Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/5.3.1
5.3.1 Inleiding
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS348258:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Handboek 2013/187.1, Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/641, Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/348, Buijn/Storm 2013, par. 14.6, Van der Grinten, De bescherming van de onafhankelijkheid van de vennootschap, De NV 60 (1982), p. 40, Van Solinge (sr.), De statuten van de NV en de nieuwe bepalingen inzake het kapitaal, TVVS 82/3, p. 59, Perrick, Maeijer bundel 1988, p. 190, Voogd (diss.) 1989, nr. V.3.4.3.2, Prinsen (diss.) 2004, par. 4.3.3, De Kluiver, reactie bij Schwarz, Beschermingsperikelen en tegenstrijdig belang, Ondernemingsrecht 2000, p. 24, Dortmond, reactie bij Schwarz, Beschermingsperikelen en tegenstrijdig belang, Ondernemingsrecht 2000, p. 161 en Dortmond, Conflicten rondom de rechtspersoon 2000, p. 101. Anders Schwarz, Beschermingsperikelen en tegenstrijdig belang, Ondernemingsrecht 1999, p. 439 en in Ondernemingsrecht 2000, p. 60-62. Vgl. ook Blanco Fernández, Uitgifte van preferente beschermingsaandelen, De NV 67 (1989), p. 155, die meent dat hoe langer de periode tussen de optieverlening en de optie-uitoefening is, des te gewichtiger het met de plaatsing gediende belang zal moeten zijn.
Aldus Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/641 en Buijn/Storm 2013, par. 14.6.
De in de vorige paragraaf te berde gebrachte casus betreft een optie ter zake van reeds uitgegeven aandelen in een vennootschap die door een aandeelhouder worden gehouden. Uitoefening van de calloptie betekent dat die bestaande aandelen worden gekocht en aanvaard door de optiegerechtigde, dan wel in geval van een putoptie worden verkocht en geleverd door de optiegerechtigde. De optieverlening, de uitoefening van de optie en de door uitoefening van de optie ontstane overeenkomst worden louter door het verbintenissenrecht beheerst.
Beschermingsprefs zullen niet zijn uitgegeven en verschijnen eerst ten tonele indien er naar het oordeel van het bestuur en raad van commissarissen van de vennootschap en/of de stichting continuïteit sprake is van een situatie van oorlogstijd. Zoals in paragraaf 4.3.4 aan de orde gesteld, ligt het voor de hand om het bestuur aan te wijzen als het tot uitgifte van beschermingsprefs bevoegde orgaan, zodat geen algemene vergadering gehouden hoeft te worden om over de uitgifte van beschermingsprefs te besluiten. Het bestuur is dan bevoegd om gedurende een periode van maximaal vijf jaar beschermingsprefs uit te geven. Aangezien een vennootschap zich voor langer dan vijf jaar wenst te beschermen en de uitgiftebevoegdheid niet steeds wenst te verlengen, wordt in de praktijk door het bestuur een optie verleend aan de stichting continuïteit tot het nemen van beschermingsprefs. De stichting kan dan de optie uitoefenen, waarmee de beschermingsprefs aan haar worden uitgegeven. In dat geval is sprake van een calloptie.
Algemeen wordt aangenomen dat de stichting de optie ook kan uitoefenen indien het bestuur niet meer bevoegd is om tot uitgifte van aandelen te besluiten.1 Ik sluit me bij deze opvatting aan. Uit art. 2:96 lid 5 BW volgt immers dat besluitvorming plaatsvindt bij de optieverlening en niet bij de uitoefening van de optie. Op het moment van die besluitvorming dient het bestuur bevoegd te zijn tot uitgifte van beschermingsprefs. Met de toekenning van de optie aan de stichting, is de bal als het ware overgegooid naar de stichting. Alleen de stichting kan iets met die bal doen. De rechtshandeling van optieverlening is geëffectueerd en afgerond. Wat er ondertussen met de overgooier – het vennootschapsbestuur dus – gebeurt, doet niet ter zake. De overgooier kan zijn pols breken, hetgeen niet afdoet aan het feit dat de ontvanger van de bal met de bal doet wat hij wil. Er is geen besluit van de overgooier meer vereist en evenmin van de algemene vergadering. De stichting zou het optierecht aldus voor onbepaalde tijd in de toekomst kunnen uitoefenen. Dit maakt het beschermingsinstrument tot een effectief instrument. Een ander voordeel is dat de beslissing om beschermingsprefs uit te geven komt te liggen bij een onafhankelijke derde. In dat geval is de kans kleiner dat een beroep op het oneigenlijke gebruik van de emissiebevoegdheid door het bestuur van de vennootschap zal slagen.2