autogroep begrootte de onderzoeker de kosten van het onderzoek op € 49.600; de Ondernemingskamer rondde dat bedrag naar boven af en stelde het onderzoeksbudget vast op € 50.000.9 In L’Étoile verzocht de enquêteverzoeker het onderzoeksbudget op een hoger bedrag vast te stellen, gezien zijn suggestie aan de onderzoeker twee extra personen te interviewen. De Ondernemingskamer stelde het onderzoeksbudget echter vast op het door de onderzoeker begrote bedrag, gelet op de vrijheid van de onderzoeker te bepalen wie hij ten behoeve van zijn onderzoek zal interviewen en gelet op het feit dat het de onderzoeker vrijstaat in een voorkomend geval om een verhoging van het onderzoeksbudget te verzoeken.10
Overigens hebben procespartijen ook inspraak bij de verhoging van het onderzoeksbudget en de vaststelling van de vergoeding van de onderzoeker. Als wordt gebruikgemaakt van een begroting, zijn verhogingen van het onderzoeksbudget waarschijnlijk echter minder vaak nodig. Het moment van inspraak van procespartijen verschuift naar voren, naar de vaststelling van het onderzoeksbudget. Het kan procespartijen dan ontbreken aan mogelijkheden om de onderzoeker gedurende het onderzoek te controleren en invloed uit te oefenen op de hoogte van het onderzoeksbudget. In dat kader acht ik een periodieke tussentijdse verantwoordingsplicht wenselijk, waarover par. 2.10.